Ontwikkeling wordt ambitieus, transformatief en universeel -maar wie gaat dat betalen?

7000 mensen landden in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba om te debatteren over de trillion dollar agenda van toekomstige ontwikkelingsinspanningen. Overheden willen ambitieuze doelstellingen, maar gaan die niet zelf betalen. Van waar moet het geld dan wel komen? En waartoe dient het?

  • © Gie Goris © Gie Goris

2015 is een boeiend jaar voor wie voorbij de grenzen van de EU kijkt. In december moet de internationale gemeenschap een klimaatakkoord sluiten om de opwarming van het klimaat onder de min of meer veilige 2°C te houden. In september komen de wereldleiders samen in New York om een nieuw ontwikkelingsprogramma af te spreken, als opvolger van de Millenniumdoelstellingen.

De Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDGs) die daar vastgelegd zullen worden voor de komende vijftien jaar zijn ambitieus en universeel, en beloven een echte omwenteling in de prioriteiten van de wereldgemeenschap. Dat betekent dat er enorme middelen nodig zijn om ze te realiseren. In voorbereidende documenten heeft men het over een trillion dollar agenda.

Vandaar dat de ontwikkelingslanden er een punt van maakten dat er voor de hoogmis in New York een conferentie zou plaatsvinden waar de wereldgemeenschap zich moet engageren om ten minste een deel van dat “biljoen dollar” te vinden en te beloven, en voor de rest afspraken te maken die de beschikbaarheid garanderen van de nodige middelen om die duurzame ontwikkeling te realiseren.

Die eerste van drie cruciale conferenties van 2015 vindt deze week (13-17 juli) plaats in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba.

De krimpende ontwikkelingsbudgetten

‘De officiële ontwikkelingshulp (ODA) is niet het echte onderwerp van deze conferentie’, stelt de Belgische delegatie onder leiding van vice-premier en minister van Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo. Dat wil zeggen: de rol van ODA is sowieso sterk verminderd de voorbije decennia in vergelijking met buitenlandse investeringen en het geld dat migranten naar de familie thuis sturen, maar ook in vergelijking met het belang van eigen belastinginkomsten in de ontwikkelingslanden.

De discussies moeten volgens de briefing van de Belgische delegatie dan ook vooral gaan over de vraag waar het nodige geld vandaan zal komen, waar het naartoe zal gaan en waarvoor het moet dienen. Het “biljoen dollar” waarvan sprake hierboven, blijkt bijvoorbeeld niet eens voldoende om de dringende infrastructuurinvesteringen te garanderen die ontwikkelingslanden na jaren van streng fiscaal beleid moeten doen.

De oude belofte dat donorlanden 0,7 procent van hun bruto nationale inkomen aan Ontwikkelingssamenwerking zullen besteden, wordt herhaald en bevestigd

Zonder die investeringen, lijkt de noodzakelijke economische groei onmogelijk. Maar met alleen betere infrastructuur voor energie voorziening, internationale handel en interne mobiliteit is men nog heel ver verwijderd v an de sociale en duurzame ontwikkeling die beloofd wordt in de

In de voorlopige eindtekst van de conferentie, die na maanden onderhandelen een voorlopige consensus verwoordt onder alle VN-lidstaten, is het aandeel van ODA nochtans niet onaanzienlijk (29 paragrafen op een totaal van 134).

Vooraan in dat hoofdstuk over internationale ontwikkelingssamenwerking wordt de oude belofte van de donorlanden herhaald en bevestigd om 0,7 procent van hun bruto nationale inkomen aan Ontwikkelingssamenwerking te besteden. In één adem wordt eraan herinnerd dat een belangrijk deel van die inspanning (tussen 0,15 en 0,20 van het bni van het donorland) naar de Minst Ontwikkelde Landen zou moeten gaan. België pleit overigens voor een aandeel van minstens 50 procent van ontwikkelingsgelden voor de armste landen.

De conferentietekst wijst ook op het belang van een goede coördinatie onder donoren en hun afstemming op het nationale ontwikkelingsbeleid van de ontvangende landen. Deze principes zijn –net als de 0,7 procent- niet nieuw en worden op elke conferentie herhaald, maar blijken in de praktijk niet eenvoudig te realiseren, al was het maar omdat ze soms botsen met de politiek leidende principes van de internationale gemeenschap of de westerse donoren –zoals mensenrechten in het algemeen of vrouwenrechten in het bijzonder.

Betere belastingen

De algemene principes die de derde Finance for Development conferentie (de vorige waren in Monterrey in 2002, en in Doha in 2008) naar voor schuift, liggen in de lijn van wat de Verenigde Naties voorstaan: inclusieve economische groei, het recht op ontwikkeling, gendergelijkheid, waardig werk, …

‘Nationale ontwikkeling heeft behoefte aan een internationale economische omgeving die deze ontwikkeling bevordert’, staat in paragraaf 9.

Er moet volop ingezet worden op het terugdringen van belastingontduiking en –vermijding

Dat is een stelling die niemand zal betwisten, al zijn er heel verschillende en tegengestelde manieren om dat in te vullen. De VN bedoelen –blijkt uit de rest van deze tekst- toch vooral dat het vrijhandelsregime zoals dat binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) tot stand kwam, verder uitgebreid en uitgediept moet worden. Maar men zet –zeker in de context van deze financieringsconferentie- ook heel sterk in op een beter en performanter belastingsysteem.

Niet toevallig is het eerste actieterrein waarop de conferentie mikt de ‘binnenlandse publieke middelen’, of met andere woorden de financiële middelen die een overheid haalt uit de eigen bevolking en economie. Om die eigen overheidsmiddelen te vergroten, is een betere belastingheffing en –inning nodig, maar moet er internationaal ook volop ingezet worden op het terugdringen van belastingontduiking en –ontwijking, en moet er beslist opgetreden worden tegen witwaspraktijken en alle illegale kapitaalstromen uit de ontwikkelingslanden.

Het is de economie –en dus de bedrijven, stupid

Er is in het conferentiedocument erg weinig aandacht voor de (financiële) bijdrage van klassieke ngo’s, terwijl men wel ruimte maakt voor nieuwe “filantropische” donoren, zoals het Global Fund to combat Aids, Malaria and Tubercolosis.

Het conferentiedocument gaat er zonder al te veel vragen van uit dat economische groei ook inclusief zal zijn

Tegenover de quasi afwezigheid van solidariteitsinitiatieven van burgers, staat de ruime aandacht die het document heeft voor de rol van de privésector voor ontwikkeling en voor de financiering van ontwikkeling. Op de eerste plaats is er natuurlijk het belang van de privé voor investeringen en economische groei. Het document gaat er zonder al te veel vragen van uit dat die economische groei ook inclusief zal zijn en het welzijn van de meerderheid van de bevolking zal dienen.

Er is sprake van betere regulering om ervoor te zorgen dat de voordelen die bedrijven krijgen beter afgestemd worden op de publieke doelstellingen, maar dat is enkel “waar het gepast is”. Die kwalificatie maakt duidelijk dat er vanuit dit internationale forum geen druk zal uitgaan naar de bedrijfswereld om niet alleen naar de eigenaars of aandeelhouders te kijken als er zakelijke keuzes gemaakt worden.

In dezelfde lijn is er uitgebreide aandacht voor internationale handel als motor voor ‘economische groei en armoedebestrijding, en voor het versterken van duurzame ontwikkeling’.

In dit hoofdstuk roepen de landen van de VN op om alle vormen van protectionisme te bestrijden en handelsbelemmeringen te verwijderen. De groei van die wereldhandel moet gebeuren op een manier die ‘in overeenstemming is met de SDGs’, stelt de tekst. Hoe dat kan, en wat daarbij de grenzen zijn die aan groei en handel opgelegd moeten worden, daarover blijft de tekst volkomen stil.

In het kader van de mondiale discussies over nieuwe vrijhandelsverdragen zoals TTIP (EU-VS), TTP (VS-Aziatische landen) en TISA (binnen de WTO) staat er in paragraaf 91: ‘Wij streven ernaar handels- en investeringsakkoorden te ontwerpen met de nodige veiligheden, zodat ze geen beperking inhouden van binnenlands beleid en regulering in het openbaar belang.’ Deze zin kan zeker gelezen worden als een schot voor de boeg van de beruchte ISDS-clausules in vrijhandelsverdragen, waarbij bedrijven staten kunnen dagvaarden voor een panel van privérechters als ze vrezen dat hun toekomstige winsten bedreigd worden door nationale wetten.

De verantwoordelijkheid van schuldeisers

Schuldeisers en schuldenlanden moeten samenwerken om onhoudbare schuldensituaties te voorkomen en op te lossen

Een andere interessante zin in het licht van de Griekse schuldencrisis staat in paragraaf 97, in het hoofdstuk over de schuldenlast van staten. ‘Schuldeisers en schuldenlanden moeten samenwerken om onhoudbare schuldensituaties te voorkomen en op te lossen. Het is de verantwoordelijkheid van schuldenlanden om hun houdbare schuldenniveaus te bereiken, maar ook wie geld verschaft, heeft de verantwoordelijkheid dat te doen op zo een manier dat het de houdbaarheid van het schuldenniveau in het lenende land niet ondergraaft.’

In dit hoofdstuk wordt in bedekte termen ook verwezen naar aasgierfondsen (‘niet-medewerkende houders van schuldpapieren die dwarsliggen als de meerderheid van de schuldeisers akkoord gaat met een schuldherschikking’) en naar ‘bepaalde landen die wettelijke initiatieven genomen hebben om deze activiteiten te voorkomen’. België behoort sinds mei tot die landen en zal daar ook mee uitpakken in Addis Abeba.

Ongelijkheid is afwezig

Opvallend afwezig in de ontwerptekst van Addis Abeba: het bestrijden van ongelijkheid. Er is wél aandacht voor armoedebestrijding en voor het belang van gelijkberechting van vrouwen, voor de rechten van inheemse gemeenschappen en voor tecnologische vernieuwingen.

Economische groei wordt gezien als een conditio sine qua non voor meer sociale en ecologisch duurzame ontwikkeling.

Maar dus niet voor het thema dat velen de voorbije jaren beschouwden als dé belangrijkste innovatie in het internationale ontwikkelingsdenken, namelijk het belang van het verminderen van nationale ongelijkheid. Uit heel veel onderzoek, onder andere van de OESO, blijkt immers dat grote of groeiende ongelijkheid nefast is voor zowel het welzijn van wie zich onderaan de ladder bevindt als voor de economsche groei zelf. Dat laatste wordt in het document wel gezien als een conditio sine qua non voor meer sociale en ecologisch duurzame ontwikkeling.

De enige plaats waar het woord ongelijkheid in de huidige tekst voorkomt, is in paragraaf 79: ‘Met het gepaste ondersteunende beleid, infrastructuur en geschoolde werkers, kan handel ook bijdragen tot productieve tewerkstelling en waardig werk, empowerment van vrouwen en voedselzekerheid, en tot het verminderen van ongelijkheid en het realiseren van de SDGs.’

Dit soort zinnen is het resultaat van maandenlange onderhandelingen en diplomatieke compromissen. Wellicht is iemand er in geslaagd om ter hoogte van deze paragraaf het woord ongelijkheid binnen te smokkelen, omdat het de verdedigers van de belangen van de bedrijfswereld ook goed uitkwam.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur