Dossier: 

COP21: Het uur van de waarheid nadert

Het jarenlange geploeter voor een ambitieus klimaatakkoord nadert zijn finale fase. Het is een kwestie van uren nu nog, van nachtwerk en diplomatie op hoog niveau. De bereidheid staat als een paal boven water, maar tussen sommige groepen is dat water ook nog heel diep. Dat kan ook niet anders, want het gaat over fundamentele en eeuwenoude scheeftrekkingen die aangepakt moeten worden. 

  • © Wiepke Boogaerts © Wiepke Boogaerts
  • © Wiepke Boogaerts © Wiepke Boogaerts

Het is aftellen hier in Parijs. Gisteren namiddag (woensdag 9 december, om 15 uur) is een nieuwe ontwerptekst voorgelegd en door de landendelegaties besproken. De voorbije nacht is daar verder op gewerkt en in de loop van de namiddag vandaag moet een nieuwe versie klaar zijn, volgens de planning de voorlaatste. De reacties van alle landen en onderhandelingsgroepen op zo’n tekst is een sterke graadmeter en geeft een idee van de uitkomst. 

Om 20 uur gisteravond zijn die reacties er gekomen, in een drie uur durende sessie. Daar zijn heel wat opmerkingen op gemaakt, ook fundamentele opmerkingen, maar elk van de partijen die het woord vroeg, heeft de wil benadrukt om Parijs te verlaten met een akkoord. Ook Saoedi-Arabië, Rusland en de Gelijkgezinde Ontwikkelingslanden. Twee sterke lijnen tekenden zich af: opmerkelijk was de grote aanhang voor de stellingnames van de G77 + China en het vertrouwen in het Franse voorzitterschap. Maar nog heel wat knopen moeten worden doorgehakt.

Ambitieus maar niet makkelijk

Opmerkelijk is dat de tekst als lange termijndoelstelling niet alleen de 2°C voorop stelt, maar expliciet 1,5°C vermeldt. Dat perspectief is uitermate belangrijk, wetende dat we nu afstevenen op 3°C, we zitten momenteel al aan een opwarming van 1°C, tegenover het pre-industriële niveau. 1,5°C is in lijn met de wetenschap en ook een tegemoetkoming aan de vraag van de Kleine Eilandstaten en van de Meest Kwetsbare Landen.

Deze verschuiving bewijst dat men zich bewust is van de ernst van de zaak, maar het betekent tegelijk dat de inspanningen dan ook serieus moeten worden opgetrokken, op alle vlakken: meer uitstoot verminderen, meer financiering, betere technologie.

We stevenen af op 3°C en hebben nu al een opwarming van 1°C. 

1,5° betekent ook dat er een moment bepaald moet worden waarop de emissies pieken. Er wordt voorlopig in de ontwerptekst geen melding gemaakt van zo’n piekjaar.

Wel is er expliciet sprake van de noodzaak van uitdoven van de emissies. Volgens Greenpeace International is het de eerste keer dat dit zo duidelijk in de tekst staat. Voor Greenpeace hangt dit samen met koolstofneutraal worden tegen 2050.

De bijkomende moeilijkheid is dat de huidige klimaatplannen onvoldoende zijn om de opwarming in te perken tot  2°C te gaan, laat staan tot 1,5°C. Die plannen moeten dus bijgesteld worden, hoe sneller hoe beter. Maar daarover zitten de landen helemaal niet op één lijn.

Optimaal moet dit gebeuren voor 2020, wanneer het akkoord in werking treedt, bijvoorbeeld in 2018. En er zou een herziening moeten komen op regelmatige basis, bijvoorbeeld om de vijf jaar, om de inspanningen op te trekken. Dat is het standpunt dat Europa bepleit. Maar India en China hebben het daar moeilijk mee. Zij stellen: we hebben doelstellingen ingediend tot 2030 en we hoeven dit tussentijds niet te herzien.

Het andere punt dat hiermee samenhangt en waar het dispuut over gaat: die inspanningen moeten niet alleen opgetrokken worden, ze moeten ook gemeten en geverifieerd worden. Het proces moet transparant zijn en landen moeten elkaar kunnen vertrouwen dat ze doen wat ze zeggen, door te kunnen checken. Ook dat is voor onder meer China en India een probleem, omdat ze naar eigen zeggen onvoldoende technische capaciteit hebben om dit te doen. Maar ook Saoedi-Arabië zegt dat. Om daaraan tegemoet te komen, is er in de ontwerptekst vooruitgang gemaakt op het vlak van capaciteitsopbouw en technologietransfer.

De geldkwestie

De beloofde 100 miljard dollar tegen 2020 zijn nog niet helemaal gegarandeerd, en er is nog heel grote onduidelijkheid hoe de klimaatfinanciering na 2020 gaat gebeuren. 100 miljard per jaar moet het minimum zijn, dat van de rijke landen naar de meest kwetsbare landen gaat als klimaatfinanciering, en dat zou ook bijvoorbeeld om de vijf jaar moeten herzien worden.

© Wiepke Boogaerts

Ontwikkelde landen moeten het meeste inspanning leveren, ontwikkelingslanden kunnen daartoe niet verplicht worden, ze kunnen bijdragen leveren op vrijwillige basis. De meest radicale ontwikkelingslanden interpreteren dit als “de rijke landen willen de lasten afwentelen op ons, ze doen hun “fair share” – hun eerlijke deel- niet, in verhouding tot hun historische verantwoordelijkheid.

Een koolstoftaks en het afschaffen van subsidies aan fossiele brandstoffen kunnen innovatieve bronnen van financiering zijn. 


Om de nodige klimaatfinanciering te kunnen verzekeren, moeten er nieuwe financiële stromen worden aangeboord. Zo’n innovatieve financiering zou kunnen komen van een koolstoftaks of het  afschaffen van subsidies aan fossiele brandstoffen. Dat zijn thema’s die hier meer dan ooit besproken worden, maar nog niet rijp zijn om in een verdrag te worden opgenomen.

Een ander gevoelig punt voor de ontwikkelingslanden is dat er voldoende geld zou zijn voor adaptatie. Van de 100 miljard zou daar 16 miljard naartoe gaan, maar dat moet 32 zijn, zeggen de ontwikkelingslanden. En over het algemeen moet er volgens hen veel meer geld en aandacht naar dit onderdeel gaan.

Ook dat is moeilijk in het verdrag vast te leggen, maar gisteren  is John Kerry, Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken, wel speciaal naar hier gekomen om te zeggen dat de VS  400 miljoen extra gaan vrijmaken voor adaptatie-ondersteuning voor de periode voor 2020, voor de Minst Ontwikkelde Landen. Een initiatief dat vooral symbolisch erg belangrijk is.

Ook China zegde hier 3 miljard dollar klimaatfinanciering toe, vooral voor Afrika, op vrijwillige basis.

In het nieuwe verdrag zijn het niet alleen meer de rijke landen die klimaatfinanciering moeten geven. Ook de groeilanden, of “wie kan” of “in de mogelijkheid verkeert”, wordt veronderstelt dit te doen.

De inzet  en positionering van elk land telt dus, ook van ons land. Nu de lastenverdeling er door is, hebben onze klimaatministers de voorbije dagen hun financieringsbijdragen voor dit jaar en volgend jaar bekendgemaakt. 11 11 11 analyseerde de cijfers. Echt ambitieus zijn die niet. Met moeite (onder andere door een beroep te doen op het budget voor ontwikkelingssamenwerking, waar ook al op beknibbeld wordt) halen onze gewesten eerder beloofde bedragen, terwijl Duitsland of Frankrijk bijvoorbeeld hun ambities flink optrokken.

Scharnierpunt

COP 21 is op een scharnierpunt beland. Er ligt van alles op tafel. Er is heel veel goede wil, sommige landen, sommige grote personaliteiten hebben verrassingspakketten meegebracht en dat is fantastisch: geld, programma’s, samenwerkingsakkoorden. Maar een verrassingspakket is geen berekenbare en betrouwbare deal. Het garandeert misschien te weinig structurele veranderingen en daar is het de ontwikkelingslanden vooral om te doen.  

Wat het ook moeilijk maakt, is dat er, zoals steeds, tafelschuimers zijn: deelnemers die profiteren van de situatie. Als bijvoorbeeld het eiland Kiribati, dat onder de golven dreigt te verdwijnen, financiële middelen vraagt voor schade en verlies, dan zegt Saoedi-Arabië: ‘Wij willen ook vergoed worden voor de inkomsten die we gaan mislopen als er geen fossiele brandstoffen meer gebruikt mogen worden.’

Dat Saoedi-Arabië zo’n houding aanneemt, is al vervelend. Erger wordt het als andere Arabische landen zich daar niet van distantiëren, ook Marokko niet, dat volgend jaar gastland is voor de COP22. Daarom is het zo belangrijk hier zo ver mogelijk op te schieten.

De Hoge Ambitie Coalitie

Hoe groot de wil is om te slagen, bleek gisteren bij de voorstelling van de Hoge Ambitie Coalitie, een initiatief van meer dan 100 landen die een ambitieus akkoord willen.

Het initiatief is een half jaar geleden geopperd door de Colombiaanse minister van Milieu en heeft in alle stilte achter de schermen vorm gekregen. Europa en de VS behoren tot deze coalitie, en een hele waaier landen uit Afrika, de Caraïben en de Pacific. China en India horen niet tot die groep, voornamelijk omdat ze het standpunt van regelmatige herzieningen en inventarisatie van de inspanningen niet delen.

Toch stelt India zich constructief op. De minister van Milieu herhaalde vandaag nog eens op een persconferentie: India heeft geen rode lijn. Wij hebben alleen groene lijnen. Ook Brazilië stelt zich heel constructief op en werkte samen met Europa een initiatief uit om te komen tot een koolstofmarkt.

Een historische opdracht

Dat er hier zo’n verhitte discussies gevoerd worden over deze thema’s en onverwachte allianties vorm krijgen, bewijst dat men de ernst van de zaak beseft. Als die zaken op tafel komen, is het omdat ze ook in het ware leven zullen doordringen en de economie en de politiek van morgen zullen vorm geven.

Ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden kijken elkaar hier recht in de ogen – terwijl de wereldgemeenschap mee toekijkt. Vluchten kan niet meer. Maar die historische scheeftrekkingen oplossen op een eerlijke en verantwoorde manier, zonder loze beloftes, is geen sinecure.

In deze conferentie moet de tweedeling tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden opgeheven worden, maar een groep van ontwikkelingslanden wil dit  liever niet. ‘De wereld is niet veranderd’, zeggen ze. Klopt: de ongelijkheid is groter geworden. Maar natuurlijk is de wereld veranderd, en is China de grootste uitstoter geworden. Maar niet per capita. Bovendien produceert China wel een steeds grotere hoeveelheid goederen, wij verbruiken ze wel. Een koolstofprijs kan helpen om dit recht te trekken. Er is nog een lange weg te gaan, maar het akkoord moet de wereld op het juiste spoor zetten. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.