Is de Europese Investeringsbank haar geld waard?

Development Financial Institutions (DFI’s) zagen hun rol de laatste jaren beduidend toenemen. Toch is het niet altijd duidelijk in welke mate ze bijdragen tot duurzame ontwikkeling in het Zuiden. Overheden moeten daarom hun activiteiten nauwgezet onder de loep nemen alvorens hun rol verder uit te breiden. Dit geldt in het bijzonder voor de Europese Investeringsbank (EIB) die verwacht wordt  een cruciale rol op te nemen in de toekomstige ontwikkelingsarchitectuur van de Europese Unie.

  • Desislava Stoyanova.

DFI’s zijn beter uitgerust om meer te doen aan een lagere prijs en om geld uit de privésector aan te trekken, wat ze tot een aantrekkelijk instrument maakt in tijden van budgettaire schaarste. In tegenstelling tot traditionele hulpagentschappen, is het de bedoeling van DFI’s om surplussen te boeken op hun leningen en investeringen.

Bovendien moet hun manier van werken ze beter in staat stellen om zich op de privésector te richten en toegang tot kapitaal mogelijk te maken in regio’s waar dit niet evident is. Ze doen dit door “financiële intermediairen” zoals commerciële banken of private equity fondsen te financieren. Die intermediairen lenen op hun beurt grote sommen geld van de DFI’s (eventueel in combinatie met middelen van institutionele of private investeerders) door in kleinere schijven aan de uiteindelijke begunstigden, vaak kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s).

DFI’s in zelfde bedje ziek?

De Belgische DFI, het Belgische Investeringsfonds voor Ontwikkelingslanden (BIO), gaat op dezelfde manier te werk. Sinds haar oprichting in 2001 zag BIO haar middelen gestaag toenemen. Net zoals andere DFI’s focust ze voornamelijk op de private sector en lopen haar investeringen vooral via financiële intermediairen. De financiële middelen die BIO krijgt toegewezen moeten niet in de begroting worden ingeschreven omdat verwacht wordt dat BIO deze automatisch zal terug verdienen.

Toch plaatse het rapport van 11.11.11, waarover MO* in haar nummer van maart berichtte, enkele serieuze vraagtekens bij BIO’s capaciteiten om duurzame ontwikkeling te promoten. BIO’s investeringen bleken via belastingparadijzen te passeren, transparantie bleek een probleem en BIO’s voornaamste zorg leek eerder winstmaximalisatie dan duurzame ontwikkeling.

Gezien de beduidende verschillen tussen de verschillende DFI’s is het raadzaam niet te snel te veralgemenen. Toch valt het op dat vele onder hen met dezelfde problemen kampen. In dit artikel zullen we ons concentreren op de Europese Investeringsbank (EIB) -een instelling die we sinds enkele jaren op de voet volgen. De EIB en BIO gaan op een gelijkaardige manier te werk. Net als BIO zag de EIB haar rol de voorbije jaren stijgen. In het toekomstige kader voor de Europese ontwikkelingshulp dat momenteel voorbereid wordt zal de bank een belangrijke rol opnemen.

De EIB –de zogenaamde EU bank- is van nature een investeringsbank maar heeft een mandaat gekregen om duurzame ontwikkeling promoten wanneer ze buiten de EU opereert. Maar het is die  ingebakken bankmentaliteit die haar investeringen bij veilige projecten met hogere winstperspectieven doet belanden in plaats van waar die investeringen het meeste kunnen bijdragen tot ontwikkeling.

Ontwikkeling scoort slecht

Een onderzoek door de ngo Eurodad bevestigt de beweringen dat investeringen niet gaan naar waar ze het meest nodig zijn. Slechts een vierde van de EIB leningen in ACS-landen gaat naar de minst ontwikkelde landen. Bovendien wordt 35% van de projecten beheerd door bedrijven uit OESO-landen, tegenover maar 25% door bedrijven die afkomstig zijn uit het land waar het project wordt uitgevoerd. Nog eens 25% van de bedrijven zijn gevestigd in belastingsparadijzen.

Ook op de andere principes rond de effectiviteit van hulp scoort de EIB slecht. Een maand geleden stemde het Europees parlement nog een resolutie over het jaarrapport van de bank waarin het expliciet zei dat ‘de rol van de EIB meer gefocust, selectief en gericht op resultaat’ moest zijn.

De EIB slaagt er evenmin in de prioriteiten van ontwikkelingslanden in acht te nemen. In Zambia bijvoorbeeld negeert de EIB de prioriteiten die gezamenlijk zijn opgesteld door de EU en Zambia in de country strategy paper (CSP). Meer dan 80% van de investeringen in laatste decennium gingen in Zambia naar de mijbouwsector. Dit terwijl de CSP concentreert op transport, infrastructuur en menselijke ontwikkeling. Mijnbouw staat niet eens vermeld.

De mijnbouwsector –bijna exclusief in handen van buitenlandse multinationals– ligt momenteel onder vuur in Zambia omwille van haar schadelijke impact op het milieu, lage arbeidsstandaarden en belastingontduiking. De investeringen van de EIB kregen ook sterke kritiek van verschillende europarlementairen. Meer dan 50 onder hen vroegen een moratorium op de publieke financiering van mijnbouwprojecten zolang adequate standaarden niet van kracht zijn.

Moeilijk te weerstaan

Ondanks EIB’s magere resultaten als het aankomt op ontwikkeling kunnen politici maar moeilijk weerstaan aan de lokroep om het mandaat van de EIB telkens weer uit te breiden. In de Arabische regio wordt hulp van de Europese Commissie verondersteld met een aantal voorwaarden te komen. Meer hervormingen betekent meer geld en omgekeerd. Deze voorwaardelijkheid geldt echter niet voor de huisbank van de Unie.

De EU reageerde op de Arabische lente door het mandaat van de EIB te verruimen, zonder daar enige doorlichting van haar voorbije activiteiten in de regio aan te koppelen. Er werd geen rekening gehouden met het gebrek aan legitimiteit van de bank die beschouwd wordt als bondgenoot van de afgezette regimes en niet geliefd was omdat ze mee het neoliberale beleid promootte onder Mubarak. Enkele maanden later opereert de EIB in Egypte opnieuw onder een militaire junta die haar bevolking even gewelddadig onderdrukt.

Tegenstrijdige signalen

Europarlementairen riepen in de resolutie over het bovengenoemde jaarrapport van de EIB niet alleen op om de transparantie en investeringen in groene energieprojecten te verhogen. Ze suggereerden ook een kapitaalsverhoging. Door betere prestaties, standaarden en een nauwere focus te eisen en tegelijkertijd suggereren dat de bank meer moet doen, geeft het parlement tegengestelde signalen. De bank kreeg al te vaak dit soort tegenstrijdige signalen die de incentive om het beter te doen ondermijnen.

Europa staat op het punt om deze fout opnieuw te maken. Op Europees niveau is momenteel een nieuw platform voor externe samenwerking en ontwikkeling in de maak. Haar doel is in principe de verbetering van de samenwerking en coördinatie tussen de verschillende instituties en instrumenten van de EU. Dit moet de proliferatie tegen gaan en de effectiviteit te verbeteren.

Alles beter op elkaar instemmen en het overzicht behouden, zou positief moeten zijn. Toch lijkt de focus vooral op het ontwikkelen van nieuwe financiële instrumenten te liggen die leningen, donaties, technische bijstand, privé investeringen, etc moeten combineren – de zogenaamde blending mechanisms. Vandaag beheert de EIB al heel wat van die mechanismen maar opnieuw werden de resultaten ervan nauwelijks onderzocht voor met de ontwikkeling van nieuwe instrumenten van start gegaan werd.

De hamvraag

Verblind door hoge winstmogelijkheden die niet wegen op de begroting, en relatief autonoom opererende instellingen die gemakkelijk te kwantificeren resultaten kunnen voorleggen, hebben overheden uit het Noorden de hamvraag uit het oog verloren: draagt dit ook bij tot duurzame ontwikkeling?

Zonder twijfel een moeilijke vraag, maar tot nog toe werd er onvoldoende moeite gedaan om deze vraag op een gefundeerde manier te beantwoorden. DFI’s worden afgerekend op zowel hun financiële als hun ontwikkelingspoot. Hun investeringen moeten focussen op de mensen en de plaatsen die er het meeste nood aan hebben. En dit in overeenstemming met de prioriteiten van de ontwikkelingslanden. Transparantie moet belangrijker zijn dan commerciële overwegingen en belastingparadijzen moeten uitgesloten worden.

Overheden hebben de plicht om hoge standaarden en tastbare kwalitatieve resultaten te eisen alvorens ze zich engageren voor nieuwe avonturen. Ze hebben de plicht om te bewijzen dat hun beleidskeuzes opportunistische en ideologische overwegingen overstijgen en dat ze op tastbare bewijzen gestoeld zijn. Meer voor meer is een legitieme eis, ook voor de EIB, anders moet minder voor minder de consequentie zijn.

Desislava Stoyanova is coördinator van Counter Balance en projectcoördinator EIB voor het CEE Bankwatch Network

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3091   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift