Hoe de ‘nee’ van N-VA de ‘nee’ van België werd

Waarom blokkeert kabinet Homans Belgische klimaatambities?

© Belga /  Kristof Van Accom

 

‘Als België in zijn totaliteit tegengestemd heeft tegen de voorstellen met betrekking tot efficiëntie inzake energie dan is dat omdat alle entiteiten neen uitgebracht hebben: de federale staat België plus de drie gewesten. Die spelletjes in de media kloppen dus niet. Ik kan mij inbeelden dat bepaalde mensen er plezier aan beleven om de zwarte piet door te spelen.’

Minister-president Geert Bourgeois herhaalde het tijdens het actualiteitsdebat over het Vlaamse klimaatbeleid op 5 december een paar keer: niet een regio is verantwoordelijk voor de nee-stem die België samen met Tsjechië uitbracht tegen een aangescherpt streefdoel voor energiebesparing, de nee-stem was zowel federaal als regionaal gedragen.

Wat federaal minister van Energie Marie-Christine Marghem ook mocht beweren, het was onkies de schuld van de ‘nee’ in de schoot van Vlaanderen te werpen. Tegen Björn Rzoska van Groen die bleef aandringen op een duidelijk antwoord op de vaag of Vlaanderen al dan niet op die nee had aangestuurd, zei Bourgeois niet zonder ergernis: ‘U beweert dat België ‘neen’ heeft gestemd omdat Vlaanderen ‘neen’ heeft gestemd. Dat klopt niet. Alle entiteiten moeten ‘neen’ zeggen.’

Geanimeerd debat

“ ‘U beweert dat België ‘neen’ heeft gestemd omdat Vlaanderen ‘neen’ heeft gestemd. Dat klopt niet. Alle entiteiten moeten ‘neen’ zeggen.’ Dat laatste klopt. Dat eerste niet.”

De verslagen van de vergaderingen van de directie-generaal Europese Zaken en coördinatie (DGE) waarin begin en eind juni het Belgische standpunt werd afgeklopt, bieden een andere kijk op de zaak. Het is wel degelijk Vlaanderen dat gehamerd heeft op een nee-stem, de andere regio’s hebben die min of meer schoorvoetend aanvaard. Beslissingen in de DGE worden niet per stemming, maar unaniem aangenomen. In die zin heeft Bourgeois gelijk. Wie het hardst doorduwt en dreigt met blokkeringen in andere dossiers, bepaalt wel vaker de richting. In die zin heeft Marghem een punt.

Op 7 juni werd de Belgische positie een eerste keer besproken in de DGE. Vertegenwoordigers van de kabinetten Crucke, Marghem, Homans, Tommelein en Frémault en vertegenwoordigers van een aantal overheidsdiensten bogen zich over de door het Europese parlement en de Europese raad voorgestelde verhoging van het ambitieniveau voor hernieuwbare energie en energiebesparing. Wat die verhoging moest inhouden, was op dat moment nog onbeslist. Een informele lunch onder ministers op 11 juni moest duidelijk maken wat de onderhandelingsruimte was tussen het meer ambitieuze voorstel van het Europese parlement – 35 procent hernieuwbare energie tegen 2030 en een niet-bindende doelstelling van 34 procent energiebesparing – en het gematigde voorstel van de Raad.

Er volgde een ‘geanimeerd debat ter bepaling van de elementen van het Belgische standpunt’ voor de informele lunch. Er lagen een paar opties open, maar Vlaanderen zette toen al de hakken in het zand. ‘Er bleek dat namens VL zijde geen ruimte was om tegemoet te komen aan geen van beide opties in geen van beide voorstellen’, staat er. Iets wat door andere deelnemers ‘betreurd’ werd, ook omdat door de weinig constructieve aanpak België riskeerde helemaal buitenspel te komen staan. Wat uiteindelijk ook gebeurde.

Artikel 7 is struikelblok

Op 28 juni volgde een tweede vergadering waarop de positie van België definitief bepaald werd. Met dezelfde aanwezigen. Tien dagen eerder – op 19 en 20 juni — was er op Europees niveau een akkoord bereikt over het voorgestelde, aangescherpte ambitieniveau. Ondanks het tegenstribbelen van België kwamen Raad en Europees parlement overeen om het streefdoel voor hernieuwbare energie op te schroeven naar 32 procent en dat voor energiebesparing naar 32,5 procent, met als cruciaal, extra element het artikel 7 dat een jaarlijkse verplichte daling van 0,8 procent van het energieverbruik naar voor schoof.

Rond de tafel zat een negatieve stem – ingegeven door de onhaalbaarheid van het artikel 7 – de anderen wilden zich onthouden.

De mensen rond de tafel moesten nu de Belgische stem voor de definitieve stemming in de Raad in december vastleggen. Daarbij kon het akkoord aanvaard of verworpen worden, België kon zich onthouden en er was nog een vierde optie: België kon een bijkomende verklaring afleggen, de strategie van het inlegvel.

Net als in andere landen – Slovakijke, Kroatië, Letland, Polen en Tsjechië worden geciteerd, samen met Finland en Nederland – bestond er bij de onderhandelaars veel twijfel over de haalbaarheid van een verplichte daling van energieverbruik (artikel 7). Er wordt letterlijk gezegd dat dit in een periode van economische, industriële en bevolkingsgroei ‘de fysieke mogelijkheden tart van wat mogelijk is’. Een verplichte besparing op energieverbruik, zo meent men, fnuikt de economische groei.

Met energiebesparing als principe is men het rond de tafel eens, maar men wil dit graag interpreteren als ‘het maken van eenzelfde product met minder energie en niet als minder energieconsumptie.’ Op zich al een interessant standpunt.

Artikel 7 zou het struikelblok vormen. Rond de tafel zat een negatieve stem – ingegeven door de onhaalbaarheid van het artikel – de anderen wilden zich onthouden en, mochten ze erin slagen besparing op energieverbruik te veranderen in besparing op energieverkoop, dan pleitten ze zelfs voor een ja.

Maar de nee hield voet bij stuk en stelde zelfs voor actief een blokkeringsminderheid op poten te zetten met andere twijfelende landen. Uiteindelijk werd ingestemd met de tegenstem. ‘Hoewel sommige deelnemers dit betreurden’. België zou wel een verklaring aan haar ‘nee’ vasthechten, qua blokkeringsminderheid zou men uiteindelijk niet verder komen dan een verbond met Tsjechië.

Kabinet Homans

Hoewel in dit laatste en definitieve verslag Vlaanderen, of een Vlaamse deelnemer niet letterlijk genoemd wordt, leert rondvraag dat het wel degelijk over de aanwezige kabinetsmedewerker van Homans gaat. Bond Beter Leefmilieu (BBL) verwees er rechtstreeks naar in een persbericht dat het verleden week rondstuurde. ‘Het was het kabinet van N-VA-minister Homans dat de Belgische stem tegen meer energiebesparing in Europa doorduwde bij de andere gewesten tijdens het voorafgaande overleg’, stelt Benjamin Clarysse, energie-expert van de BBL.

De Brusselse minister van Leefmilieu en Energie, Céline Frémault laat in een officiële reactie weten dat ‘Brussel bereid was de inspanningen te verdubbelen gezien de grote klimaatuitdagingen. Maar de N-VA blokkeerde.’ Uiteindelijk werd ingestemd met de ‘nee’ om de hangende besprekingen over onder andere het Nationale Energie- en Klimaatplan van België niet te ondermijnen.

Andere bronnen die het dossier kennen, bevestigen dat N-VA voet bij stuk hield over de nee-stem. Het is trouwens meestal de N-VA die in energiedossiers op de rem staat en anderen dwingt om de lat te verlagen. ‘Als het over hernieuwbare energie gaat, is hun standpunt duidelijk. Altijd gaat het over de kostprijs. Niet voor de gezinnen, wel voor de bedrijven’, klinkt het. ‘Maar er is meer. Hun voorzitter heeft hernieuwbare energie ooit ‘gebakken lucht’ genoemd.’

“Hun voorzitter heeft hernieuwbare energie ooit gebakken lucht genoemd.”

En dit brengt ons bij drie vragen: wat doet een onderhandelaar van de N-VA aan een tafel waarvoor geen van de Vlaamse N-VA ministers bevoegd is? Is die verplichte energiebesparing die de kabinetsmedewerker van Homans tijdens de vergadering net niet omschreef als economische zelfmoord werkelijk zo onoverkomelijk? Maar ook: is het niet al te makkelijk – en zelfs handig – voor Marghem om zich achter de intrinsieke weerstand van de N-VA te verschuilen? Wordt de complexiteit van de Belgische staatsstructuur en overlegorganen – geen gewoon mens weet dat er zoiets bestaat als een DGE – niet al te makkelijk gebruikt als excuus om een stilstand goed te praten of te organiseren?

Gewillige excuustruus

Het antwoord op die laatste vraag is het eenvoudigste: natuurlijk. Ik maakte het onlangs nog mee op een persbijeenkomst over de VN-conferentie rond biodiversiteit die de voorbije maand in het Egyptische Sharm-El-Sheikh plaatsvond. Marghem zou daar naartoe reizen, wat ze uiteindelijk niet deed, maar in een zaaltje van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel onderstreepte ze graag het belang van biodiversiteit. ‘Er zou een pact rond biodiversiteit moeten komen, net zoals er een klimaat- en energiepact is’, zei ze fel. Maar, voegde ze er met een monkellach aan toe: ‘Ik weet niet of andere ministers de prioritaire waarde daarvan beseffen.’ Het leek alsof ze zich niet kon voorstellen dat ze op een ministerraad zou hameren op het belang van de rijkdom van de bloemen en de bijen. Wie zou haar daarna nog ernstig nemen?

Hetzelfde geldt voor klimaat. Of zoals Juliette Boulet van Greenpeace België eerder in Le Soir zei: blokkeringen opheffen en echte compromissen smeden, is de taak van een federale minister. ‘Marghem’, zo oordeelt Boulet. ‘is nooit proactief geweest, ze heeft nooit echte wil getoond.’

Misschien is het wel handig voor Marghem dat N-VA alle bezwaren formuleert die zij intrinsiek zelf heeft? De N-VA als gewillige excuustruus?

Geen verslechtering is ook verbetering

Wat nu met energiebesparing – de tweede vraag. Frémault onderstreepte in haar reactie dat een verplichte, jaarlijkse energiebesparing – het artikel 7 – een uitdaging betekent voor een stedelijke omgeving met slecht geïsoleerde huizen als het Brusselse gewest. Maar, voegde ze eraan toe, Brussel zal doen wat nodig is.

In Vlaanderen is men er niet van overtuigd dat een verplichte energiebesparing nodig is om te doen wat nodig is. Bourgeois verwees er tijdens het parlementair debat geregeld naar. ‘Bij een sterke economische groei sinds 2008 zijn we erin geslaagd om nul te bewaren met onze industrie. Om daar bovenop nu nog eens 0,8 in absolute cijfers te leggen, met zware boetes er bovenop, dat kon niet. Op het moment dat dat wel kan, gaan we er heel zeker in mee.’ Lees: de industrie in Vlaanderen levert al meer dan genoeg inspanningen. Want, zo zei Bourgeois nog: ‘Onze industrie heeft er in economische groei voor gezorgd dat de efficiëntie gerealiseerd is, in die zin dat er geen toename of verslechtering is. Dat betekent dat onze industrie jaar na jaar efficiënter wordt.’

“We weten in Vlaanderen überhaupt niet hoeveel besparingspotentieel er is.”

Clarysse heeft zijn bedenkingen bij die beweringen. ‘We weten in Vlaanderen überhaupt niet hoeveel besparingspotentieel er is. Het zou goed zijn om dat eerst in kaart te brengen vooraleer te roepen dat meer besparen onmogelijk is. We vragen aan de Vlaamse regering meer ambitie op vlak van energiebesparing en een cijfermatig onderbouwd beleid.’

Nog interessanter wordt het als je de argumenten van de N-VA – onmogelijk, fnuikend voor economische groei, impactanalyse nodig – legt naast de communicatiestrategie rond klimaatmaatregelen die Business Europe naar zijn leden stuurde. Daarin worden bedrijven aangeraden ‘positief te staan tegenover klimaatbeleid zo lang het een politiek statement blijft, maar zonder zich te laten vastpinnen op expliciete doelen.’ Iedere verhoging van ambitie moet afgeblokt worden met standaardargumenten als ‘level playing field’ en ‘Europa doet al genoeg’; steeds hoort men te hameren op de noodzaak van ‘impact analyses.’ Verder kan men maar beter de nood aan extra ambitie minimaliseren door erop te wijzen dat het aan de rest van de wereld is om Europa te volgen. Business Europe vertegenwoordigt niet de meest progressieve ondernemers in Europa, maar de bullet points die ze oplijstten, klinken bijna als een echo van de toespraak die Bourgeois vorige week in het parlement gaf.

Niet verwonderlijk, menen verschillende bronnen. ‘Er loopt een rechtstreekse lijn van het kabinet Homans naar Essenscia, de federatie van de chemische industrie in België. Alles wordt met hen afgetoetst.’ Of nog: ‘De N-VA heeft het altijd over de kostprijs. Niet voor de gezinnen, wel voor de bedrijven. Je zou denken: we verdelen de lasten gelijk. Daar willen ze niet van weten.’

Ook Tommelein insinueerde daarop in zijn repliek in het parlement. ‘Ik hoor in dit debat sommigen opnieuw zeggen: ‘Laat de bedrijven gerust, verplicht de burgers om een aantal zaken te doen.’ Ik denk niet dat we het zo moeten doen. Ik denk dat we de zaken samen moeten aanpakken.’ In een adem liet hij trouwens verstaan dat hij ‘persoonlijk niet zo gelukkig was dat we als enige land hebben tegengestemd.’

En zo komen we bij de eerste, en laatste vraag: waarom bepaalt een kabinetsmedewerker van Homans het stemgedrag van België, terwijl Tommelein de Vlaamse minister voor Energie is? De vraag is gesteld. Het antwoord nog niet gegeven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's