Armoede en uitsluiting in tijden van polarisering en superdiversiteit

Meryem Kanmaz

22 januari 2020
Opinie

MO*lezing: 100 minuten tegen ongelijkheid

Armoede en uitsluiting in tijden van polarisering en superdiversiteit

Armoede en uitsluiting in tijden van polarisering en superdiversiteit
Armoede en uitsluiting in tijden van polarisering en superdiversiteit

Wat is de kleur van armoede? En moeten we daar rekening mee houden? Doctor in de politieke en sociale wetenschappen Meryem Kanmaz vindt van wel: ‘Armoede heeft de kleur van uitbuiting, discriminatie en racisme. We moeten een kat een kat noemen en deze mechanismen benoemen, omdat mensen er zelf onder lijden.’

Meryem Kanmaz

© Iratxe Alvarez

Meryem Kanmaz is doctor in de politieke en sociale wetenschappen en is projectmedewerkster armoede bij het Minderhedenforum. Beluister ook de MO* Q&A-podcast met Meryem Kanmaz.

In België moet zo’n 16,4 procent van de inwoners rondkomen met een inkomen onder de Europese armoedegrens; Bijna twee miljoen Belgen halen het einde van de maand met moeite, zelfs met een job. En één kind op zeven groeit op in kansarmoede.

Nog? 170.000 mensen moeten beroep doen op voedselbanken. Elke dag stijgt het aantal mensen dat moet overleven met een leefloon. Zo’n 154.000 mensen wachten al jaren op een sociale woning.

Slechts enkele cijfers en koppen over de ernst van armoede in ons land, die al jaren geregeld de media halen.

Lees ze nog eens opnieuw en probeer stil te staan bij elk van die cijfers. Probeer je er een voorstelling van te maken. De realiteit achter deze keiharde cijfers is nauwelijks te vatten voor een welvarend land als België. Ze zouden ons wakker moeten schudden en ─ alle hens aan dek ─ paraat moeten doen staan.

Welke strijd is legitiem en prioritair in het huidige klimaat van verrechtsing en afbouw van de sociale welvaartsstaat?

Waarom zou ik het dan hebben over zoiets ogenschijnlijk bijkomstigs als de kleur van armoede? Tast armoede niet iedereen op dezelfde manier aan? Waarom dan onze beperkte tijd besteden aan armoede bij een specifieke groep, bij mensen met een migratieachtergrond?

Is het niet de steeds groter wordende ongelijkheid die aangepakt moet worden? Moeten we het niet hebben over de economische structuur die aan de basis ligt van deze structurele ongelijkheid? Waarom dan uitweiden over cultuur in plaats van structuur, om het even te vertalen in termen van het actuele debat over waar we als progressieven vandaag prioritair op moeten inzetten.

Of nog anders verwoord: welke strijd is legitiem en prioritair in het huidige klimaat van verrechtsing en afbouw van de sociale welvaartsstaat? De strijd tegen ongelijkheid, of de strijd tegen racisme en discriminatie op basis van identiteit (taal, religie, cultuur, gemeenschap)?

Armoede heeft meerdere kleuren

Het kan zo lijken, maar het gaat hier niet om een louter theoretische of ideologische discussie. Dezelfde bekommernissen duiken elke dag op in het werkveld, bij hulp- en dienstverleners, bij vrijwilligers en activisten.

Zij vertonen een zekere schroom om de hoge armoedecijfers bij mensen met een migratieachtergrond (zowel nieuwkomers als gevestigde groepen) te benoemen. Net omdat ze met de huidige polarisering geen extra koren op de molen willen gooien van (extreem-)rechts. Dat zou daarmee extra munitie krijgen om zijn riedel, dat het geld van de ‘hardwerkende Vlaming’ naar ‘de ander’ gaat en niet naar het ‘eigen volk’, kracht bij te zetten.

En toch moeten we een kat een kat noemen. Net om de dynamieken die leiden tot de steeds groter wordende ongelijkheid en armoede vandaag te kunnen zien, (h)erkennen en benoemen, om ze vervolgens te kunnen bestrijden.

© Iratxe Alvarez

© Iratxe Alvarez

En dus, ja: armoede heeft wel degelijk een kleur. Of beter, meerdere kleuren.

Ten eerste die van ongelijkheid, omdat migranten en mensen met een migratieachtergrond (nog steeds) de onderste regionen van onze samenleving bevolken. En omdat er ondanks individuele sociale mobiliteit nog nauwelijks sprake is van werkelijke emancipatie van deze groepen. Er is met andere woorden een grote overlap tussen socio-economische positie en migratieachtergrond.

Daarnaast heeft armoede ook de kleur van discriminatie en uitsluiting, van racisme en islamofobie. Die veroorzaken extra achterstelling of kwetsbaarheid, bovenop de socio-economische achterstand.

Een van de huidige uitdagingen situeert zich in de hulp- en dienstverlening en overige maatschappelijke sectoren. Die moeten zich steeds meer verhouden tot een superdiverse realiteit, zowel in onze steden als gemeentes.

Diezelfde diversiteit keert ook terug in de armoedecijfers, in de werkloosheidsstatistieken, bij de afhakers op school of bij de beperkte doorstroom naar het hoger onderwijs. Of nog: op de arbeidsmarkt, in slecht betaalde jobs en onzekere statuten, maar ook in de achtergestelde wijken en buurten. In al deze domeinen is zeker sprake van sociale segregatie. maar omwille van de superdiverse realiteit ent zich daarbovenop een etnisch-culturele segregatie.

Sociale dimensie is afwezig in beleid

De vermenging van de twee dimensies, de sociale en de culturele, zien we ook terugkomen in de onduidelijkheid van beleidsdomeinen waartoe deze mensen in armoede met een migratieachtergrond behoren.

Het vroegere integratiebeleid, waar alle migranten onder vielen (en dus ook die in armoede) had nog oog voor de sociale dimensie van hun positie, en benaderde hen ook vanuit hun sociaal-economische status. Maar die sociale dimensie is in het huidige inburgeringsbeleid afwezig.

In het nieuwe beleid werd het integratieluik afgebouwd ten voordele van een individueel onthaalbeleid, gefocust op taalverwerving en oriëntering in het land van aankomst. Hiermee liet het beleid niet enkel de sociale dimensie los, maar ook de focus op groepen en gemeenschappen die al langere tijd in België aanwezig zijn.

Ook in het brede sociaal beleid hebben deze mensen in armoede geen plaats, omdat afkomst niet meer expliciet genoemd mag worden. Het doelgroepdenken werd taboe verklaard, in ruil voor de neoliberale mantra van een individuele aanpak enerzijds en de inruiling van categoriaal beleid voor inclusie anderzijds.

Het gelijkekansenbeleid ten slotte kiest er dan weer voor om op andere groepen in te zetten. Het legt de focus op gender, seksuele diversiteit, handicap en toegankelijkheid. Mensen met een migratieachtergrond in armoede moeten ook daar het onderspit delven. Ze glippen als het ware overal door de spreekwoordelijke mazen van het wettelijke net.

De armoedestatistieken zijn nog de enige plek waar we deze mensen, die dus de facto niet meer gemonitord worden, zien opduiken. Bijzonder pijnlijk is dat, wetende dat er in de huidige armoedebeleidsplannen geen plaats is voor de ‘kleur’ van armoede.

Collectief schulddenken

Het is belangrijk om deze twee mechanismen van achterstelling te benoemen en mee te nemen in beleid en acties, omdat de mensen in armoede met een migratieachtergrond er zelf onder lijden.

Elke persoon in armoede wordt ongeacht zijn of haar afkomst geconfronteerd met het alom aanwezige schulddenken, waarbij het individu gezien wordt als verantwoordelijk voor zijn situatie van armoede. De redenering is dat je jezelf in nesten hebt gewerkt omwille van onvoldoende inzet en doorzettingsvermogen of persoonlijk falen.

Uitsluiting op basis van klasse én identiteit vormen twee zijden van dezelfde medaille en moeten onvermijdelijk samen aangepakt worden.

Bij mensen met een migratieachtergrond zien we daarnaast nog een extra culpabilisering. Hun groep, gemeenschap, cultuur of religie wordt met de vinger gewezen, alsof die zou bijdragen tot of de oorzaak vormen van hun hun achterstand en armoede.

Een klassiek voorbeeld van dit collectief schulddenken is, zoals wel meer, de hoofddoek. De redenering gaat dan als volgt: deze vrouwen blijven in armoede door hun godsdienst, die het dragen van de hoofddoek oplegt. De islam vormt op die manier zogenaamd een rem op hun emancipatie én participatie aan de arbeidsmarkt, aldus de collectief-schulddenkers.

Last but not least: discriminatie op basis van afkomst, kleur of religie weegt meer door bij de mensen waar het over gaat dan de socio-economische achterstelling, zo blijkt uit een bevraging van het Minderhedenforum bij zelforganisaties van etnisch culturele minderheden. Deze mensen ervaren discriminatie als de grootste drempel om uit de armoede te raken, omdat die hen alle kansen ontneemt om stappen vooruit te zetten.

De fameuze uitspraak ‘It’s the economy, stupid’ volstaat niet meer. We moeten aandacht blijven hebben voor uitsluitingsmechanismen op basis van het land van herkomst, cultuur, godsdienst of welk element dan ook dat door het beleid of het dominante discours ingezet wordt om een groep uit te sluiten.

Uitsluiting op basis van klasse én identiteit vormen twee zijden van dezelfde medaille en moeten onvermijdelijk samen aangepakt worden.

Meryem Kanmaz gaf deze toespraak op 10 december 2019 op de MO*lezing ‘100 minuten tegen ongelijkheid’ in De Roma.