Afghanistan verdient beter

Militair tromgeroffel, diplomatieke afwezigheid

Sinds de regering Leterme begin 2008 besloot om de Belgische deelname aan de Navo-missie in Afghanistan op te schroeven door ook F-16’s naar Kandahar te sturen, heeft die oorlog de Belgische schatkist zeker 450 miljoen euro gekost. Als we er de eerste jaren van de deelname aan de International Security Assistance Force en de vooropgestelde vermindering van het troepenaantal de volgende drie jaar bij tellen, zal de factuur voor het hele Afghanistan-avontuur van de Belgische strijdkrachten niet ver van het miljard euro landen. Het resultaat is een land in oorlog, een Afghaanse economie die voor de helft draait op illegale drugshandel, een corrupte overheid, een gedestabiliseerde regio, en een onverstoorbare militaire propaganda die dat alles staalhard ontkent. Men zou dan ook verwachten dat de Afghanistanmissie het voorwerp vormt van een grondig debat bij de gesprekken over het vormen van een nieuwe regering die zwaar moet snoeien in de overheidsuitgaven en die zich ook zou moeten bekommeren over de rol die België in de grote buitenwereld wil spelen. Van een dergelijk debat is echter niets te merken.

De CD&V levert in de huidige regering, die al zolang in lopende zaken is dat ze een baard heeft waarmee ze ongemerkt door de Afghaanse bergen kan trekken, zowel de minister van Defensie als de minister van Buitenlandse Zaken. De chrtistendemocraten zijn dan ook bij uitstek de partij die het debat over Afghanistan zou moeten aantrekken en funderen vanuit haar personalistische ethiek. Wie in de communicatie van de CD&V of op de websites van haar betrokken ministers gaat speuren naar standpunten, toekomstperspectieven of betrouwbare informatie is er echter aan voor de moeite. ‘Volg de onderhandelingen op de voet’, zegt de website van CD&V. Klik je op die hyperlink, dan krijg je een opsomming van de communautaire standpunten en vermeende overwinningen van de partij. Géén sociaal-economische standpunten. Géén internationale ambities. En volledige stilte over de inzet van honderden miljoenen euros en honderden Belgische militairen in Afghanistan. Tot zover de partij die het verschil zou kunnen maken.

Afwezig in Istanboel

De voorbije week waren er twee Afghanistan-gerelateerde onderwerpen die de Vlaamse kranten haalden: een grootschalige zelfmoordaanslag in Kaboel waarbij opvallend veel Navo-slachtoffers vielen en een Belgische soldaat die stomweg lichtgewond geraakte zonder dat er een vijand in de buurt was. Dat er diezelfde week ook een belangwekkende vergadering in Istanbul plaatsvond, was zelfs geen berichtje waard.

Op 2 november vergaderden Afghanistan en 12 landen van de ruime regio in Istanbul om –in de context van de terugtrekking van westerse troepen tegen 2014– afspraken te maken voor een veilig en stabiel Afghanistan. In de slotverklaring staat een serie mooie principes van wederzijds respect voor ieders nationale soevereiniteit en integriteit. Daarnaast is er veel aandacht voor regionale samenwerking tegen drugsproductie en –handel, en tegen ‘terrorisme, extremisme en separatisme’. De belangrijkste verworvenheid van deze Istanbul Conference for Afghanistan: Security & Cooperation at the Heart of Asia moet niet gezocht worden in de tekst of tussen de lijnen van die tekst, maar is het feit dat de conferentie plaatsvond, stelde een Amerikaanse diplomaat die als waarnemer deelnam aan de conferentie.

Er waren wel meer “waarnemende landen” in Istanbul: Australië, Canada, Egypte, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan, Noorwegen, Polen, Spanje, Zweden, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. België was afwezig. Dat valt des te meer op omdat de regering in lopende zaken wél een voortrekkersrol kan spelen als het om de inzet van militaire middelen (in Libië) gaat.

Misschien heeft dat te maken met het verschil in politieke ambitie tussen de partijgenoten De Crem en Vanackere, waarbij de eerste internationaal wil scoren en de tweede vooral geen potten wil breken. Ofwel gaat het om een politieke keuze van ons land, waarbij de inzet van diplomatieke middelen gemakshalve overgelaten wordt aan de internationale instellingen waarvan we lid zijn, terwijl de inzet van militaire middelen met veel zichtbaarheid gepromoveerd wordt tot een zaak van nationale trots. Over zo’n politieke keuze moet het parlement kunnen debatteren, want ze bepaalt voor jaren het imago van België in het buitenland. En het publiek zou ze moeten kunnen vaststellen en in vraag stellen, maar daarvoor is een berichtgeving nodig die verder kijkt dan de propaganda van Defensie toelaat. Al heeft Defensie vandaag natuurlijk meer aan de heldenverhalen van de piloten die Libië gebombardeerd hebben. Tot nader order lijkt dat een succesverhaal, wat onder geen beding van de jarenlange aanwezigheid in Afghanistan gezegd kan worden.

Een Afghanistanbeleid? Que?

De huidige regering van lopende zaken plant de terugtrekking van de Belgische soldaten in een traject dat parallel loopt met de Amerikaanse terugtrekking, zoals beloofd door president Obama. Er is een scenario dat onze jongens en meisjes eerst de luchthaven van Kaboel zullen verlaten, daarna de opdrachten in Kunduz afronden om ten slotte ook het F-16 team uit Kandahar weg te halen. Een ander scenario voorziet ook dat de beveiliging van de luchtmachtbasis bij Kabul International Airport overgedragen wordt aan Afghaanse troepen, waarna de Belgische aanwezigheid zich zou gaan concentreren in Kunduz –maar dat is onder andere afhankelijk van de plannen die Duitsland heeft.

Dat alles, natuurlijk, op voorwaarde dat “de toestand het toelaat”, zoals de Amerikaanse president het graag in de voorwaardelijke wijs houdt. En wellicht ook in zoverre het Amerikaanse beleid niet verandert na de verkiezingen van eind 2012. Maar heeft België daarmee een Afghanistanbeleid? Eindigt onze verantwoordelijkheid bij het onderschrijven van Amerikaanse aanvals- of terugtrekkingsplannen? We mogen hopen dat de zes partijen die rond de tafel zitten om een Belgische regering te vormen ook met een Belgische visie op dat heikele probleem naar buiten komen. En we moeten vragen dat die visie ruimer is dan militair, want als Afghanistan de voorbije tien jaar iéts bewezen heeft, dan is het dat militaire middelen op zijn best ontoereikend en in dit geval duidelijk schadelijk zijn voor de Europese belangen in de wereld.

Blijvend engagement

De eerste vereiste voor een toekomstgericht Afghanistanbeleid is niet een schema van terugtrekking, maar een strategie van blijvend engagement. Als de Afghanen en de buren van Afghanistan niet verzekerd zijn van blijvende Europese steun voor economische heropbouw en maatschappelijk herstel, dan zullen zij de aankondiging van de militaire aftocht ervaren verraad. Rijke landen die tien jaar lang oorlog kwamen voeren op Afghaans grondgebied, en daarvoor astronomische sommen vrijmaakten, zouden minstens voor de komende tien jaar een civiele strategie moeten afspreken met Afghaanse verkozenen en vertegenwoordigers. Dat hoeft de Amerikaanse schatkist geen 119 miljard dollar en de Belgische schatkist geen 113 miljoen euro kosten, zoals de militaire operatie in 2011. Maar het mag ook geen aalmoes zijn die aan veel strengere voorwaarden dan de militaire inzet onderworpen zal worden. Een blijvend engagement is niet hetzelfde als het land onder civiele curatele plaatsen in plaats van onder militaire bezetting, het is lettelijk een engagement, een verbintenis tussen meerdere partners, waarvan de Afghaanse staat en zijn burgers de belangrijkste zijn.

De tweede vereiste is natuurlijk wel de terugtrekking van troepen die vaak ervaren worden als bezetters of ten minste als problematisch voor de nationale soevereiniteit en de culturele waardigheid. Om die terugtrekking niet in de voorspelde burgeroorlog te laten eindigen, is de medewerking van de regionale machten en buurlanden nodig. De bereidheid van de landen in de regio om constructief bij te dragen tot stabiliteit, veiligheid en ontwikkeling van Afghanistan zal mede afhangen van de manier waarop Europese landen zorg dragen voor de bezorgdheden en belangen van die buurlanden. Investeren in vertrouwen en dialoog is vreemd genoeg vaak een moeilijkere politieke keuze dan investeren in militaire interventie.

Toch zou de nieuwe Belgische regering daarin het voortouw kunnen nemen en internationaal een duidelijk signaal kunnen geven dat wij niet enkel een “betrouwbaar bondgenoot” zijn van het Pentagon, maar ook van de burgerregeringen in Zuid- en Centraal-Azië. En dat we daarvoor ook de middelen willen voorzien. Dat veronderstelt wel een zichtbare aanweigheid en steun als die buurlanden een stap vooruit willen zetten. De conferentie in Istanbul was in die zin een gigantische gemiste kans, voor de Belgische politiek én voor de Belgische burgers die eerlijk bezorgd zijn voor het welzijn van Abdullah-met-de-pakol of Razia-met-of-zonder-boerka.

Gie Goris publiceerde onlangs Opstandland. De strijd om Afghanistan, Pakistan en Kasjmir.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur