De politiek van ontwikkelingshulp in Palestina: schuilen als strategie?

‘Hulp is altijd een politieke interventie’

© Jan Orbie

De hulpprogramma’s voor sociale infrastructuur en de exportgeleide landbouwontwikkeling, zoals de ontwikkeling van Area C op de Westelijke Jordaanoever, hebben vooralsnog weinig tastbare resultaten opgeleverd. En ook nauwelijks contestatie.

Het utopische idee dat we derde landen kunnen “fixen” mits een goed ontwikkelingsbeleid, creëert een rookgordijn waardoor we mondiale onrechtvaardigheid moeilijker zien, schrijven academici Jan Orbie en Viktor Opsomer in een kritisch opiniestuk. ‘Om effectief te zijn, moeten we het politieke karakter van hulp erkennen, in plaats van te schuilen achter een technisch ontwikkelingsdiscours.’

Passionele debatten over ontwikkelingssamenwerking zijn zeldzaam in België. Het ontwikkelingsdenken varieert dan ook al zeventig jaar op dezelfde, technocratische partituur: wij moeten anderen ontwikkelen en wij weten hoe dat moet. We moeten zorgen voor voldoende budgetten, de juiste partners en adequate monitoring. Als “ontwikkeling” toch niet werkt, dan moeten we onze sjablonen verder verfijnen, de toepassing verbeteren en zogenaamde stakeholders meer betrekken.

Deze technische framing is niet onschuldig: het legitimeert de status quo en vermijdt kritische vragen. Het utopische idee dat we derde landen kunnen “fixen” mits een goed ontwikkelingsbeleid, creëert een rookgordijn waardoor we mondiale onrechtvaardigheid moeilijker zien. Bovendien verandert hulp ook altijd machtsverhoudingen in de ontvangende landen. Kortom, dit is zeer politiek.

Dat hulp fundamenteel politiek is, blijkt duidelijk in Palestina.

Heel soms krijgen we een politiek debat. Begin 2020 lanceerde de N-VA een offensief tegen EU-hulp voor de strijd van Marokko tegen de coronacrisis, die veel hoger zou zijn dan wat Vlaanderen krijgt van Europa. In het kielzog van Black Lives Matter laaide ook in België het debat op over herstelbetalingen aan Congo, Rwanda en Burundi, wat leidde tot de oprichting van een parlementaire commissie. Af en toe berichten kranten over hoe Israëlische autoriteiten een door België gefinancierd ontwikkelingsproject in Palestina vernietigen, wat enige politieke verontwaardiging met zich meebrengt. Maar al bij al blijft het politieke gewoel rond ontwikkelingssamenwerking beperkt.

Dat hulp nochtans fundamenteel politiek is, blijkt duidelijk in Palestina. Net zoals de meeste Europese donoren probeert ook België de Palestijnse economie en instellingen te versterken, wat ultiem moet bijdragen tot de tweestatenoplossing en dus tot het vredesproces in het Midden-Oosten. Het politieke belang van Palestina blijkt uit de uitzonderlijk hoge hulpbudgetten: Palestina staat in de top-10 van hulpbegunstigden van de Europese Unie (bijna 3 miljard euro tussen 2017-2020) en in de top-5 ontvangers van Belgisch ontwikkelingsgeld (ongeveer 130 miljoen euro tussen 2014-2018).

Israëlische en Palestijnse lobbygroepen houden de hulp aan Palestina ook nauwlettend in de gaten. De diplomaten, ontwikkelingswerkers en ngo’s die wij interviewden, wezen hoofdzakelijk op de activiteiten van organisaties zoals NGO Monitor en IMPACT-se, die ontwikkelingsprogramma’s in Palestina in diskrediet proberen te brengen.

Ze hanteren hiervoor diverse strategieën. Onze respondenten maken gewag van intimiderende e-mails aan henzelf en hun lokale medewerkers. Ze benadrukken ook de impact van de Israëlische lobbymachine in de Europese hoofdsteden, achter de schermen, in de massamedia en in parlementen.

Coördinatiemechanismen als schild tegen kritiek

Door deze politieke gevoeligheid van hulp in Palestina, beslissen donoren soms om samen te werken. In de plaats van bilaterale hulp te bieden, bundelen ze op het terrein de krachten met andere donoren. Deze ‘coördinatiemechanismen’ maken het makkelijker om de eigen verantwoordelijkheid te verschuiven, om risico’s te spreiden, en om een gezamenlijke verdedigingsstrategie uit te werken tegen kritiek. Betrokkenen spreken over een ‘schild’ dat hen moet beschermen tegen ‘aanvallen’ vanuit Israëlische hoek – in de regio en in hun thuisland.

Maar werkt dat schild ook in de praktijk? We onderzochten vier coördinatieschema’s in Palestina: (1) onderwijsinstellingen via de Joint Financing Arrangement (België, Ierland, Noorwegen, Duitsland, Finland), (2) sociale infrastructuur in Area C, dus het grootste deel van de Westelijke Jordaanoever dat onder controle staat van het Israëlische leger, via de EU (Frankrijk, VK, Denemarken), (3) landbouwexport via de Food and Agricultural Organization (EU, Spanje, Denemarken, Nederland, Zwitserland), (4) mensenrechten ngo’s via het Human Rights and International Humanitarian Law Secretariat (Nederland, Denemarken, Zweden, Zwitserland, Noorwegen).

Hoewel donorcoördinatie effectief een schild kan zijn tegen kritiek, wijst ons onderzoek op de soms beperkte houdbaarheidsdatum van hulpcoördinatiemechanismen. Wanneer de hulp enigszins politiek relevant is, in die zin dat ze de macht van de Israëlische autoriteit dreigt aan te tasten, dan komt ze vroeg of laat onder vuur te liggen. Dan blijken hulpcoördinatieschema’s niet veel sterker dan hun zwakste schakel.

Concreet bleek dit bij het programma over steun voor mensenrechten-ngo’s. Noorwegen, Denemarken, Zwitserland en Nederland stonden onder druk voor hun steun aan het Secretariat, omdat werknemers van sommige ngo’s beschuldigd werden van banden met terroristische organisaties. Noorwegen trok zich terug in 2016, blijkbaar na hevige kritiek van de Israëlische premier Netanyahu op de Noorse eerste minister Solberg; in Zwitserland en Nederland kwam de kritiek via de massamedia en hun parlementen.

De Belgische terugtrekking had ernstige gevolgen voor het functioneren van het onderwijsprogramma.

Gezien de invloed van de Israëlische lobby en historische gevoeligheden, stonden donoren voortdurend onder druk om hun steun voor ngo’s te verdedigen. Dit leidde tot extra werklast, wantrouwen, micromanagement en uiteindelijk ook conflicten binnen de donorgroep. Het schild werd steeds poreuzer en brak uiteindelijk – in 2019 is het jarenlange steunmechanisme voor mensenrechten-ngo’s afgeschaft. Belangrijk “detail”: betrokkenen en bestaande evaluaties duidden op de noodzaak en effectiviteit van het Secretariat, in het bijzonder voor kleinschalige ngo’s die werken rond mensenrechten in Israël en Palestina.

Een gelijkaardig scenario dreigt zich nu voor te doen in het onderwijsprogramma. Hier was België de zwakste schakel. De kritiek luidde dat België via het Joint Financing Arrangement (JFA) een schooltje mee financierde dat genoemd was naar Dalal Mughrabi – een martelaar voor de Palestijnen, een terrorist voor Israël. In september 2018 besliste de toenmalige Belgische minister voor ontwikkelingssamenwerking, Alexander De Croo, om de samenwerking met de JFA stop te zetten. Respondenten stellen dat deze beslissing in beperkte kring genomen werd, onder impuls van het kabinet-De Croo en ook via de Antwerpse burgemeester Bart De Wever die steun van de joodse gemeenschap waardeerde gezien de nakende gemeenteraadsverkiezingen.

Wat ook de precieze beweegredenen achter de Belgische beslissing waren (zie de discussie tussen Herman De Ley en Alexander De Croo), we zien opnieuw een dynamiek waarbij het hulpcoördinatiemechanisme barst en vervolgens dreigt te breken. De Belgische terugtrekking had ernstige gevolgen voor het functioneren van het onderwijsprogramma. Andere donoren zagen hun werklast vergroten en kwamen meer onder druk vanuit onder meer IMPACT-se.

Het zou beter zijn om het politieke karakter van hulp te erkennen, in plaats van te schuilen achter een technisch ontwikkelingsdiscours.

In Duitsland laaide de discussie op over de financiering van Palestijnse schoolboeken, waarin bepaalde passages een eenzijdig Palestijnse versie zouden geven van het conflict met Israël. Duitsland ging focussen op minder gevoelige aspecten zoals het bouwen van schooltjes en minder inzetten op de versterking van het Ministerie van Onderwijs. Het wantrouwen tussen donoren nam toe ten koste van de effectiviteit van de hulp.

Intrigerend is dat ook dit programma door Europese én Palestijnse betrokkenen beschouwd werd als relatief effectief. De JFA werd gezien als een model voor andere sectoren en landen omwille van de vlotte samenwerking en de ownership van het Palestijnse Ministerie. Omgekeerd blijken ontwikkelingsprogramma’s die (politiek) minder gevoelig zijn, ook minder onder druk te komen en dus ‘meer succesvol’ zijn. De programma’s over sociale infrastructuur en over de exportgeleide landbouwontwikkeling hebben vooralsnog weinig tastbare resultaten opgeleverd. En ook nauwelijks contestatie.

Misschien is het dus niet ondanks, maar eerder omwille van hun effectiviteit dat programma’s rond mensenrechten-ngo’s en onderwijshervorming onder vuur liggen. In beide gevallen is het politieke karakter van hulp overduidelijk. Ze ondermijnen de macht van Israël. Schuilen onder een coördinatieschild kan aanvallen even helpen afweren, maar als donoren de politieke doelstellingen van hulp niet kunnen of durven verdedigen, dan gaan ze uiteindelijk bezwijken.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Donoren bepleiten samenwerking typisch in technocratische termen – schaalvoordelen, efficiëntie, werkverdeling, harmonisatie van logframes. Coördinatie staat centraal in de internationale agenda van hulpeffectiviteit, die de mythe in stand houdt dat we anderen kunnen helpen ontwikkelen als we onze instrumenten maar verder verfijnen. Dit jargon schiet tekort wanneer duidelijk wordt hoe deze programma’s kaderen in een politieke strijd om rechtvaardigheid.

Dat is evident in de specifieke context van Palestina. Maar hulp is altijd een politieke interventie. Het zou dus beter zijn om het politieke karakter van hulp te erkennen, in plaats van te schuilen achter een technisch ontwikkelingsdiscours. In het geval van Palestina betekent dit hopelijk dat Europese donoren de politieke moed en het maatschappelijke draagvlak vinden om niet alleen de Israëlische vernietiging van door ons betaalde projecten te veroordelen, maar ook om mensenrechten-ngo’s in Palestina (en Israël) te ondersteunen en om de Palestijnse onderwijsinstellingen te versterken, als onderdeel van een buitenlandse politiek die één van de meest stuitende onrechtvaardigheden in de wereldpolitiek aanpakt.

Jan Orbie en Viktor Opsomer zijn respectievelijk hoofddocent en onderzoeker aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent. Deze blog belicht een aantal aspecten uit een onderzoek dat uitgevoerd werd samen met Yentyl Williams, Sarah Delputte en Joren Verschaeve. Enkel de auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud en eventuele fouten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3141   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift