Libië en het Midden-Oosten: over naar de Europese Unie

Tussenkomen in Libië is geen evidentie. De opdracht is verre van risicoloos en de uitkomst is nog niet zeker. Maar helaas was er geen andere uitweg meer. De Europese Unie (EU) kan zich aan haar grenzen geen burgeroorlog veroorloven.

De EU heeft vitale belangen op het spel staan in de regio die ze officieel haar “Nabuurschap” noemt: onze buren op het Europese vasteland en het hele Middellandse Zeebekken, van Turkije tot Marokko. Handelsroutes, energiebevoorrading, beheersbare migratie, om de meest evidente te noemen. Anderzijds heeft de EU, als een distinctieve actor die een op waarden gebaseerd buitenlands beleid voert, ook een morele verantwoordelijkheid tot bescherming van burgers tegen geweld.

EU als strategische actor

Is de EU ook een strategische actor, zoals de Europese Veiligheidsstrategie van 2003 stelt? Dit wil zeggen een actor die strategische prioriteiten stelt, de middelen verwerft om die na te streven, en die vooral ook de politieke wil toont om ze waar te maken. Als de EU ook maar enige pretentie heeft in die zin, moet ze minstens in haar onmiddellijke omgeving zelf haar vitale belangen verzekeren en tegelijk haar morele verantwoordelijkheid opnemen. Daarom moest Europa in Libië zeker tussenkomen, terwijl het dat inderdaad in sommige andere regio’s misschien minder snel zou doen. Het is dan ook logisch dat de Verenigde Staten nu eens niet de leiding neemt. Brussel is veel meer betrokken dan Washington.

Jammer genoeg tonen de lidstaten van de EU zich weinig eensgezind, ten minste wat de militaire operaties betreft. Daardoor kunnen die helaas niet onder de vlag van het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB) uitgevoerd worden en zijn er ook strubbelingen over het gebruik van de NAVO. Maar de EU zal hoe dan ook terug op de voorgrond moeten treden. Immers, of de troepen nu onder EU- of NAVO-vlag of door een ad hoc coalitie ontplooid worden: ons omvattend lange termijn beleid ten aanzien van Libië en de regio zullen we via de EU moeten bepalen.

Het ontbreekt de EU eigenlijk niet aan strategieën voor het Middellandse Zeegebied. Alleen hebben we het zogenaamde Europees Nabuurschapsbeleid nooit uitgevoerd zoals we het nochtans zelf bedoeld hadden. De EU heeft haar eigen op waarden gebaseerde strategie genegeerd, ten voordele van korte termijn- maar helaas ook kortzichtige Realpolitik.

Stabiliteit

Het basisprincipe van de Europese Veiligheidsstrategie is dat echte stabiliteit alleen mogelijk is als een Staat zijn burgers veiligheid, welvaart en politieke vrijheid garandeert. In de Mediterrane regio is de EU echter in een valse stabiliteit beginnen geloven. De EU (en de VS) hebben elk regime ondersteund dat ons beleid ten aanzien van Israël en Palestina niet verstoorde en dat met ons wou samenwerken in de strijd tegen terrorisme en illegale migratie, en ons desgevallend energie wou verkopen. In ruil hebben we het binnenlands beleid van die regimes, hoe repressief ook, door de vingers gezien. De conditionaliteit waarop het Europees Nabuurschapsbeleid gebaseerd is (steun in ruil voor bevordering van de mensenrechten en de democratie) werd in praktijk zelden toegepast.

De EU heeft haar eigen op waarden gebaseerde strategie genegeerd, ten voordele van korte termijn- maar helaas ook kortzichtige Realpolitik.

Alle waarnemers wisten dat deze stabiliteit maar schijn was. De enorme kloof tussen de “haves” en de “have-nots” zou onvermijdelijk tot een uitbarsting leiden. Alleen was het niet te voorspellen wanneer, en in welk land eerst. Interne factoren zouden altijd bepalend geweest zijn, maar hadden we het Nabuurschapsbeleid uitgevoerd zoals voorzien, dan hadden we wellicht een vreedzame transitie kunnen versnellen. Nu er een omwenteling bezig is, eerder ondanks dan dankzij de EU, hebben we weinig geloofwaardigheid.

Strategische conclusies

De EU heeft nu echter de kans om beter te doen en haar strategie waar te maken. Drie strategische conclusies:

  1. De buurlanden die al democratisch waren of die het nu worden, verdienen onze daadwerkelijke steun, vooral qua investeringen. Grootschalige publieke infrastructuurwerken kunnen duurzame economische ontwikkeling genereren, komen zeker de bevolking (en niet alleen de elite) ten goede, en zijn ook in ons belang. De Verenigde Naties en de internationale financiële instellingen zijn de aangewezen partners. Een ernstig aanbod in deze zin zal veel meer impact hebben dan het aanbod om verkiezingen te helpen organiseren. Na enkele decennia van steun aan de lokale dictator, kan voor dat laatste moeilijk veel enthousiasme verwacht worden.
  2. Op de regimes die autoritair blijven, moeten we vanaf nu conditionaliteit echt toepassen. Dat betekent dat we met sommige landen slechte relaties zullen hebben. De EU is bereid geweest om die prijs te betalen in de relaties met bijvoorbeeld Wit-Rusland. Het is verre van duidelijk welk voordeel het ons heeft opgeleverd om dat niet te doen tegenover bijvoorbeeld Tunesië. Slechte relaties betekent niet geen relaties. Maar waar de mensenrechten niet gerespecteerd worden, moet de EU de nodige afstand bewaren en moet ze ook gezien worden als kritisch ten opzichte van het regime. Bij gebrek aan zichtbare diplomatieke actie in het verleden en, indien nodig, het opschorten van steun en samenwerking, heeft het Nabuurschapsbeleid in het zuiden alle geloofwaardigheid verloren.
  3. In de context van een gerevitaliseerd Nabuurschapsbeleid zijn er rode lijnen die als ze overschreden worden een sterke reactie vergen, met militaire middelen indien nodig, en altijd in partnerschap tussen beide oevers van de Middellandse Zee. De “harde” veiligheidsdimensie is noodzakelijk. Investeringen en democratisering maken immers weinig kans als er een burgeroorlog gaande is. Omgekeerd zijn militaire operaties echter zinloos, als ze niet deel uitmaken van een omvattende politieke strategie met een duidelijk einddoel.

De omwentelingen in onze zuidelijke buurlanden vormen een unieke kans om tot een echt partnerschap te komen. Ook al is de ervaring soms bitter en het effect aanvankelijk mogelijk gering, de EU moet nu het voortouw nemen en haar lange termijn strategie nieuw leven in blazen.

Prof. Dr. Sven Biscop is directeur van het “Europa in de Wereld” programma van Egmont – Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen in Brussel en doceert aan de Universiteit Gent en het Europacollege.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift