Deze spelers domineren de Vlaamse windmolenmarkt

De Vlaamse windmolenmarkt wordt gedomineerd door een klein groepje spelers. Negen op de tien Vlaamse windmolens zijn eigendom van amper tien bedrijven of coöperaties. Dat blijkt uit overheidsdata die MO* in samenwerking met Ruimte Vlaanderen analyseerde.

  • © Geert Schneider Windmolens in Brugge © Geert Schneider
  • © Storm Windpower Een windturbineproject opzetten is veel complexer dan wat zonnnepanelen op je dak leggen © Storm Windpower
  • © Storm Windpower ‘Storm heeft vanaf het begin lessen getrokken of kunnen trekken uit de moeilijkheden die de andere spelers ondervonden.’ © Storm Windpower
  • Leaflet / Wikipedia (CC by-sa 3.0) Grondeigenaars in de Verenigde Staten krijgen jaarlijks 3000 tot 5000 dollar per windturbine Leaflet / Wikipedia (CC by-sa 3.0)

Driekwart van alle bouwvergunningen voor grootschalige windturbines die Vlaanderen de voorbije twintig jaar goedkeurde (513 van de 686) en liefst 93 procent van alle gebouwde grootschalige windturbines (274 van de 295) is in handen van min of meer dezelfde tien spelers.

Bron: Ruimte Vlaanderen. De cijfers ivm eigenaars geven de stand-van-zaken weer in april 2014, dat zijn de meest recente officiële cijfers. Navraag bij enkele van de grootste spelers op de windenergiemarkt leert dat er vandaag in Vlaanderen nog tientallen meer staan. Elicio nam een groot deel van de windmolens van Electrawinds over.

‘De winst vloeit deels terug naar de burger’

MO* vroeg twee experts windenergie om toelichting: Liesbet Mijlemans van consultancybureau 3E en Bart Bode van ODE.

Wie wordt er rijk van windenergie in Vlaanderen?

Een windturbineproject opzetten is veel complexer dan wat zonnnepanelen op je dak leggen

Bode: Als je naar de top-tien kijkt, zie je dat heel wat windmolens direct of indirect eigendom zijn van de gemeenschap. De winst vloeit dus deels terug naar de burger. In veel gevallen gaat het immers om vormen van overheidsbedrijven of zit er overheidskapitaal achter. Akkoord, bij Electrabel en deels Luminus is dat de Franse overheid. Maar bij Aspiravi, Limburg Wind(t), en Elicio –dat een groot deel van het vroegere Electrawinds overnam– gaat het toch om Belgische overheden. Bij Vleemo, dat windturbines ontwikkelt in de Antwerpse haven, is het eigenaarschap deels van de Antwerpse haven. En een bedrijf als Pathoeke Plus, opgezet om de windhovens langs het kanaal Brugge-Zeebrugge te ontwikkelen, is in handen van Aspiravi, Elicio en Electrabel.

Vindt u het geen probleem dat een handvol spelers de hele Vlaamse windenergiesector domineren?

Bode: Je kan toch niet van een monopolie spreken? Wat meespeelt, is dat het een zeer professioneel vak is: een windturbineproject opzetten is veel complexer dan wat zonnepanelen op je dak leggen.

Belangrijk vind ik vooral dat er een variatie in spelers blijft: grote en kleine projectontwikkelaars naast mekaar. Dat stimuleert de dynamiek van de sector. De grote leren van de kleintjes, en andersom. Vroeger zei men ‘small is beautiful’, maar als je echt een energietransitie wil maken, moet je ook de grote spelers aan boord hebben. En die zijn aan boord.

 

‘Gezonde concurrentie hoeft geen oorlog te betekenen’

Aspiravi is eigenaar van 71 windmolens in Vlaanderen en kroont zich daarmee tot koning van het Vlaamse windmolenlandschap. In de wandelgangen hoor je wel eens dat Aspiravi er “hard invliegt”. Klopt dat?

Mijlemans: Dat geldt ook voor andere spelers. Het is een redelijk assertieve wereld, maar dit wordt ook zo gestuurd door het beleid. De overheid laat de competitie zijn werk doen en concurrerende spelers strijden dus om de meest gunstige locaties.

De buitenwereld schildert onze sector soms af als het Wilde Westen. Onterecht.

Je moet daarbij ook in het achterhoofd houden dat ontwikkeling, voorbereiding en studiefases behoorlijk duur en tijdrovend zijn, en dat er voor elke verkregen vergunning makkelijk een handvol dossiers sneuvelen waar de ontwikkelaars ook die investering voor gedaan hebben. Het lijkt me dus logisch dat er voor goede locaties stevig gestreden wordt.

Bode: Het is inderdaad een concurrentiële omgeving. Maar gezonde concurrentie hoeft geen oorlog te betekenen –al zal er lokaal op het terrein af en toe wel eens een veldslag worden uitgevochten. De buitenwereld schildert onze sector soms af als het Wilde Westen. Onterecht. Ik vind het eigenaardig dat dat niet voor andere commerciële sectoren gebeurt.

96 Belgische gemeenten zijn aandeelhouder van Aspiravi. Heeft het bedrijf daarmee een voetje voor op de concurrentie?

Mijlemans: Ik heb niet de indruk dat het bedrijf cadeaus krijgt. Als ze al een voetje voor hebben, wat de cijfers lijken te impliceren, dan is dat omdat ze veel ervaring hebben en een professionele aanpak hanteren. Ze zijn ook bijna enkel met wind bezig, terwijl bijvoorbeeld Electrawinds vroeger veel diverser ging: biomassa, zon, buitenland… Aspiravi focuste de laatste jaren echt op windenergie in Vlaanderen, en met succes.

Storm, dat de top-tien van windmoleneigenaars afsluit, heeft als relatieve nieuwkomer al een redelijke positie verworven. Zijn succesformule?  

Mijlemans: Storm is inderdaad pas als speler in het veld gekomen toen de sector al heel matuur was en er al veel locaties waren uitgedeeld. Kijk, Storm heeft zich snel heeft laten omringen door mensen die er iets van afwisten. Dat zeg ik niet geheel onbevooroordeeld, want 3E (waar Mijlemans voor werkt, kc) speelde daar een rol in.

Storm heeft heel Vlaanderen laten mappen en alle beschikbare informatie in kaart gebracht. Dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Storm is ook heel vroeg begonnen met open communicatie naar omwonenden. Daarmee zeg ik niet dat andere spelers dat niet deden. Maar Storm heeft vanaf het begin lessen getrokken of kunnen trekken uit de moeilijkheden die de andere spelers ondervonden. Storm heeft bijvoorbeeld ook aandelen opengesteld voor de omwonenden, op een manier die redelijk risicovrij was – of toch met minder risico dan je ziet in sommige andere coöperaties.

© Storm Development nv

‘Storm heeft vanaf het begin lessen getrokken of kunnen trekken uit de moeilijkheden die de andere spelers ondervonden.’

Kosten en baten voor de omwonenden

Klopt het dat een aantal coöperaties eigenlijk gewoon een verlengstuk zijn van bedrijven?

Mijlemans: Je hebt een aantal spelers die altijd al een coöperatie waren. Bekende voorbeelden zijn Ecopower en Beauvent. Maar daarnaast is er de voorbije tien jaar een evolutie gekomen waarbij bedrijven zelf coöperaties zijn beginnen opzetten –onder meer onder aanmoediging van de overheid en van consultancybedrijven.

De betrokkenheid van omwonenden is nu eenmaal groter geworden. Het besef is gegroeid dat je windmolens niet gewoon door hun strot kan duwen. Het publiek is mondiger, actiegroepen zijn heel goed geïnformeerd, hebben heel goede advocaten, weten goed wat ze doen.

Het besef is gegroeid dat je windmolens niet gewoon door de strot van de omwonenden kan duwen.

Het idee is gerijpt dat niet enkel de lasten maar ook de baten naar de omwonenden kunnen terugvloeien. De laatste jaren hebben ontwikkelaars dus een deel van hun projecten opengesteld voor de betrokkenheid van particulieren, die de mogelijkheid krijgen om aandelen te kopen. Daarbij zijn verschillende modellen mogelijk, afhankelijk van hoeveel risico die mensen nemen. Zijn ze zoals de banken bij de eersten die worden terugbetaald? Of is er meer risico aan verbonden, en in principe daarmee samengaand een hogere return?

De kleine lettertjes uit het contract.

Mijlemans: Het gaat hem inderdaad om details, al wordt hierover meestal wel duidelijk gecommuniceerd en is vaak op de betrokken websites  te vinden- waar particulieren passen in de financiële structuur. Of iedereen daar voldoende kaas van heeft gegeten om alles te begrijpen, dat is dan weer een andere vraag.

Is de aanpak van coöperaties als Ecopower, mede-eigenaarschap én medezeggingschap, eigenlijk niet de beste garantie om lokaal draagvlak te creëren?

Bode: In maart 2014 hebben we door studiebureau Ipsos 581 Nederlandstalige burgers laten bevragen: ‘Stel dat uw gemeente een project zou hebben in het kader van windenergie, in welke mate zou u geïnteresseerd zijn om deel te nemen aan dit project?’ 52 procent wilde vooral informatie krijgen over het project; slechts 9% wilde mede-eigenaar worden én ook iets te zeggen hebben over het beheer van het project. Met andere woorden: daar is nauwelijks vraag naar.

Op de eerste plaats is er behoefte aan duidelijke informatie. Niet iedereen heeft immers de middelen om mee te investeren in een windturbine en de tijd om zich met het zeggingschap bezig te houden.

Gebrek aan goede informatie

Over die nood aan informatie gesproken: mijnheer Bode, vindt u als vertegenwoordiger van de sector dat projectontwikkelaars de omwonenden voldoende informeren?

Vaak komen protesten er uit onwetendheid of bij gebrek aan goede informatie.

Bode: De sector heeft heel veel geleerd. Een aantal van onze leden besteedde er vroeger weinig aandacht aan en droeg daar de gevolgen van: ze kregen veel protest. Nu beseft men dat het loont om tijd en energie te steken in informatie verstrekken. Vaak komen protesten er immers uit onwetendheid of bij gebrek aan goede informatie.

Electrabel heeft momenteel het meeste stedenbouwkundige vergunningen voor windmolens op zak. Over Electrabel hoor je wel eens dat het alle interessante stukjes Vlaanderenland al lang heeft geclaimd. Klopt dat?

Mijlemans: Dat geldt niet enkel voor Electrabel. Sommige spelers gaan nog actiever of assertiever te werk dan andere. Vele spelers zijn al jàren geleden alle goede locaties afgegaan en hebben contracten afgesloten over stukken land. Ik denk niet dat je op dit moment nog veel eigenaars van landbouwgrond moet proberen benaderen om op hun veld windturbines te installeren. Als het land interessant is, zullen ze hier wel al grondig over nagedacht hebben.

Het best bewaarde geheim

“Opstalrecht” heet zo’n huurcontract in het jargon. Het is een van de best bewaarde geheimen uit de windenergiesector: hoeveel verdienen boeren daaraan? Je hoort bedragen van 5000 tot 35.000 euro per jaar.

Mijlemans: Die cijfers worden meer en meer afgeschermd en zijn ook niet per se uniform. Natuurlijk is er wel een verschil tussen een stuk veld waarop een boer maïs teelt of een stuk bedrijventerrein – dat laatste is uiteraard vaak meer waard. Verder kan ik me ook voorstellen dat als een ontwikkelaar al tien eigenaars naast elkaar heeft overtuigd om een perceel af te staan, hij voor die elfde –die nog dapper weerstand biedt– bereid is om wat dieper in de buidel te tasten.

Bode: In de praktijk ligt het opstalrecht tussen de 20.000 en 25.000 euro. Dat zeg ik op basis van informatie uit de sector. Ook die 35.000 euro is al eens betaald –aan een OCMW nota bene. Opmerkelijk is dat het uitgerekend overheden zijn die de prijs opdrijven.

Leaflet / Wikipedia (CC by-sa 3.0)

Grondeigenaars in de Verenigde Staten krijgen jaarlijks 3000 tot 5000 dollar per windturbine

Wij als sector zijn uiteraard geen vragende partij om die opstalrechten zo hoog te laten oplopen. Maar je kan niet beletten dat een slimme landbouwer die een aanbod krijgt van firma X, belt naar firma Y en Z: ‘Ik heb een aanbod gekregen, wat bieden jullie?’ Zo gaat het in de praktijk. Het zijn niet de projectontwikkelaars die mekaar omver lopen, maar vaak de grondeigenaars. En neen, dat zijn niet altijd landbouwers.

Met dank aan Katleen Vermeiren en Stijn Vanacker van Ruimte Vlaanderen

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur