‘In dit tempo duurt het 150 jaar om de natuur in Afrika in kaart te brengen’

IPS / The Conversation / Søren Faurby en Harith Omar Morgadinho Farooq

Opinie

Biodiversiteit in Afrika: ‘Je kunt niet beschermen wat je niet kent’

‘In dit tempo duurt het 150 jaar om de natuur in Afrika in kaart te brengen’

02 februari 2023
‘In dit tempo duurt het 150 jaar om de natuur in Afrika in kaart te brengen’
‘In dit tempo duurt het 150 jaar om de natuur in Afrika in kaart te brengen’

In het huidige tempo zal het 150 jaar duren om de biodiversiteit in Afrika in kaart te brengen, schrijven zoölogen Søren Faurby en Harith Omar Morgadinho Farooq. Dat moet sneller, want ‘je kunt niet beschermen wat je niet kent.’

‘Als wetenschappers niet snel naar onontgonnen gebieden trekken, blijven duizenden dier- en plantensoorten onbeschreven.’

Pixabay

Aan het huidige tempo zal het 150 jaar duren om de biodiversiteit in Afrika in kaart te brengen, schrijven zoölogen Søren Faurby en Harith Omar Morgadinho Farooq. Dat moet sneller, want ‘je kunt niet beschermen wat je niet kent.’

Het Afrikaanse continent barst van de biodiversiteit. Dankzij uiteenlopende vegetatiezones, van mangroves tot woestijnen en van mediterrane begroeiing tot tropische wouden, telt het bijna een kwart van alle dier- en plantensoorten in de wereld.

Maar biodiversiteit is niet alleen mooi: het is essentieel voor ons overleven. De natuur biedt immers cruciale ecosysteemdiensten voor de mens: voedsel, kledij, drinkbaar water en zelfs de lucht die we inademen. Het verlies van wat een onbelangrijke diertje lijkt, zoals een bijensoort, kan tot het uitsterven bepaalde plantensoorten leiden. En dat kan dan weer de mens of andere soorten treffen.

Kennis

Experten schatten dat alle landen ter wereld de biodiversiteit op 30 procent van hun grondgebied moeten beschermen tegen 2030 om de teloorgang van de biodiversiteit te stoppen.

Wij stellen in ons onderzoek vast dat enorme regio’s in Afrika nog niet eens bestudeerd zijn en dat we dus niet weten welke soorten er leven.

Maar wij stellen in ons onderzoek vast dat enorme regio’s in Afrika nog niet eens bestudeerd zijn en dat we dus niet weten welke soorten er leven.

Dat komt omdat wetenschappers blijven terugkeren naar gebieden waar de biodiversiteit al in kaart is gebracht, eerder dan nieuwe, ongekende gebieden te bezoeken.

We tonen aan dat het aan het huidige tempo 150 jaar zal duren om elk gebied in Afrika van 100 op 100 kilometer, één keer te kunnen bezoeken. En één bezoek is lang niet genoeg: om de helft van alle soorten in een gebied te documenteren, zijn tot 27 trips nodig.

Als wetenschappers dus niet snel naar onontgonnen gebieden trekken, blijven duizenden dier- en plantensoorten onbeschreven. En die gegevens zijn net cruciaal om te weten waar soorten leven en hoe ze best beschermd worden. We kunnen niet beschermen wat we niet kennen.

De data

Onze schattingen gaan enkel uit van vogels, zoogdieren en amfibieën - drie goed bestudeerde groepen. De kenniskloof is waarschijnlijk nog veel groter bij planten, schimmels en insecten, die vaak minder aandacht krijgen.

Wij wilden op basis van de data een visuele kaart maken van de gebieden die nog niet of onvoldoende onderzocht zijn. Als wetenschappers de natuur intrekken, dan verzamelen ze specimen die eindigen in collecties van musea en dus in hun databases opduiken. Al die databases zijn verzameld in de Global Biodiversity Information Facility, en die hebben wij als startpunt gebruikt.

Om het aantal expedities in elke regio van 100 bij 100 kilometer te bepalen, telden we het aantal jaren waarin er minstens één amfibie, vogel of zoogdier gemeld was in dat bepaalde gebied.

Daaruit blijkt dan de huidige praktijk veruit tekortschiet om de Afrikaanse biodiversiteit adequaat te classificeren en in kaart te brengen. Dat kan leiden tot misleidende en zelfversterkende beschermingsmaatregelen: regio’s worden dan als belangrijk beschouwd omdat ze beter onderzocht zijn, eerder dan om hun werkelijke biodiversiteitswaarde.

Verandering

Er zijn manieren om daar wat aan te doen. Overheden, bedrijven en filantropen die onderzoek financieren, zouden actief projecten moeten promoten in gebieden waar basisgegevens over biodiversiteit ontbreken.

Onderzoek in Afrika wordt nog altijd grotendeels uitgevoerd door Europese en Noord-Amerikaanse instellingen.

Onderzoekers zouden intussen de reikwijdte van hun zoektocht moeten vergroten. Gezien de logistieke en juridische uitdagingen bij veldwerk in grote delen van Afrika, moeten ze zoveel mogelijk samenwerken met specialisten in verschillende instellingen en domeinen om op verantwoorde wijze het maximaal mogelijke aantal soorten te bemonsteren.

En er is een grote behoeft aan samenwerking over de grenzen heen. Onderzoek in Afrika wordt nog altijd grotendeels uitgevoerd door Europese en Noord-Amerikaanse instellingen. Zij moeten echt samenwerken met lokale universiteiten, en niet enkel lokale mensen als veldassistenten gebruiken.

En tot slot moet op regeringsniveau het vergunningsproces voor veldwerk transparanter worden en online beschikbaar zijn voor elk land op het continent, om onderzoek naar biodiversiteit aan te moedigen en te stroomlijnen.

Søren Faurby en Harith Omar Morgadinho Farooq zijn allebei zoöloog. Deze opinie is oorspronkelijk verschenen bij IPS-partner The Conversation.