‘Elk kind heeft het recht om kind te zijn, ongeacht zijn verblijfplaats of gezinssituatie’

Het recht om te spelen: niet voor vluchtelingenkinderen?

© Siska van Daele

‘Spelen is van fundamenteel belang voor het kind. Bovendien helpt een nuttige vrijetijdsinvulling om beter te integreren in de samenleving.’

Waar kan je als kind spelen als je in een groot opvangcentrum leeft? Onderzoekers van de Karel de Grote-hogeschool onderzochten het belang van vrijetijdsbeleving voor kinderen op de vlucht. Vrije tijd is een basisrecht, maar in de praktijk is dat niet voor ieder kind verzekerd. ‘Spelen is van fundamenteel belang voor het kind. Bovendien helpt een nuttige vrijetijdsinvulling om beter te integreren in de samenleving.’

Vrijetijdsbeleving voor kinderen op de vlucht van groot belang, stellen onderzoekers An Piessens en Siska van Daele. Twee jaar lang onderzochten ze hoe kinderen op de vlucht hun vrije tijd beleven.

Vrije tijd is een basisrecht voor elk kind, maar dat blijkt in de praktijk geen evidentie te zijn. Daarom pleiten de onderzoekers onder meer om een ambassadeur aan te stellen, die de stem van deze kinderen kan laten horen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Opgroeien in onzekerheid

De lange en onduidelijke asielprocedure heeft een effect op het leven van de kinderen. Er is de grote onzekerheid of de kinderen en hun familie al dan niet een positief antwoord zullen krijgen, maar ook worden ze vaak meermaals overgeplaatst tijdens de behandeling van hun dossier.

Een meisje vertelde Piessens en van Daele dat ze in drie maanden tijd op vijf verschillende plekken woonde. In dat geval moeten kinderen steeds opnieuw een sociaal vertrouwensnetwerk opbouwen in een nieuwe gemeente, met andere vrijetijdsmogelijkheden en een nieuwe school.

Maar, zo wijzen de onderzoekers erop, kinderen hebben in hun ontwikkelingsfase meer dan ooit continuïteit nodig. Ze pleiten daarom voor een reorganisatie van het onthaalonderwijs en het opvangmodel. Dat kinderen tijdens hun verblijf in België, en in afwachting van een beslissing over hun verblijfsstatuut telkens van school moeten veranderen, moet vermeden worden.

‘Er is vijf keer meer opvang nodig voor dezelfde instroom, en die is er niet.’

‘De opvangperiode duurt inderdaad te lang’, zegt Johan Vangenechten van vzw Minor Ndako, een organisatie die instaat voor de opvang en begeleiding van niet-begeleide minderjarigen. ‘Vroeger duurde de asielprocedure gemiddeld zes maand, nu kan die al oplopen tot 2,5 jaar. Er is vijf keer meer opvang nodig voor dezelfde instroom, en die is er niet.’

‘Collectieve opvang is geen pretje. Er is weinig privacy en beperkte individuele ondersteuning. Voor een beperkte periode is het een noodzakelijk kwaad,’ gaat Vangenechten verder, ‘maar die verblijfsprocedure duurt te lang. We doen het op zich niet slecht in vergelijking met andere landen, maar zo lang in dergelijke situatie zitten blijft onmenselijk’.

Toch wil Vangenechten niet zomaar klagen over de grote asielcentra. ‘Niet op het moment dat we dringend meer plaats nodig hebben.’ Voor een tiental niet-begeleide minderjarige vluchtelingen was er eerder deze maand zelfs geen opvangplek, toen ze in een lange rij wachtten aan het Klein Kasteeltje in Brussel. Als er nood is aan opvang, worden spellokalen als eerste opgeofferd. Die ruimtes lenen zich het makkelijkst tot een slaapplaats.

Slapen en spelen in een oud ziekenhuis

Geen enkel asielcentrum is uitgedacht om kindvriendelijk te zijn. ‘In een oude kazerne of een oud klooster is de basisaccommodatie niet bedoeld voor spelende kinderen. Ze leven samen met hun gezin in een kamer en delen drukke leef-en speelruimtes met andere kinderen en volwassenen. Er zijn dus weinig private en stille ruimtes om tot rust te komen’, zo klinkt het in het onderzoek.

Geen enkel asielcentrum is uitgedacht om kindvriendelijk te zijn.

De traphal blijkt een favoriete speelplek te zijn in opvangcentra, zeggen de onderzoekers. En de weinige ruimtes die waren ingericht als vrijetijdsruimtes zijn ondertussen vaak ingericht als testcentra. Ook de toegang tot computers, sporttoestellen of muziekinstrumenten is soms beperkt.

Bepaalde ruimtes zijn enkel bedoeld voor een bepaalde doelgroep, omdat de bewoners uiteenlopende noden hebben. Zo is er een moederlokaal in een van de opvangcentra waar een piano staat. Kinderen willen spelen op die piano, maar de ruimte is alleen toegankelijk voor vrouwen, voor moeders en voor jongere kinderen. De oudere meisjes kunnen daardoor soms piano spelen, de oudere jongens niet. ‘Die plekken zijn er onder meer om sociale veiligheid te creëren’, aldus Piessens en van Daele. De kinderen snappen die regels niet altijd.

Leven in groep vormt een elementair onderdeel van het leven in een opvangcentrum, dus komen ook conflicten voor. ‘Vaak leven verschillende culturen en religies naast elkaar, maar ook tussen mensen met eenzelfde cultuur komen conflicten voor’, zegt Melanie Zonderman van het Platform Kinderen op de Vlucht. ‘Soms voelen ouders dat anderen zich bemoeien met hun manier van opvoeden. Ze voelen zich in hun ouderrol beperkt over beslissingen over hun kinderen.’

Toch is er een duidelijk verschil merkbaar tussen grote opvangcentra met een gemengd publiek en kleinschalige centra die vooral gezinnen en minderjarigen opvangen, zegt Zonderman. Kleinere centra zijn meestal menselijker, overzichtelijker, en er is minder risico op negatieve groepsdynamieken. ‘Er zijn te weinig middelen om in een aangepaste opvang in grote centra te voorzien. Maar kinderen, ongeacht hun statuut, hebben recht op een opvang die overeenkomt met hun hoger belang als kind.’

Katja Fournier, researcher bij het Kenniscentrum Gezinswetenschappen van de Odisee hogeschool, nuanceert dat beleid. ‘In tijden van crisis ga je voor maximale plaatsen met zo min mogelijk onderhandeltijd. In principe zou een kleinschaliger centrum met meer begeleiders dichter staan bij een ideaal. Maar in de huidige situatie is dat onmogelijk.’

Piessens en van Daele zagen evenwel een enorme veerkracht bij de kinderen in de manier waarop ze omgaan met hun situatie. Het viel hen ook op dat de kinderen een groot samenhorigheidsgevoel hebben ten opzichte van elkaar, als groep. Grote kinderen zorgen voor kleine kinderen, kinderen leren elkaar onderling Nederlands en schakelen andere kinderen in om te bemiddelen bij een conflict.

Recht op vrije tijd

‘Er is een perceptieprobleem van het nut van vrije tijd’, bemerkt Fournier. ‘Spelen is van fundamenteel belang voor de kinderen zowel op cognitief, sociaal als emotioneel vlak. Getraumatiseerde kinderen moeten tot rust kunnen komen en hun gedachten op nul zetten. Vrije tijd helpt kinderen beter integreren in de samenleving, omdat ze kinderen tegenkomen die anders zijn dan zichzelf. Het neemt de druk ook weg van de ouders, die vaak overbelast zijn qua verantwoordelijkheden, trauma’s verwerken en door een gebrek aan intimiteit tussen elkaar.’

Maar vaak is er niet genoeg spelmateriaal voorhanden in de centra, of is dit maar op bepaalde momenten beschikbaar. ‘Van alle basisnoden komt vrije tijd later. Pas als je brood hebt, komt vrije tijd,’ voegt de researcher toe. ‘Kinderen die zich vervelen worden vervelende kinderen, en dat heeft een impact op de groepsdynamiek.’

‘Van alle basisnoden komt vrije tijd later. Pas als je brood hebt, komt vrije tijd.’

Ook de organisatie van formele vrije tijd binnen de centra is dubbel. Enerzijds waarderen de kinderen de georganiseerde vrijetijdsactiviteiten en zien ze de begeleiders als ankerfiguren. Anderzijds vragen ze een grotere variatie aan mogelijkheden, verlangen ze naar activiteiten in kleinere groepen en betreuren ze het feit dat de begeleiders enkel op woensdagen langskomen. Het bevestigt de nood aan maatwerk een vraaggestuurd aanbod, iets wat UNICEF en de Kinderrechtencoalitie al onderlijnden.

Er zijn eveneens drempels voor kinderen op de vlucht wat betreft jeugdactiviteiten buiten de opvangcentra. ‘Terwijl toegang tot onderwijs helder gestructureerd is, is de formele vrije tijd eerder georganiseerd als een “markt”, aldus de onderzoekers. ‘Daarin vallen kinderen uit opvangcentra vaker uit de boot.’

Het aanbod is afhankelijk van de goodwill van individuele organisaties en mensen, en sluit niet altijd aan bij de interesses van de kinderen. Silke Cuypers werkt voor jeugdvereniging Tumult vzw, dat activiteiten voor vluchtelingenkinderen organiseert. ‘Wij geloven in de meerwaarde van kinderen even weg te halen uit het centrum, en hen in contact te laten komen met andere jongeren. Elk kind heeft het recht om kind te zijn, ongeacht hun verblijfplaats of gezinssituatie.’

Binnen gezinnen krijgt de asielprocedure vaak voorrang en voor hen is ook het inschrijvingsgeld een probleem. Een volwassene in een opvangcentrum krijgt ongeveer 8 euro per week, waardoor een activiteit voor een kind – zelfs met kortingstarief – geen evidentie is. Kinderen die al veel verloren hebben, krijgen nog steeds mindere kansen om zich te ontwikkelen.

De weg vooruit

Aandacht voor de leefwereld en vrijetijdsbeleving van kinderen op de vlucht kan drempels aan het licht brengen die vanzelfsprekend zijn voor anderen, besluiten Piessens en van Daele. Scholen gaan bijvoorbeeld vaak uit van een gezin als eenheid, maar dit strookt zelden met de realiteit van kinderen in een opvangcentrum.

‘Er hangt veel af van de hulpverleners, maar die zijn vaak overwerkt.’

De begeleiders van kinderen in asielcentra proberen met weinig middelen maar veel enthousiasme het beste te maken van de situatie. Ze dienen als vertrouwenspersonen, en helpen kinderen even ontsnappen aan hun situatie. ‘Er hangt dus veel af van de hulpverleners, maar die zijn vaak overwerkt door een hoge werkdruk en vallen uit, waardoor er geen prioriteit kan gegeven worden aan vrije tijd’, betreurt Cuypers.

‘In dat opzicht is er een zekere parallel tussen het kind op de vlucht en de opvangbegeleiding’, voegt Katja Fournier toe. ‘Er is een bepaald gebrek aan erkenning van hun capaciteiten. Ook de onzekerheid rond het openen en sluiten van centra werkt bij beide groepen demotiverend. Men kan zich de vraag stellen in hoeverre hun maatschappelijke vragen naar waarde worden geschat.’

Professionals moeten er niet alleen voor staan, stellen de onderzoekers. Ze pleiten voor meer samenwerking tussen organisaties uit verschillende sectoren, maar ook het lokale bestuur, om meer aansluiting te vinden met de buurt rond de centra. Op die manier kunnen drempels verkleind worden voor de kinderen.

Begeleiders nemen nu de rol van belangenbehartiger voor de kinderen vaak informeel op, vanuit een persoonlijk engagement. Ze doen dit om de noden van het kind te benoemen, om bijvoorbeeld het grote verschil tussen vraag en aanbod van spelactiviteiten te onderlijnen. De rol van een kinderambassadeur zou daarom best formeel gemaakt worden, vinden de onderzoekers.

De meeste oplossingen vragen investeringen op een structureel niveau, maar er zijn ondertussen kleine verbeteringen mogelijk. ‘Infrastructureel kunnen er quick wins gemaakt worden op vlak van zichtbaarheid, controle op de gangen, en een veiligheidsbeleid voor de kinderen’, stelt Fournier. ‘Ook kan er meer aandacht gaan naar de renovatie van ruimtes die kindvriendelijk, ontspannend en privé zijn.’

Maar op langere termijn is er nood aan een beter toewijzingsbeleid, zegt ze. ‘Waarin centra aangepast zijn aan specifieke doelgroepen, en er duidelijke normen zijn qua begeleiding. Interne referentiepersonen zorgen voor erkenning en een gevoel van vertrouwen voor de kinderen. Dat is van essentieel belang.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift