Hét kastenssysteem bestaat niet [OPINIE]

Natuurlijk moet sociaal onrecht bestreden worden. Maar als Europa blijft hameren op een onrechtvaardig systeem dat in feite niet bestaat, dan mist het de kans om echt bij te dragen tot meer rechtvaardigheid in India.
Op 4 juni werd in het Europees Parlement een zitting georganiseerd over kastendiscriminatie in India. Vertegenwoordigers van dalit groeperingen (de zogenaamde laagste kasten) uit India drongen er bij de Europese Unie op aan om hen bij te staan in hun strijd tegen kastendiscriminatie en om serieus werk te maken van een beleidsdocument over dit onderwerp. Een parlementslid zette de eisen van de actievoerders kracht bij door te stellen dat er een einde moet komen aan deze barbarij.
De specifieke wantoestanden die de dalit bewegingen aankaarten zijn niet te ontkennen, noch valt het te betwisten dat ze moeten aangepakt worden. Maar bijeenkomsten zoals die in het Europese Parlement vorige week, of resoluties zoals de “European Parliament Resolution on the Human Rights Situation of the Dalits” (1 Februari 2007), zijn niet de oplossing. Zij proberen enkel de Westerse morele superioriteit te bevestigen, en bepaalde groeperingen uit India springen op die kar. Niet alleen hebben ze verregaande schadelijke gevolgen voor de Indiase samenleving. Ze zullen ook nefast blijken voor de internationale betrekkingen tussen Europa en India.
Het fundamentele probleem ligt hierin dat de dalit activisten en hun westerse medestanders een hele reeks feiten (voornamelijk sociaal-economische problemen) aan elkaar relateren tot één mysterieus monsterprobleem: het kastensysteem. Dit systeem, met de brahmanen aan de top en de kastelozen onderaan de ladder, zou de oorzaak zijn voor het feit dat miljoenen mensen een mensonwaardig leven leiden: zij hebben geen toegang tot proper water, zijn gedoemd tot het uitvoeren van smerige jobs, zijn landloos en worden vaak het slachtoffer van seksueel geweld. Verschillende vormen van sociaal onrecht, die elders in de wereld beschouwd worden als het gevolg van diverse socio-economische en politieke factoren, maken volgens de dalit activisten en hun aanhangers de kern uit van de Indiase sociale structuur en cultuur. Dat beweren is net hetzelfde als zeggen dat racisme, prostitutie, armoede, werkloosheid in de VS of Europa intrinsiek deel uitmaken van de Westerse maatschappelijke structuur.
Met andere woorden, wat volgens de dalit activisten bevochten moet worden zijn geen afzonderlijke uitingen van sociaal onrecht met hun respectievelijke oorzaken en oplossingen, maar de structuur van de Indische samenleving zelf. Talloze maatregelen werden reeds genomen door de Indische overheid om deze zogezegde structuur te bestrijden: niet alleen is het kastensysteem wettelijk ‘afgeschaft’ in de Indische grondwet. Door toedoen van het quotabeleid genieten de dalits – waartoe ondertussen de overgrote meerderheid van de Indische bevolking officieel behoort – enorme voordelen in ongeveer alle domeinen van de samenleving: overheidsjobs, toelating aan de universiteit, en binnenkort zelfs in de bedrijfswereld, etc. Geen enkele van deze maatregelen is er tot nu toe echter in geslaagd om iets te veranderen aan het bestaande sociale onrecht. Integendeel, omwille van dit beleid kampen de brahmanen (de zogenaamd hogere kasten) vandaag met discriminatie op verschillende vlakken. Zo moeten studenten uit de zogezegde lagere kasten, bijvoorbeeld, slechts de helft of minder van de punten halen dan hun brahmaanse medestudenten om toegelaten te worden in het onderwijssysteem. Als je je daarbij indenkt dat talrijke groepen in India in de rij staan om het statuut van Scheduled Caste, Backward Tribe of Other Backward Castes (i.e. de groepen die voordeel halen uit het reservatiebeleid) te verkrijgen en dat de meerderheid van de Indische bevolking ondertussen tot een van deze drie categorieën behoort, kan men zich ernstige bedenkingen maken bij de aard van het probleem en dit soort ‘oplossingen’. Het klassieke verhaal over het kastensysteem brengt bovendien heel wat haat met zich mee tegen de brahmanen die opvallende gelijkenissen vertoont met het antisemitisme tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Men is er blind voor dat het klassieke verhaal over het kastensysteem meer problemen veroorzaakt dan het kan oplossen. De bestaande problemen worden eerder aangehaald als bewijs van het falen van de Indische democratie, van hoe diep discriminatie geworteld is in de Indische cultuur en hoe hoog de nood is aan een rechtvaardig systeem. Europa beaamt dit verhaal volmondig en stelt zichzelf op als het morele geweten en het voorbeeld van ware democratie. Dat gelijkaardige vormen van sociaal onrecht tot het verleden en heden van Europa behoren wordt hierbij volledig genegeerd. Niemand zou durven beweren dat deze in Europa iets te maken hebben met de structuur zelf van de samenleving. Waarom is het dan zo ondenkbaar dat in India gelijkaardige feiten van sociaal onrecht niet aan de sociale structuur gekoppeld zouden zijn?
Stel nu dat de sociale structuur in India niet de oorzaak is van de sociale problemen in India. Maakt het verhaal over het kastensysteem het vinden van oplossingen voor de bestaande problemen dan niet onmogelijk? Als “je vijand kennen” de eerste stap is om hem te bestrijden, is het dan niet schadelijk om zo een verkeerde analyse, met de daarmee gepaard gaande oplossingen, verder te propageren?
Hier knelt het schoentje. In de sociale wetenschappen is er tot op vandaag zeer weinig geweten over het kastensysteem: er is geen enkele consensus over de centrale kenmerken van dit systeem, laat staan over hoe het ontstaan is en voortgezet wordt. Wat we vandaag weten over het kastensysteem berust volledig op de bewering dat het hindoeïsme in haar heilige geschriften de basis van het kastensysteem zou bevatten. Dit verhaal wordt vandaag door sociale wetenschappers serieus in twijfel betrokken en wordt gezien als aan een specifiek Westerse en koloniale beschrijving van India.
Empirisch onderzoek wijst uit dat ‘het kastensysteem’ niet bestaat in India. Er zijn natuurlijk verschillende groepen (jati’s genoemd), er zijn tradities van al dan niet met elkaar eten of trouwen, en er bestaan ongelijkheden tussen sommige groepen. Maar een pan-Indisch kastensysteem, gefundeerd in het hindoeïsme, dat de hele samenleving in haar greep houdt, bestaat enkel in de Westerse ervaring en beschrijvingen van India. Een grootschalig veldwerk in de Indische staat Karnataka, bijvoorbeeld, heeft aangetoond dat de bevolking­ geen enkel verband ziet tussen de sociale structuur van hun dorp en de Veda’s of andere zogezegd heilige teksten; dat er geen enkele georganiseerde autoriteit bestaat in India die toeziet op de ‘juiste’ implementatie van het zogenaamde kastensysteem; dat de brahmanen, niet aan de top van de samenleving staan en door vele groepen absoluut niet als superieur worden beschouwd; dat miljoenen ‘kastenlozen’ helemaal niet arm zijn; dat ook vele brahmanen in armoede leven en de vuile werken uitvoeren die volgens het standaardverhaal enkel door de ‘kastelozen’ worden uitgevoerd; dat daar waar er wel een zekere hiërarchie bestaat, dit vooral zo is onder groepen is die tot de dalits gerekend worden; etc. Bovendien, wanneer gevraagd wordt naar de hiërarchie in de Indiase samenleving krijgt men evenveel antwoorden als het aantal mensen aan wie de vraag gesteld wordt.
Dat India te kampen heeft met grote sociale onevenwichten is reëel. Meer nog, India lijdt niet alleen onder de typische sociale omwentelingen die het gevolg zijn van een snelle industrialisatie, maar is ook nog niet verlost van een reeks problemen (grootschalige armoede, ongeletterdheid, etc.) geïnduceerd door een eeuwenlange koloniale overheersing. Als we vandaag naar India kijken moeten we het zien als een land dat worstelt met problemen (oude en nieuwe) die even immens zijn als het land zelf. Die moeten worden aangepakt met een grondige kennis van zaken. Blijven vasthangen aan het koloniale verhaal over het ‘allesbepalende’ kastensysteem dat discriminatie en sociaal onrecht belichaamt, zal schadelijke gevolgen hebben voor India zelf. Meer nog, nu India een even belangrijke internationale speler wordt als Europa zal het de morele verontwaardiging van Europa, niet langer passief aanvaarden. Indien wij die situatie niet veranderen, kan het nefaste gevolgen hebben voor de internationale relaties tussen India en Europa.
Marianne Keppens en Sarah Claerhout zijn onderzoekers aan het onderzoekscentrum Vergelijkende Cultuurwetenschap van de Universiteit Gent (

www.cultuurwetenschap.be). 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift