Bedrijven en mensenrechten: VN stellen teleur

Op 16 juni werden in Genève de VN-Principes of ‘Guiding Principles’ inzake Ondernemingen en Mensenrechten goedgekeurd door de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Deze Principes zijn het resultaat van een zes jaar lange speciale procedure van de Verenigde Naties, ertoe gericht een gezaghebbende voortrekkersrol te spelen op vlak van mensenrechten en ondernemingen, uitgeoefend door Harvard professor John Ruggie.

  • Marrisa Orton Een sweatshop van het Koreaanse Kuk-Dong in Mexico Marrisa Orton

Hierbij heeft Prof. Ruggie zowel trachten te antwoorden op het ‘wat’ (wat moeten zowel staten als ondernemingen doen om respect voor mensenrechten door ondernemingen te bewerkstelligen), als op het ‘hoe’ (hoe dient dit in de praktijk gerealiseerd te worden). De grote vraag is nu of deze ‘Principes’ wel degelijk het adequate instrument zijn om meer respect voor mensenrechten vanwege ondernemingen in de hand te werken, laat staan afdwingen.

Mensenrechten, ondernemingen: de problematiek

Sinds de jaren ’90 is de aandacht voor de interactie mensenrechten – ondernemingen gestaag toegenomen. Talrijke schrijnende voorbeelden gaande van erbarmelijke werkomstandigheden in de kledingindustrie (de zogenaamde sweatshops) tot de bedenkelijke activiteiten van bijvoorbeeld Shell in Nigeria of Total in Myanmar, hebben gezorgd voor een ware ‘boom’ aan diverse initiatieven om deze nefaste impact in te dijken, komende zowel van de staat, internationale organisaties, non-gouvernementele organisaties als van bedrijven zelf. Doch veel eensgezindheid over de aanpak van deze problematiek bestond (bestaat) er echter niet. Het hete hangijzer was immers de vraag of ondernemingen als niet-statelijke, bij uitstek economische wezens, rechtstreekse mensenrechtenverplichtingen kunnen (moeten) dragen.

‘Protect, Respect, Remedy’: een VN-beleidskader voor mensenrechten en ondernemingen

In 2005 werd Prof. Ruggie aangesteld als Speciale Vertegenwoordiger van de VN Secretaris-generaal inzake bedrijven en mensenrechten met tot doel het verduidelijken van de verantwoordelijkheden van respectievelijk staat en onderneming met betrekking tot mensenrechten. Na drie jaar onderzoek en extensieve consultaties met verscheidene betrokken partijen stelde Prof. Ruggie een conceptueel beleidskader voor aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Dit kader stoelt op drie complementaire, doch verschillen pijlers: (i) de verplichting van de staat om mensen te beschermen tegen schendingen van mensenrechten door derden, zoals bedrijven (protect); (ii) de verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren (respect); en (iii) de noodzaak om slachtoffers toegang te verschaffen tot adequate klachtenmechanismen (remedy). Dit kader werd unaniem aanvaard door de VN-Mensenrechtenraad in 2008, waarop het mandaat van Prof. Ruggie tot 2011 werd verlengd om er praktische invulling aan te geven. Dit is bij deze gebeurd, nu onlangs de ‘VN-Principes inzake Ondernemingen en Mensenrechten’ werden goedgekeurd.

Een toegevoegde waarde?

Kenmerkend aan het voorgestelde Kader en de overeenkomstige Principes, is de pragmatische aanpak en inhoud ervan. Uit zorg om verdeeldheid te overbruggen, en staten en vooral bedrijven niet tegen de haren in te strijken, is Prof. Ruggie zeer voorzichtig tewerk gegaan, wat zich heeft vertaald in een vrij behoudende en soms zelf conservatieve uitkomst. Dit vooral wat betreft de verplichtingen van staten in verband met mensenrechtenschendingen die buiten de landsgrenzen plaatsvinden en de eerder ‘zachte’ verantwoordelijkheid van ondernemingen mensenrechten te respecteren.

De staat heeft volgens Professor Ruggie de reeds gekende en aanvaarde verplichting individuen te beschermen tegen mensenrechtenschendingen door ondernemingen. Lees wel dat dit slechts een middelenverbintenis is, staten zijn dus niet per se verantwoordelijk voor mensenrechtenschendingen van private actoren, doch enkel indien ze niet alle redelijke maatregelen hebben getroffen om deze te voorkomen.

Rechtstreekse verantwoordelijkheid van bedrijven ten aanzien van mensenrechten en de verantwoordelijkheid van staten voor de acties van bedrijven buiten hun landsgrenzen zijn blijkbaar nog altijd taboe bij de Verenigde Naties.

Een bijzonder heikel punt is het gebrek aan uitwerking of stellingname inzake extraterritoriale verplichtingen van staten. Zo kan of wil de staat waarin de mensenrechtenschending plaatsvindt (host state) vaak niet optreden hiertegen. Hier ligt een belangrijke rol weggelegd voor de staat waarvan de onderneming die de mensenrechtenschending begaat, de nationaliteit draagt (home state). Ruggie blijft hier echter bijzonder ambigu over. België kan dus op beide oren slapen bij het leveren van wapens aan dictatoriale regimes die mogelijk worden ingezet tegen burgers die opkomen voor hun mensenrechten, aangezien de principes hier geen juridische gevolgen aan verbinden.

Ook op vlak van de verantwoordelijkheden van ondernemingen zijn het Kader en de Principes teleurstellend. Prof. Ruggie (en met hem nu de Mensenrechtenraad) claimt luid en duidelijk dat het Kader noch de Principes nieuwe internationaalrechtelijke plichten schept. Bedrijven kunnen zich dus, internationaalrechtelijk bekeken, nog altijd ongestraft schuldig maken aan zelfs de meest grove mensenrechtenschendingen. Het enige wat ze (op vrijwillige basis) moeten doen is ‘zich als een goed huisvader (lees: onderneming) gedragen’ om zodoende mensenrechten te respecteren. Zijn er sancties als ze dit niet doen en mensenrechten toch met de voeten treden? Onduidelijk en veelal afhankelijk van de publieke opinie. Bedrijven kunnen dus rustig verder lippendienst bewijzen aan de verantwoordelijkheid om mensenrechten op te nemen in hun beleid en acties. In het licht van deze vaststellingen kan Apple bijvoorbeeld (juridisch gezien) ongestoord iPad’s blijven maken die ontploffen in de handen van hun werknemers omdat ze die in levensgevaarlijke en mensonwaardige omstandigheden moeten maken in China.

Het einde van het begin of het begin van het einde?

De preambule van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelde in 1948 reeds dat de verwezenlijking van mensenrechten een taak is van elk individu én elk orgaan van de samenleving. Daar waar globalisering ertoe heeft geleid dat ondernemingen van de belangrijkste wereldspelers zijn geworden en een niet te miskennen invloed uitoefenen op het genot van mensenrechten, is het is dan ook primordiaal dat deze invloed hand in hand gaat met verantwoordelijkheid.

Professor Ruggie, en met hem de VN-Mensenrechtenraad, hebben er echter klaarblijkelijk voor gekozen om de lat voor staten en bedrijven niet hoger te leggen en geen nieuwe juridisch bindende verplichtingen of verwachtingen te scheppen. Er is dus weinig reden tot optimisme aangezien de principes erg conservatief zijn. Rechtstreekse verantwoordelijkheid van bedrijven ten aanzien van mensenrechten en de verantwoordelijkheid van staten voor de acties van bedrijven buiten hun landsgrenzen zijn blijkbaar nog altijd taboe bij de Verenigde Naties. De goedgekeurde principes zullen daardoor moeilijk of geen vat krijgen op de hedendaagse realiteit waarin bedrijven steeds meer impact hebben op mensenrechten en staten steeds meer in hun macht beperkt worden.

Wat Ruggie echter wel heeft verwezenlijkt, is de problematiek nog meer ruchtbaarheid te geven dan ze al had en het thema hoog op de politieke agenda te plaatsen. Ook heeft hij door het actief betrekken van de verschillende stakeholders en het hanteren van een transparente, pragmatische en inclusieve methodologie een relatieve consensus kunnen bereiken. Deze consensus is echter slechts de ‘kleinste gemene deler’ en de vraag is en blijft of dit voldoende is wanneer we het over mensenrechten hebben. Wij antwoorden daar alvast een overweldigend ‘nee’ op. Daar waar volgens Ruggie de Principes het einde van het begin zijn, hopen wij dat ze niet het begin van het einde betekenen.

Arne Vandenbogaerde is onderzoeker aan de onderzoeksgroep Recht en Ontwikkeling van de UA
Karen Van Laethem is aspirante bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en wetenschappelijk medewerkster bij het onderzoekscentrum ‘Fundamental Rights and Constitutionalism’ van de VUB

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift