‘EU noodfonds voor Afrika symboliseert de erosie van de ontwikkelingsprincipes’

Onderzoek door het Centre for EU Studies (CEUS) toont aan dat niet alleen NGO’s bezorgd zijn over de Europese “repressieve aanpak” van migratie in de Sahelregio. Ook Europese diplomaten en ontwikkelingswerkers op het terrein hekelen het nieuwe “EU Emergency Trust Fund for Africa”.

United States Afcica Command  (CC0)

 

Het rapport van 11.11.11. (DS 30/6/2017) uit scherpe kritiek op de Europese “repressieve aanpak” van migratie in de Sahelregio. Ons recent onderzoek naar Europese coördinatie in Niger toont aan dat niet alleen NGO’s bezorgd zijn: ook Europese diplomaten en ontwikkelingswerkers op het terrein hekelen het nieuwe “EU Emergency Trust Fund for Africa”.

Het “migratiefonds” dreigt de centrale principes over ontwikkelingssamenwerking, overeengekomen in Parijs in 2005 en sindsdien vaak herbevestigd door de internationale gemeenschap, te ondermijnen. Het staat symbool voor een perverse tendens die eigenbelang opnieuw voorop stelt in ontwikkelingshulp. Deze trend zien we dus niet alleen bij nieuwe donoren zoals China, maar steeds vaker bij de Europese Unie en haar lidstaten, nochtans de architecten en grootste pleitbezorgers van de Verklaring van Parijs.

Cijfers over kinder- en moedersterfte, alfabetiseringsgraad en toegang tot voedsel in Niger zijn dramatisch.

Niger bengelt helemaal onderaan de Human Development Index. Ondanks haar relatieve politieke stabiliteit en veiligheid in vergelijking met de buurlanden, zijn de problemen waarmee de Nigerese bevolking kampt niet te overzien. Cijfers over kinder- en moedersterfte, alfabetiseringsgraad en toegang tot voedsel zijn dramatisch. Wie rapporten hierover leest kan alleen maar moedeloos worden. Ondanks deze trieste context en de schaarste van hulpmiddelen, proberen tal van ontwikkelingswerkers op het terrein al jarenlang om de situatie aan te pakken.

Hun belangrijkste houvast hierbij zijn de ontwikkelingsprincipes die de westerse landen onderschrijven sinds de Verklaring van Parijs in 2005. Daarin staat de effectiviteit en de kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking centraal, moeten ontwikkelingslanden aan het roer staan van ontwikkelingsprogramma’s (ownership), moeten donoren hun doelstellingen daarop afstemmen (alignment) en meer en beter samenwerken (coördinatie). Ruim een decennium na Parijs, en ondanks kritieken en problemen met implementatie, blijven dit fundamentele doelstellingen. Bijvoorbeeld, “ownership” staat prominent in de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen én in de nieuwe Europese Consensus over Ontwikkeling (2017).

Met vallen en opstaan proberen ontwikkelingswerkers deze in Niger reeds jaren in de praktijk te brengen. Begin dit jaar richtten Luxemburg, Denemarken en Zwitserland, bijgestaan door Duitsland en Frankrijk, en in nauwe samenwerking met de overheid, een programma op voor voedselveiligheid dat lokale landbouwers ondersteunt. Er is ook een gezondheidsfonds met bijdragen van Frankrijk, Spanje, de Wereldbank en UNICEF, dat het ministerie van gezondheid assisteert en dat ook gesteund wordt door België. Ondanks de lastige context en moeizame vooruitgang, geven de principes van Parijs een nuttige leidraad voor een ontwikkelingsbeleid dat hoop biedt op verbetering in fragiele situaties.

Na decennia van onderfinanciering is er plots geld, veel geld, maar met “strings attached”.

En dan komen er plots miljarden euro’s van het “Trust Fund” in Brussel. Na decennia van onderfinanciering is er plots geld, veel geld, maar met “strings attached”. In volle migratiecrisis beslisten de Europese staatshoofden en regeringsleiders op de Top van Valletta (november 2015) dat er meer middelen moeten gaan naar de aanpak van migratiestromen uit Afrika. In sneltempo werd een fonds opgericht met bijdragen van de EU en diverse lidstaten. Met een bijdrage van 10 miljoen euro is België één van de topfinanciers.

In theorie wil het Fonds de grondoorzaken van migratie aanpakken. In de praktijk dreigt het de centrale principes van Parijs te ondergraven, en dit op drie manieren.

Eén: ontwikkeling is niet langer de belangrijkste doelstelling. Prioriteiten worden omgebogen naar migratiebeperking op korte termijn, niet naar lange termijn ontwikkeling. Organisaties die van het Fonds willen genieten, moeten de korte termijn impact aantonen. Dit terwijl onderzoek aantoont dat enkel een langetermijnaanpak kan werken.

Twee: de nationale overheden worden nauwelijks betrokken. Alle beloftes van “ownership” ten spijt, moet de Nigerese regering vooral vaststellen wat het operationele comité in Brussel beslist. Wel kunnen ze rekenen op steun voor grensbewaking en het veiligheidsapparaat, wat het staatsapparaat versterkt maar niet in functie van ontwikkeling. Dit doet de twijfel rijzen over de afstemming van deze projecten op de nationale ontwikkelingsnoden- en prioriteiten (alignment).

Het systeem stimuleert competitie en bemoeilijkt Europese samenwerking.

Drie: het systeem stimuleert competitie en bemoeilijkt Europese samenwerking. Idealiter zouden extra budgetten donoren aanmoedigen om hun beleid op elkaar af te stemmen. Onderzoek toont aan dat coördinatie de beste garanties biedt op effectief en duurzaam ontwikkelingsbeleid. Nu zien we het omgekeerde: Europese donoren stellen elk hun eigen projecten voor en concurreren tegen elkaar om zoveel mogelijk budgetten binnen te halen.

Sommigen slagen erin om onder het mom van migratiebeperkingen hun lopende projecten te laten financieren van de ‘migration gold’. Maar de meeste ontwikkelingswerkers zien gefrustreerd toe hoe de programma’s waarin ze jarenlang investeerden niet langer prioritair zijn en zelfs verstoord dreigen te worden. Voor hen is het onduidelijk op basis waarvan Brussel beslissingen neemt en hoe de goedgekeurde projecten op elkaar afgestemd moeten worden. Het Fonds is dan ook een gemiste kans voor Europese samenwerking op het terrein.

De Verklaring van Parijs was geen heilige graal, wel een agenda voor effectieve ontwikkelings-samenwerking.

Zo blijft Parijs gewoon de hoofdstad van Frankrijk – niet het symbool van goedbedoelde ontwikkelingsdoelstellingen. De Verklaring van Parijs was geen heilige graal, maar wel een nuttige en wetenschappelijk onderbouwde agenda voor effectieve ontwikkelingssamenwerking. Het ‘Trust Fund’ in Niger – dat ironisch genoeg weinig “vertrouwen” geniet bij Europese diplomaten en ontwikkelingswerkers op het terrein – symboliseert de erosie van de ontwikkelingsprincipes.

Het katapulteert ons terug in de tijd waar ontwikkelingsgeld ons eigenbelang moest dienen, ontwikkelingsstrategieën van Afrikaanse overheden dicteerde, en leidde tot intense competitie en fragmentatie tussen donoren op het terrein. Het Fonds illustreert hoe Europa wel degelijk snel en krachtig kan optreden in haar buitenlands beleid, maar jammer genoeg ten koste van haar eigen principes.

Jan Orbie, Sarah Delputte en Joren Verschaeve werken voor het “Centre for EU Studies” (CEUS)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3098   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift