Het merkwaardig verbond tussen Eritrea en Al-Shabaab

Amerikaans buitenlandminister Hillary Clinton sprak op 6 augustus dreigende taal aan het adres van Eritrea. We zullen actie ondernemen tegen Eritrea, indien het land doorgaat met steun te verlenen aan de Al-Shabaab strijders in Somalië, stelde ze naar aanleiding van haar gesprek met de Somalische president Sheikh Sharif Sheikh Ahmed in de Keniaanse hoofdstad Nairobi.
De Al-Shabaab milities die strijd voeren tegen de erkende, maar uiterst zwakke regering van Somalië en die grote delen van het land controleren, worden immers verdacht van banden met Al-Qaeda en dus met het internationaal terrorisme. Indien Al-Shabaab erin slaagt om Somalië volledig te controleren, dan zou dit een bedreiging betekenen voor de Verenigde Staten, aldus nog Clinton.
De stoere taal van Clinton ten aanzien van Eritrea, doet denken aan het typische “war on terror” taalgebruik uit de Bush-periode. De vrienden van onze vijanden, zijn onze vijanden of nog, in de strijd tegen het internationaal terrorisme sta je aan de kant van de Verenigde Staten, zoniet plaats je jezelf in het kamp van de “bad guys”.
Welke acties Clinton in gedachten heeft, is alsnog onduidelijk. Eritrea ontkent overigens sinds lang elke betrokkenheid in het Somalisch conflict.

Mager bewijsmateriaal


Over de feitelijke rol van Eritrea in Somalië bestaat onduidelijkheid. Het bewijsmateriaal over die betrokkenheid is voorlopig mager, maar verschillende bronnen waaronder de officiële Somalische overheid, spreken van logistieke steun (geld, wapens, voedsel en medicijnen), betrokkenheid bij het recruteren van strijders en de aanwezigheid van Eritrese officieren in Somalië die training zouden geven aan de Al-Shabaab milities.
Hoewel harde bewijzen niet direct voorhanden zijn, lijkt de betrokkenheid van Eritrea aannemelijk. Waarom Eritrea steun verleent aan een islamistische beweging die geïnspireerd zou zijn door de Afghaanse Taliban en van Somalië een streng islamitische staat wil maken waar de Sharia strikt geïnterpreteerd wordt – de Sharia is overigens ingevoerd door de Somalische regering in de hoop de oppositie op die manier wat wind uit de zeilen te nemen – is een vraag waarop het antwoord complex is.
Wie ooit in Eritrea geweest is kan zich moeilijk voorstellen dat het land sympathie koestert voor moslimfundamentalisme. Eritrea is niet eens een moslimland, in weerwil van de perceptie die mogelijk ontstaat door de aanhoudende berichten in de media over de steun aan een Al-Qaeda gerelateerde beweging.

Oudstrijders


De huidige dictatoriale regering bestaat nog steeds uit oudstrijders van de marxistische rebellenbeweging EPLF (Eritrean People’s Liberation Front) dat een bijna dertigjarige onafhankelijkheidsoorlog heeft gevoerd tegen de voormalige bezetter Ethiopië, en de huidige president Isaias Afewerki heeft in de jaren zestig zijn militaire en politieke scholing in China genoten.
De islam is in Eritrea één van de vier officieel erkende godsdiensten naast de katholieke, protestantse en Eritrees-orhtodoxe kerken en moslims maken ongeveer de helft van de Eritrese bevolking uit. Andere kerken of religieuze organisaties zijn door de authoritaire overheid verboden en volgelingen ervan worden sinds enige tijd brutaal vervolgd.
Bovendien heeft Eritrea de afgelopen jaren zelf te kampen gehad met intern moslimterrorisme. Eén van de reden overigens waarom de relaties met Soedan bekoelden. Eritrea beschuldigde zijn buurland er immers van onderdak te bieden aan de Eritrese Islamitische Jihad Beweging die strijd probeert te leveren tegen het “christelijke” regime in Eritrea.
Leden van die organisatie staken in het verleden soms de grens over en pleegden in 2004 hun belangrijkste aanslag in de stad Barentu, waarbij tientallen gewonden en ook doden te betreuren vielen.

Bussen


In de daaropvolgende jaren mochten bussen die het traject van Tessenei, de meest westelijke Eritrese stad aan de Soedanese grens, naar Barentu afleggen, enkel nog overdag rijden omdat militanten van de jihad-beweging ’s nachts al eens primitieve mijnen op de weg legden in de hoop aldus een bus op te kunnen blazen.
Op zich is de alliantie met Al-Shabaab dus op zijn minst merkwaardig te noemen, ware het niet dat redenen van geopolitieke aard één en ander kunnen verklaren. Volledig in lijn met de Amerikaanse houding, geldt voor de Eritrese overheid dat “de vijanden van onze vijanden, onze vrienden zijn”.
Met andere woorden, Eritrea voert klaarblijkelijk een proxy-oorlog in Somalië tegen zijn aartsvijand Ethiopië, dat reeds enkele jaren de officiële regering(en) in Somalië zowel logistiek als militair steunt en daarbij maar wat graag geholpen wordt door de Verenigde Staten. Beide landen vrezen dat Somalië op weg is een uitvalsbasis voor internationaal terrorisme te worden, en Ethiopië wil liever geen fundamentalistische staat als buur uit schrik dat de islamistische vonk zou overslaan naar de eigen moslimbevolking.
Zowel Ethiopië als de Verenigde Staten zien in de Somalische ontwikkelingen dus een bedreiging voor de eigen nationale veiligheid, en bondgenoten van de fundamentalistische milities in Somalië als vijanden in de “war on terror”. Eritrea zit dus volgens die logica in het verkeerde kamp.

Absurd


Het absurde van het verhaal is dat de aanleiding van de vijandschap tussen Ethiopië en Eritrea helemaal niets met Somalië te maken heeft, laat staan met verschillende visies op de islam, maar alles met de politieke geschiedenis van beide landen. Eritrea werd in 1993 officieel onafhankelijk van Ethiopië, na een lange onafhankelijkheidsoorlog.
Die onafhankelijkheid kwam er nadat de troepen van de Ethiopische communistische dictator Mengistu in 1991 werden verslagen door het EPLF, dat militair gesteund werd door het TPLF (Tigray People’s Liberation Front), een Ethiopische verzetsgroep die onder leiding stond van de huidige Ethiopische premier Meles Zenawi.
Er ontstonden tussen beide landen echter al gauw meningsverschillen over handelsrelaties en betwist grondgebied: de vroegere strijdmakkers Afewerki en Zenawi werden vijanden en startten in 1998 een stellingenoorlog die tot 2000 zou duren en tienduizenden slachtoffers zou eisen. In december 2000 werd onder internationale druk een vredesverdrag getekend en sindsdien heerst er een “noch oorlog, noch vrede” situatie.
Officieel betwisten de beide landen elkaar het onooglijke stadje Badme dat door Ethiopië bezet wordt, maar volgens  het vredesakkoord Eritrea toekomt. De twist heeft echter diepere gronden: Ethiopië is door de onafhankelijkheid van Eritrea zijn enige toegangspoort tot de Rode Zee kwijt en heeft tijdens de oorlog van 1998-2000 herhaaldelijk geprobeerd de haven in te nemen. Vandaag is Assab een “spookhavenstad” die door het Eritrees leger omgevormd is tot een militair bastion.

Agressie


Ook de agressie van Eritrea tegenover de kleine buur Djibouti moet in die context gezien worden. In 2008 bezetten Eritrese soldaten een lap grond in Djibouti. Ook hier was sprake van zogenaamd betwist grondgebied.
Een veel aannemelijkere verklaring voor de agressie lijkt ons de economische en militaire toenadering tussen Ethiopië en Djibouti sinds 1999. Beide landen sloten militaire en economische verdragen waardoor Ethiopië via Djibouti opnieuw toegang tot de Rode Zee kreeg. Opnieuw dus het “vriend en vijand” verhaal.

Pariastaatje


Door de ontwikkelingen van de laatste jaren in de Hoorn van Afrika, geraakt Eritrea  internationaal steeds meer geïsoleerd en dreigt het een pariastaatje te worden. Dramatisch, want Eritrea is een van de armste landen van Afrika.
Een permanente staat van oorlog met de buurlanden is niet bevorderlijk voor de economische ontwikkeling van het land, vooral omdat het gros van de jonge mannen voor jaren onder de wapens moet om de 1000 km lange grens met Ethiopië te bewaken en dus verstoken blijft van onderwijs en opleiding.
Niettegenstaande het land niet zonder buitenlandse hulp kan, heeft de Eritrese overheid het bovendien klaargespeeld om de relatie met NGO’s grondig te verzieken: hun werking wordt sinds enkele jaren aan zeer strikte regels onderworpen, wie zich hieraan niet onderwerpt en onafhankelijk wil werken, wordt als organisatie prompt het land uitgezet.

Trots laten varen


Het wordt dus tijd dat de Eritrese overheid het geweer van schouder verandert en haar trots laat varen. Dat die trots ooit gerechtvaardigd was, doet nu niet meer ter zake. Het is juist dat de Eritrese strijders zo goed als zonder buitenlandse steun, want door zowat iedereen in de steek gelaten, hun onafhankelijkheid van Ethiopië hebben bedongen.
Wat diezelfde strijders echter nog steeds niet begrepen hebben of willen begrijpen, is dat het dringend tijd wordt om de wapens te laten zwijgen en om eindelijk echt werk te maken van de economische opbouw van het land. Dialoog en verzoening met de buurlanden zijn hiervoor onontbeerlijke voorwaarden.
Dat de internationale gemeenschap hierbij een cruciale rol dient te spelen, lijkt al even onontbeerlijk. Of dreigende taal à la Clinton aan het adres van Eritrea de juiste aanpak is, valt daarom erg te betwijfelen. Gekwetste trots is immers een zeer slechte raadgever…
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Erik Gobbers bestudeert stedelijke socio-culturele verenigingen in Lubumbashi in het kader van zijn thesis aan de VUB, in samenwerking met een onderzoekscentrum van de Universiteit van Lubumbashi