Met zijn “Jaarrapport van de Ontwikkelingssamenwerking 2013” heeft 11.11.11. een kans gemist

Ach, goede vrienden van 11.11.11, wat is dit “Jaarrapport van de Ontwikkelingssamenwerking 2013” een gemiste kans! Over de OESO lees ik op p 10: “Opvallend is dat er geen breed debat is over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking.” Inderdaad. Maar terwijl ons dat van de OESO niet verwondert is dit nu net wel wat we verwachten van een 11.11.11-rapport… Helaas dat is niet wat we krijgen.

Marcus Leroy

Ik beperk me tot drie punten, naast vele andere waar ik wegens plaatsgebrek aan voorbij ga.

Argeloos volgt 11.11.11 het denkspoor van de officiële donoren die de uitvinders en verdedigers zijn van het begrip ODA.

1. Waarom toch blijft 11.11.11 de “Officiële ontwikkelingshulp” (ODA) op de piëdestal plaatsen waar het een halve eeuw geleden werd opgezet en waar het, onverdiend, nog steeds staat? De Belgische hulp daalt en de Europese hulp stijgt lang niet snel genoeg: dat is, in één zin, de essentie van het rapport. Alsof dat de hoofdzaak is.

Argeloos volgt 11.11.11 het denkspoor van de officiële donoren die de uitvinders en verdedigers zijn van het begrip ODA. De complexe, dialectische relatie tussen inspanningen voor ontwikkeling en hun effect wordt daarmee gereduceerd tot één indicator, de input van geld. Hoe meer geld hoe beter; dat is de logica. Of, met een metafoor, de landbouwer wordt geëvalueerd op één factor, de hoeveelheid meststoffen die hij gebruikt. Of er daardoor ook meer en betere productie is, is irrelevant.

Toegegeven, het rapport heeft het ook over institutionele en organisatorische veranderingen: de Verklaring van Parijs, een nieuwe wet, een nieuw beheerscontract, een vernieuwd BIO, nieuwe strategienota’s. Maar ook dat is niets meer dan gesleutel aan de inputzijde of, in de metafoor, tegemoet komen aan de vraag of de boer zijn meststoffen wel op een efficiënte manier uitstrooit. Over het effect op het bereiken van de doelstelling, geen woord.

Is het 11.11.11 dan ontgaan dat de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Parijs geen enkel aantoonbaar effect heeft op echte hulpdoeltreffendheid d.w.z. op de mate waarin hulp effectief bijdraagt aan ontwikkeling? Hebben we niet voldoende ervaring om te weten dat voor nieuwe wetten, beheerscontracten en strategienota’s hetzelfde zal gelden ?

In zijn pleidooi voor hogere hulpbudgetten is het rapport trouwens in tegenspraak met zichzelf. Terwijl bestedingsdruk wordt aangeklaagd (p 27 en 28) lijkt 11.11.11 vergeten te zijn hoe in de jaren van stijgende hulpbudgetten programma’s vaak ontworpen werden met als hoofdbekommernis om snel geld uit te geven en hoe, elk jaar vanaf september, beambten onder druk werden gezet om vooral snel hun budget te besteden. Hoe hoger het budget hoe meer bestedingsdruk.

Negatieve insinuaties in het rapport zijn subtiel maar daarom niet minder sprekend.

2. Waar vandaan toch dat wantrouwen voor de private sector? Negatieve insinuaties in het rapport zijn subtiel maar daarom niet minder sprekend. “Ten slotte doet het toegenomen gebruik van hulp ter ondersteuning van de private sector vragen rijzen over de rol van die sector in ontwikkeling,” luidt het op p 24. En “private bedrijven kunnen […] publieke dienstverlening niet vervangen.” Natuurlijk niet, denkt men dan, dat is ook hun functie niet. Maar er is toch meer dan voldoende bewijsmateriaal over de cruciale rol die de private sector gespeeld heeft in het ontwikkelingsproces in tal van landen. Waarom dan die angst? Waarom zou 11.11.11 de private sector niet aanmoedigen om die rol te blijven spelen en, tezelfdertijd, in dialoog, bewaker zijn van de billijkheid en de ethische normen die daarbij gehanteerd moeten worden?

3. Het rapport staat, terecht, stil bij de hervorming van BIO. Maar het gaat voorbij aan de enige vraag die er echt toe doet: hebben wij BIO wel nodig? Is er behoefte aan een financieringsinstelling, een dwergje op het wereldtoneel, die te klein is om topdeskundigheid bijeen te brengen en, zoals het rapport zegt (p 26) moeilijk anders kan dan vooral werken via gespecialiseerde intermediairs waar het te klein is om enige rol van betekenis te kunnen spelen. Het is daarom zeer de vraag of het “interessant [zou] zijn voor BIO om zelf innovatieve fondsen op te richten en te tonen hoe het anders kan.” (p 26).

Telt de Belgische “aid industry” niet al meer dan voldoende instellingen?

Telt de Belgische “aid industry” niet al meer dan voldoende instellingen? Zou het niet efficiënter zijn als de overheid zou ophouden met zelf ‘bankiertje te spelen’ en daarentegen bestaande instellingen – openbare en private, investeringsmaatschappijen en banken – zou aanmoedigen om te investeren in ontwikkelingsrelevante initiatieven, terwijl de overheid zich beperkt tot de rol van facilitator, begeleider en bewaker van noodzakelijke ethische beginselen?

Is dit rapport alleen maar een gemiste kans of, in feite, een pleidooi pro domo van een afdeling van de “aid industry”? Laat ik het welwillend op het eerste houden en hopen dat 11.11.11 volgende keer de stap durft te zetten weg van de traditionele ontwikkelingshulp en samen met onze partners op weg gaan naar good global citizenship.

Marcus Leroy (°1946) in onafhankelijk expert in ontwikkelingsvraagstukken en bekleedde gedurende 35 jaar leidende posities in de Belgische ontwikkelingssamenwerking in Rwanda, Indonesië, Zaïre/Congo, zuidelijk Afrika, Vietnam, Cambodja, de Filipijnen en bij de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de VN in New York.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift