Haalt de 'tax shift' de vlam uit de pan?

De voorbije herfst was naar Belgische normen ‘heet’. In ons – normaal door consensus gekenmerkte – land liepen de sociaaleconomische tegenstellingen hoog op. Vooral de indexsprong en de pensioenmaatregelen liggen sommigen zwaar op de maag. Ondertussen is de regering op zoek naar een uitweg uit het sociaal conflict. Daarbij wordt nogal wat ‘gespind’ over een mogelijke tax shift. De modale werknemer zou minder belastingen betalen, terwijl ‘andere inkomensbronnen’ meer worden aangesproken. Wie kan daar nu tegen zijn? Hier enkele bedenkingen aan de hand van drie veel gehoorde motieven achter de tax shift. 

AgriLife Today (CC BY-NC-ND.0)

Een oproep aan de sociaal-progressieve beweging: verduidelijk wat je onder een tax shift verstaat, zo niet zullen anderen het voor u doen.

1. Meer sociale rechtvaardigheid

‘Eigenlijk circuleren er compleet verschillende voorstellen voor een tax shift.’

Bij een tax shift beoogt men een verschuiving van ‘lasten op arbeid’ naar inkomsten uit andere bronnen. Veelgehoorde alternatieven zijn consumptie, milieuvervuiling en kapitaal.

Een verschuiving naar consumptie (BTW) lijkt allerminst een sociaal rechtvaardige keuze. Een studie van Decoster, De Swert & Verbist (2006) simuleerde een verlaging van de persoonlijke sociale bijdrage met 25% gecompenseerd door een budgetneutrale verhoging van de BTW.

Aangezien de lagere inkomens een groter deel van hun inkomen consumeren, zijn de hoge inkomens de winnaars van een verschuiving naar BTW. Minder geweten is echter dat ook de uitkeringstrekkers en de gepensioneerden delen in de klappen. Zij betalen sowieso minder sociale bijdragen en zullen nauwelijks profiteren van een dergelijke belastingsverschuiving. Op zijn minst zouden de negatieve gevolgen voor de uitkeringstrekkers moeten worden gecompenseerd.

Een verschuiving naar milieuvervuiling is ook niet zo eenvoudig. De reden daarvoor is vrij fundamenteel: een goede milieutaks brengt eigenlijk niets op, aangezien we ervan uitgaan dat mensen hun gedrag uiteindelijk bijsturen. Op korte termijn genereert het extra inkomsten, maar die zullen normaal gezien vanzelf afnemen.

Een omvangrijke tax shift realiseren is dan ook niet eenvoudig. Daarenboven is het aannemelijk dat milieubelastingen selectief werken. Lagere inkomens reageren mogelijk anders op financiële prikkels of kunnen zich geen duurzaam alternatief permitteren. Milieubelastingen moeten dus intrinsiek rekening houden met die verdelingsissues.

De optie die overblijft is vermogen. Daar lijkt heel wat ruimte te zijn voor een sociaal rechtvaardige belasting. De studie van Kuypers en Marx (2014) wees immers uit dat een flink stuk van het Belgisch vermogen bij de rijkste 5% zit.

Nu, ook hier zijn de details cruciaal. Belasten we het vermogen of de aangroei van het vermogen (de zogenaamde ‘vermogenswinst’)? Moet dat een progressieve heffing zijn of kiezen we voor een vlaktaks? Is er een belastingvrije sokkel?

Het ogen kleinigheden, maar eigenlijk circuleren er compleet verschillende voorstellen (vermogenswinstbijdrage bij sp.a, vermogensrendementsheffing bij Groen, miljonairstaks bij PVDA, het voorstel tot vermogensbelasting van Paul De Grauwe etc.).

In een vorige Poliargusanalyse werd al beargumenteerd dat een progressieve vermogensbelasting waarschijnlijk het grootste herverdelend effect heeft. Critici vrezen echter dat het kapitaal zal ‘vluchten’ naar het buitenland, aangezien het heel mobiel is. De buitenlandse ervaring wijst er echter op dat dat niet (noodzakelijk) het geval hoeft te zijn. Daarenboven zijn sommige vermogens – denk aan vastgoed – niet eenvoudig te delokaliseren.

2. De creatie van jobs

‘Het is inderdaad een publiek geheim dat België relatief hoge sociale bijdragen op arbeid heft.’

Lagere ‘lasten’ op arbeid zouden vervolgens de werkgelegenheid stimuleren, aangezien arbeid goedkoper wordt. Het is inderdaad een publiek geheim dat België relatief hoge sociale bijdragen op arbeid heft. In Europees verband moeten we enkel Denemarken laten voorgaan. Echter, lagere loonlasten leiden niet noodzakelijk tot meer jobs.

Een verlaging van de ‘lasten op arbeid’ kan eigenlijk op twee manieren. Ten eerste kan men kiezen voor een verlaging van de sociale bijdragen van de werknemers. Nu betalen we 13,07% op ons brutoloon.

Een verlaging van dat percentage leidt tot meer netto koopkracht voor de werknemers, maar het heeft geen invloed op de loonkost. Op korte termijn kan het echter de economie stimuleren door het herstellen van de koopkracht en de macro-economische vraag. Op lange termijn zal het effect op werkgelegenheid echter gering zijn.

Een tweede manier is om de RSZ-bijdrage van de werkgever te verlagen (nu is die ongeveer 35%). Ook hier is het allerminst duidelijk of er een positief effect zal zijn op de werkgelegenheid. De ervaring met de dienstencheques (en de sociale maribel) leert ons dat een gerichte verlaging van de loonkosten jobs kan creëren. Echter, er zijn geen garanties en het risico op ‘deadweight’ subsidies (subsidies voor een job die sowieso zou zijn gecreëer) is relatief groot.

3. Lagere belastingen voor de werkende middenklasse

‘Waarom de schaarse middelen niet op een andere manier besteden?’

Het ‘tax shift‘-discours gaat ervan uit dat we nieuwe inkomstenbronnen aanspreken, om op die manier minder sociale bijdragen op het loon te heffen.

Dat is uiteraard een legitieme politieke keuze, maar het is niet zonder risico’s. Immers, eigenlijk dringt zich een herfinanciering van onze sociale zekerheid op indien we ons sociaal model willen overeind houden, laat staan verbeteren. Dat is een even legitieme manier om de inkomsten van bijvoorbeeld een vermogens(winst)belasting te besteden. Er bestaan daarvoor twee centrale argumenten.

Allereerst is er de vergrijzing. Volgens een – waarschijnlijk optimistische – schatting van de Studiecommissie voor de Vergrijzing veroorzaakt die een meerkost van 4,1% van het BBP tegen 2030. Dat is in huidige termen ongeveer €15 miljard. Is het in die optiek niet beter om eerst het pensioen van de werkende middenklasse veilig te stellen? De sociale bijdragen verlagen, terwijl men de mensen in de richting van private pensioen- en ziekteverzekeringen duwt, is geen vooruitgang voor de middenklasse.

Ten tweede zijn de sociale noden niet gering. Nog steeds bevinden heel wat Belgische vervangingsuitkeringen zich onder de Europese armoedegrens. Een schatting van het Rekenhof leert ons dat ongeveer €1,5 miljard nodig is om de uitkeringen boven de armoedegrens te krijgen. Getuigt het niet van meer sociale ambitie om daar eerst op in te zetten? Kortom, waarom de schaarse middelen niet op een andere manier besteden?

Wordt de tax shift het kluitje in het riet?

De populariteit van een politiek concept is vaak omgekeerd evenredig met zijn accuraatheid. Vaak komt het politici goed uit dat mensen een verschillende lading geven aan eenzelfde concept. Dat is ook zo voor de tax shift. Eigenlijk circuleren er heel diverse voorstellen. Vandaar een oproep aan de sociaal-progressieve beweging: verduidelijk wat je onder de term verstaat, zo niet zullen anderen het werk voor u doen. Een tax shift is immers niet noodzakelijk sociaal rechtvaardig, is geen garantie voor nieuwe jobs en lost de financieringsproblemen van de sociale zekerheid allerminst op.

Olivier Pintelon is actief binnen de denktank Poliargus, zijn expertisedomein is sociaal beleid.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift