Jan Pronk: 'Internationale samenwerking moet machtsongelijkheid bestrijden'

De 75-jarige Jan Pronk, Nederlands legendarische minister van Internationale Samenwerking in de jaren negentig, was op zaterdag 31 januari de belangrijkste spreker op het nieuwjaarsgebeuren van 11.11.11. Pronk kreeg er een warm applaus voor zijn “ontwikkelingsagenda” voor de toekomst. Negen opdrachten en een duidelijk kader.

(c) Willemjan Vandenplas

 

Ontwikkeling. 65 jaar na het begin van dekolonisatie en ontwikkeling, vinden heel veel mensen en instellingen dat de houdbaarheidsdatum van ontwikkeling en van samenwerking overschreden is, stelt Jan Pronk vast.

De neoliberale concepten die zich baseren op de markt bepalen vandaag het debat en de agenda.

Pronk is het daar niet mee eens. Hij wil dat “ontwikkeling” teruggevoerd wordt naar zijn oorspronkelijke betekenis: bevrijding van koloniale overheersing en uitbuiting, het toepassen van de mensenrechten voor alle mensen en volkeren, het recht van iedereen om zélf te bepalen wat een duurzaam en zinvol leven is.

Als je het zo bekijkt, is ontwikkeling wel degelijk nog steeds van deze tijd, aldus Jan Pronk.

Samenwerking. Dat geldt volgens de Nederlandse oud-politicus overigens ook voor samenwerking, want dat was na de Tweede Wereldoorlog een poging om landen en volkeren te beschermen tegen de onversneden gevolgen van machtsongelijkheid, waardoor het ene land zichzelf het recht kon toekennen om een ander land binnen te vallen.

Samenwerking is ook wat niet wordt overgelaten aan de markt, zei Pronk, waar de wet van de economische macht geldt.

Hulp. Is hulp nog van deze tijd? Niet op de manier waarop ze bedacht werd ten tijde van de dekolonisering, volgens Pronk. Toen was het bedoeld als een manier om landen die achterbleven of achtergesteld waren, een duw in de rug te geven. Alleen: die achterstelling was geen natuurfenomeen, maar het resultaat van politieke en historische processen. En die werken héél lang door.

Daarom pleit Jan Pronk voor een soort belasting op voorsprong – omdat die voorsprong niet neutraal verworven is, maar over de rug van de derdewereldlanden. Je hoeft het geen hulp meer te noemen, maar een correctie op de ongelijkheid, en die is vandaag even urgent en noodzakelijk als 65 jaar geleden.

Ngo’s. In dezelfde zin verdedigt Pronk de rol en de relevantie van de ngo’s. Zij proberen een correctie aan te brengen op de bestaande machtsverhoudingen. Ze zijn ze er niet in geslaagd de wereld te vormen naar hun doelstellingen en idealen, maar dat is niet alleen hun schuld. Als mensen daarop kritiek hebben, moeten ze die richten naar de grote bedrijven, zegt Pronk, want zij bepalen hoe de wereld er vandaag uitziet.

Internationale orde. Jan Pronk hield ook een uitgebreid pleidooi voor respect voor de internationale rechtsorde. Hij verwees daarvoor naar de rampzalig afgelopen Navo-operatie in Libië, waar het beschermingsmandaat van de Verenigde Naties eenzijdig opgerekt werd tot een offensieve operatie tegen de zittende machthebber in Libië. Het gevolg daarvan is niet alleen een chaos in Libië die veel meer mensenrechtenschendingen en internationale onveiligheid produceert dan onder Ghaddafi.

Het betekent ook dat Rusland gezworen heeft geen resolutie meer goed te keuren die onder de schitterende vlag van de Responsability to Protect ingediend wordt. En dat laatste is geen verrassing voor Frankrijk, Groot-Brittannië of de VS. Ze wisten dat op het moment dat de acties uitgebreid werden zonder een nieuw mandaat aan de Veiligheidsraad te vragen.

We geven hieronder een persoonlijke weergave en samenvatting van de ideeën voor de toekomst, die Jan Pronk op vraag van 11.11.11 formuleerde.

Opdracht 1: geloof in ontwikkeling, maar zet de oogkleppen af

In het jaar 2000 beseften de staats- en regeringsleiders van de wereld plots dat ze zich moesten schamen over het onaanvaardbaar kleine resultaat dat alle grote beloften van de vorige decennia hadden opgebracht. Daarom spraken ze af dat ze tijdens de volgende vijftien jaar de ergste armoede ten minste zouden gaan halveren.

Dat was behoorlijk ambitieus, maar het impliceerde meteen ook dat de wereld daar na 2015 mee door moest gaan, want waarom zou die andere helft geen recht hebben op een menswaardig bestaan? Bovendien stelden de leiders in de Millennium Verklaring dat deze ambitie ongeacht alle andere omstandigheden – oorlog, klimaatverandering, economische crisis – toch prioritair zou blijven.

Politiek is te belangrijk om aan politici over te laten. En het werk is uiteraard niet af als er prachtige verklaringen zijn afgelegd.

Een van de cruciale opdrachten om die doelstellingen te realiseren, is het organiseren van bijzondere aandacht voor kwetsbare en moeilijk bereikbare groepen, minderheidsgroepen of verdrukte groepen. Zij worden immers niet echt goed bereikt door de markt of door de overheidsdiensten.

De MDG’s hebben de wereld en de beleidsmakers ook gewezen op het feit dat de wereld een stuk minder duurzaam en rechtvaardig is dan hij zou moeten zijn. Daarom is het zo’n goede zaak dat men geopteerd heeft voor Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) voor de komende periode, want zonder ecologische doelen zullen we er nooit in slagen om de armoede of de ongelijkheid fundamenteel te bestrijden.

Wat ook bijzonder is aan deze SDG’s, is dat het hele proces van voorbereiding en onderhandeling erover reële ruimte heeft gemaakt voor betekenisvolle participatie van mensen via hun organisaties. Dit jaar is dan ook het jaar van de waarheid: in 2015 kunnen politici wat vanuit alle windstreken is aangedragen vertalen in concrete doelen en indicatoren. Maar besef wel: politiek is te belangrijk om aan politici over te laten. En het werk is uiteraard niet af als er prachtige verklaringen zijn afgelegd.

Pronk roept daarom de ngo’s op om mee werk te maken van de SGDG’s, maar er zich niet in te laten opsluiten. Een agenda voor de toekomst -laten we dat lelijke post-2015 maar schrappen, stelt hij voor- moet veel breder zijn. We moeten ons richten op de machtsongelijkheden in de wereld.

Opdracht 2.Versterk de internationale rechtsorde

Om het machtsoverwicht van grote bedrijven en landen binnen de perken van de redelijkheid te houden zijn internationale instellingen nodig, zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Dat klinkt misschien vreemd in ngo-oren, maar het IMF werd tenslotte opgezet om stabiliteit te creëren op de internationale financiële en economische markten -tégen de landen die daar net een zooitje van maakten.

Het IMF moet niet alleen Griekenland of Congo tot de orde kunnen roepen, maar ook China, de VS of Duitsland.

En die instabiliteit wordt niet alleen gecreëerd door landen met een veel te groot tekort op de handelsbalans, maar ook door landen die een te groot overschot hebben. Dat betekent dat het IMF niet alleen Griekenland of Congo tot de orde moet kunnen roepen, maar ook China, de VS of Duitsland. Het IMF moet ook de grote financiële instellingen kunnen aanpakken die de financiële stabiliteit van hele landen kunnen bedreigen.

Een ander voorbeeld is de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Toen die trein in 1989 door The Battle of Seattle tot staan gebracht werd, was ik dolblij. Want het voorstel ter bescherming van investeringen dat daar op tafel lag, was alleen maar bedoeld ter bescherming van de investeerder, niet van de landen waar die investeringen zouden plaatsvinden. Maar sindsdien zijn de westerse landen hun handelsdoelstellingen eenzijdig via bilaterale vrijhandelsovereenkomsten aan de rest van wereld gaan opleggen. 

En nu komt het Trans-Atlantic Trade and Investment Partnership eraan. In dat vrijhandelsverdrag tussen de VS en de EU gaat het wezenlijk niet zozeer over handel dan wel over investeringen, met alweer dezelfde onderliggende tendens: bescherm de investeerders, niet de landen. En dat zou nu ook in dit verdrag kunnen gebeuren zoals het al vaak gebeurt in relatie met zuiderse landen, via private arbitragerechtbanken.

Voor die “rechtbanken” kunnen bedrijven dan klacht neerleggen tegen regeringen die sociale, ecologische of gezondheidsnormen opleggen die vermoedelijk een negatieve impact zullen hebben op verwachte toekomstige winsten.

Om dat soort ongelijkheid tegen te gaan, zijn er dus krachtige internationale instellingen nodig, waarin de opkomende landen een echt tegenwicht kunnen vormen tegen de belangen van de rijke landen.

© Willemjan Vandenplas

 

Opdracht 3. Belast internationaal vermogen.

De groeiende vermogensongelijkheid in de wereld heeft grote economische en politieke gevolgen. Een reële belasting op vermogens kan de ongelijkheid verminderen én tegelijk inkomsten creëren waarmee we de problemen die gecreëerd werden door de mondialisering kunnen aanpakken.

Opdracht 4. Leg bindende verplichtingen op om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen

De klimaatverandering is immers nu al bezig en treft vooral de armste lagen van de bevolking en de armste landen. Zij moeten vanwege degenen die tot nu toe de grootste uitstoot geproduceerd hebben ook hulp krijgen om zich aan te passen aan dat veranderende klimaat.

De vermindering van de uitstoot kan niet overgelaten worden aan de markt, geloof in technologie of aan vrijwillige engagementen, dat moet internationaal vastgelegd en afgedwongen worden.

Opdracht 5. Werk aan de toenadering tussen Oost en West.

Dit is een opdracht die ngo’s niet zo gewoon zijn, maar hij is wel van levensbelang vandaag. Want zonder betrokkenheid van China en Rusland is er geen oplossing mogelijk voor de conflicten in het Midden-Oosten, Noord-Afrika of de toekomstige problemen in de Stille Oceaan. De Verenigde Staten moeten toenadering zoeken tot China, in plaats van die twee machtspolen verder uit elkaar  te laten drijven. Europa moet nauwer samenwerken met Rusland.

Maar dat betekent dat iedereen over zijn eigen schaduw en belang heen moet springen en moet luisteren naar het belang van de andere. We moeten inzetten op het afbouwen van spanningen in plaats van op verdere escalatie, al was het alleen om ons eigen belang. Om de escalatie van conflicten met hun veelvuldige oorzaken te voorkomen, moet er internationaal geïnvesteerd worden in de capaciteit, deskundigheid en middelen om dat te doen.

Opdracht 6. Bouw een effectieve internationale noodhulpcapaciteit op

Er is meer nood en er zijn meer rampen dan vroeger, als gevolg van stijgende ongelijkheid, klimaatverandering en conflicten. Humanitaire nood is een structureel vraagstuk geworden, niet langer iets dat we keer op keer op eenmalige basis kunnen aanpakken. We kunnen niet meer elke keer met de pet rondgaan om een aantal slachtoffers te helpen.

Opdracht 7. Zet in op het internationale maatschappelijke middenveld.

Steun mensenrechtenactivisten, basisbewegingen en andere niet-gouvernementele actoren ten behoeve van betere staats- en natievorming. Want na de dekolonisatieperiode is de het grote probleem de onvoldragen staats- en natievorming. Die is onder andere verantwoordelijk voor de grote armoede en ongelijkheid in landen.

Opdracht 8. Organiseer internationale belastingen

Voor al deze zaken – de aanpak van ongelijkheid, de dialoog tussen overheden en middenveld, de aanpak van humanitaire nood, de opvang en het voorkomen van klimaatverandering, … – zal geld nodig zijn, veel geeld. Veel meer dan de fameuze 0,7 procent van het bnp, die door Jan Tinbergen bedoeld was als een voorafschaduwing van een internationale belasting.

We hebben zulke inkomsten nodig om vrede, milieu, klimaat en sociale zekerheid voor iedereen te kunnen realiseren, met name voor dat één derde van de wereld dat echt geen deel heeft aan de economische groei. Als we die internationale inkomensoverdrachten -niet hulp, maar structurele overdrachten- niet organiseren, zullen we de ongelijkheid en de daarmee samenhangende conflicten zien toenemen.

Opdracht 9. Wees geloofwaardig.

We kunnen internationaal maar wegen, als we in eigen land doen wat we elders vragen. Echt gaan voor duurzame ontwikkeling, bijvoorbeeld. Vluchtelingen echt menswaardige opvang bieden. We zullen onze eigen verzorgingsstaat veel beter moeten verdedigen. Wees geloofwaardig door te kiezen voor Europese samenwerking.

Als we geloofwaardig zijn in ons eigen handelen, zullen we ook iets in te brengen hebben in de dialoog met de spelers uit het Oosten en het Zuiden.

© Willemjan Vandenplas

 

 

Vond je dit artikel de moeite? Schrijf je hier in op de MO*Daily en ontvang elke dag 5 topartikels.

 

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur