Loonmatiging is geen wondermiddel

Naar aanleiding van de onderhandelingen over een nieuw Interprofessioneel Akkoord weerklinkt wederom de roep om loonmatiging. Maar loonmatiging is geen nieuw idee, het werd al vroeger en elders in de praktijk gebracht en vaak onderzocht. Door de analyse van deze ervaringen kunnen we de gevolgen van zo’n beleid beter inschatten en uitkijken voor alternatieven. 

Het orthodoxe denken in vraag gesteld

De klassieke redenering gaat als volgt: de hoge Belgische lonen duwen de prijzen van onze producten de hoogte in waardoor onze exportpositie in het gedrang komt. Dit heeft een negatieve weerslag op de werkgelegenheid en de algemene gezondheid van onze economie. Loonmatiging zou dus zowel de export als de werkgelegenheid ten goede komen.

Verschillende onderzoeken naar het loonmatigingsbeleid stellen deze redenering echter in vraag. Ten eerste blijkt loonmatiging geen garantie voor een verbeterde exportpositie. De hoogte van de loonkost is namelijk maar één element dat de exportprijzen van onze producten beïnvloedt. Infrastructuur, productiviteit van de werknemers, wisselkoersen en de efficiëntie van het productieproces zijn maar een paar voorbeelden van andere beslissende factoren voor onze concurrentiepositie. De exportpositie van landen met een hoogtechnologisch profiel wordt nauwelijks beïnvloed door de loonkost. Ook Nederland werd geconfronteerd met een slechtere exportpositie ondanks — of net als gevolg van — hun loonmatigingsbeleid.

Ten tweede kan men ook de positieve invloed van loonmatiging op de werkgelegenheid betwijfelen. Uit een recente studie van Paul Van Rompuy blijkt dat loonmatiging in België eerder zou leiden tot jobverlies. Bovendien bewees een Nederlandse studie naar de kwaliteit van de gecreëerde jobs, dat het veelal gaat om arbeidsplaatsen met slechte loonsvoorwaarden, precaire contracten en flexibele uren. Ook de huidige situatie in Duitsland bewijst dat loonmatiging leidt tot ondermaatse arbeidsplaatsen.

Ten derde zal loonmatiging de druk op de koopkracht van kwetsbare groepen verhogen. Wat naast economische ook verregaande maatschappelijke en sociale gevolgen heeft.

Loonmatiging en zijn bijwerkingen

Loonmatiging is dus geen garantie voor een verbeterde exportpositie en een hogere werkgelegenheid. Het heeft ook andere nefaste bijwerking. Zo bewees de Nederlandse econoom Kleinknecht dat lagere lonen op verschillende manieren negatief zijn voor de innovativiteit en de productiviteit. Door de lagere loonkost zijn ondernemers minder geneigd te investeren in nieuwe producten en innovatieve productieprocessen. Ze kunnen namelijk door de lage loonkost produceren aan een lage prijs. België moet niet voor een ‘Aldi-beleid’ kiezen (lage kosten, lage prijzen), maar een ‘Delhaize-beleid’. We moeten focussen op nieuwe, kwalitatieve producten die aan een hogere prijs verkocht kunnen worden. Loonmatiging dreigt het innovatiebeleid te ondermijnen en daarmee toekomst van de Belgische economie. De gevolgen worden sprekend verwoord door Van Schaik: als loonmatiging doorgevoerd wordt, “dan worden we, met enige overdrijving, het schoonmaakbedrijf van Europa”.

België moet niet voor een ‘Aldi-beleid’ kiezen (lage kosten, lage prijzen), maar een ‘Delhaize-beleid’. We moeten focussen op nieuwe, kwalitatieve producten die aan een hogere prijs verkocht kunnen worden.
Vanuit een nationaal economisch standpunt lijkt een loonmatigingbeleid dus niet zaligmakend, maar ook op internationaal vlak zijn er grote risico’s. Ten eerste is er een risico op een neerwaartse spiraal. Als een Europees land, in dit geval Duitsland, begint met loonmatiging, zijn al zijn belangrijkste handelspartners bijna verplicht om te volgen. Elk land is gedwongen zijn eigen loonsvoorwaarden naar beneden bij te stellen om zijn internationale concurrentiepositie veilig te stellen. Daarnaast wordt bij loonmatiging de interne markt verwaarloosd. Een stuk van de interne koopkracht wordt opgeofferd voor een betere exportpositie. Als andere landen hetzelfde beleid voeren daalt ook in het buitenland de koopkracht en stijgt de export niet. Zo is het Duitse exportsucces deels te wijten aan een verhoogde vraag van de nieuwe Europese landen. Indien alle landen lonen matigen, valt deze vraag weg.

We moeten positieve concurrentie stimuleren. Concurrentie op vlak van kwaliteit, innovativiteit en efficiëntie. Deze vergroot de koek, ze verheft de economie en de maatschappij naar een hoger niveau omdat innovatieve producten voor relatief hogere prijzen verkocht kunnen worden waardoor zowel de hogere lonen als de hogere investeringen ruimschoots gecompenseerd kunnen worden. De loondiscussie moet bijgevolg niet gericht zijn op de competitiviteit van de lonen maar op de evolutie van de productiviteit en de innovativiteit. Deze vormen wel een stabiele basis voor een goede exportpositie.

Geen loonmatiging maar Europese coördinatie van de loonsevolutie

Alle Europese landen erkenden de gevaren van concurrentie op loonsvoorwaarden en hebben daarom nationale structuren gecreëerd die de loonsevolutie coördineerden. In België bestaan hiervoor sectorale en nationale cao’s. We moeten het ‘Delhaize-beleid’ doortrekken naar het Europees niveau door ook hier de loonevolutie te coördineren. Coördinatie is in het belang van alle Europeanen, werkgevers en werknemers. Dit vergt echter een lange termijnperspectief, Europese samenwerking en solidariteit.  

Stan De Spiegelaere is politicoloog en master in de arbeidswetenschappen. Momenteel doctoreert hij  aan het HIVA (KULeuven). Daarnaast schrijft hij bijdragen voor Poliargus. Deze bijdrage is in eigen naam geschreven.

Deze tekst werd eerder op deredactie.be gepubliceerd

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift