Noam Chomsky over humanitaire interventie

Humanitaire organisaties en mensenrechtenbewegingen zijn blij dat de Verenigde Naties de plicht erkennen om mensen en bevolkingen te beschermen tegen hun eigen overheden, desnoods door militair tussen te komen. Noam Chomsky, een van de intellectuele boegbeelden van andersglobalisten, huivert als de Navo met de vlag van de goede bedoelingen zwaait.
De Koude Oorlog leverde een vanzelfsprekende rechtvaardiging voor elk gebruik van macht en terreur, subversie en economische wurging door het Westen: alles gebeurde om ons te verdedigen tegen wat John F. Kennedy de ‘monolithische en meedogenloze samenzwering’ van het Kremlin noemde. Die samenzwering gold zonder meer als een kwade kracht die haar brutale greep op de hele wereld wou vestigen. Zolang de Sovjetunie bestond, was elke interventie verdedigbaar, ongeacht de feiten. Maar met het verdwijnen van de Sovjetunie moest het beleid aangepast worden, ofwel moest er werk gemaakt worden van nieuwe argumenten. Het werd al snel duidelijk welke weg ingeslagen werd.
Het einde van de Koude Oorlog betekende het begin van een indrukwekkende stroom rethoriek die de wereld verzekerde dat het Westen voortaan de handen vrij had om zijn aloude toewijding aan vrijheid, democratie, rechtvaardigheid en mensenrechten na te streven, ongehinderd door de rivaliteit tussen de grootmachten. Al waren er ook tegenstemmen –“realisten” genoemd in de theorie over internationale verhoudingen– die waarschuwden dat we misschien te ver gingen door ‘het idealisme een bijna exclusieve greep op onze buitenlandse politiek te geven.’ Het duurde niet lang eer begrippen als “humanitaire interventie” en “de verantwoordelijkheid om te beschermen” opvallende kenmerken werden van het westerse discours, vaak omschreven als de “nieuwe normen” in internationale relaties.
Het millennium werd afgesloten met een uitzonderlijk vertoon van zelfbehagen van de kant van westerse intellectuelen, overweldigd door de aanblik van ‘een idealistische nieuwe wereld die een einde wou maken aan onmenselijkheid’ en die een begin gemaakt had aan “een nobele fase” van het Amerikaanse buitenlandbeleid met “een gloed van heiligheid” nu voor het eerst in de geschiedenis een staat zich wijdde aan “principes en waarden” en handelde vanuit “altruisme” en “morele overtuiging”, een staat die alleen stond als leider van “verlichte staten” en daardoor vrij was geweld te gebruiken als zijn leiders “het gerechtvaardigd vonden” –om een klein aantal voorbeelden te citeren van wat gerespecteerde, vooruitstrevende auteurs schreven in die tijd.
***
De doctrine van de humanitaire interventie werd in 1999 welsprekend verwoord door de voegere Tjechische president Vaclav Havel, toen het bombarderen van Servië eindigde. Het vooraanstaande intellectuele magazine, de links-vooruitstrevende New York Review, deed een beroep op Havel voor ‘een weloverwogen uitleg’ waarom de Navobombardementen gesteund moesten worden. Het publiceerde daarvoor de toespraak die Havel in het Canadese parlement hield op 10 juni 1999: Kosovo and the End of the Nation-State.
Havel, stelt de Review vast, ziet ‘de oorlog in Joegoslavië als een mijlpaal in de internationale verhoudingen: voor de eerste keer komen de mensenrechten van een volk –de Kosovaarse Albanezen– op de eerste plaats.’ De toespraak van Havel opent inderdaad met het beklemtonen van het uitzonderlijk belang van de interventie in Kosovo omdat ze er misschien voor zorgt dat een periode van ware verlichting aanbreekt waarin we ‘het einde meemaken van de natiestaat’, een periode waarin die natiestaat niet langer ‘het hoogtepunt is van de geschiedenis van elke nationale gemeenschap en tegelijk haar hoogste wereldse waarde’, zoals het in het verleden wel het geval was. De interventie in Kosovo toonde volgens Havel aan dat ‘de verlichte inspanningen van generaties van democraten, de vreselijke ervaring van twee wereldoorlogen en de evolutie van de beschaving de mensheid eindelijk tot de erkeninng gebracht hebben dat mensen belangrijker zijn dan de staat.’
Havels “weloverwogen uitleg” van de rechtvaardigheid van de bombardementen leest als volgt: ‘Er is een zaak die door geen enkele redelijke persoon ontkend kan worden: dit is wellicht de eerste oorlog die niet in de naam van “nationale belangen” gevoerd is, maar in de naam van principes en waarden… [De Navo] vecht uit bezorgheid over het lot van anderen. Ze vecht omdat geen enkele waardige persoon aan de kant kan blijven staan en de systematische, door de staat gestuurde moord op een ander volk kan aanzien… De alliantie heeft gehandeld uit respect voor de mensenrechten, zoals gedicteerd door zowel het geweten als door wettelijke documenten. Dit is een belangrijk precedent voor de toekomst. Er is nu duidelijk gezegd dat het ontoelaatbaar is mensen te vermoorden, hen uit hun huizen te drijven, hen te folteren en hun eigendommen in beslag te nemen.’
***
Westerse documentatie onthult dat Kosovo een smerige plek was voor de bombardementen –al viel dat naar internationale standaarden gemeten nogal mee. Zo’n 2000 mensen werden vermoord tijdens het jaar voor de Navo-bombardementen. De wreedheden werden begaan door de guerrilleros van het UÇK die aanvielen vanuit Albanië en de veiligheidstroepen van de voormalige Joegoslavische Republiek. Een OVSE-rapport vat de situatie accuraat samen: de cyclus van confrontatie kan over het algemeen omschreven worden als UÇK-aanvallen op Servische politie en burgers, een onevenredige respons door de autoriteiten van de voormalige Joegoslavische Republiek, waarop hernieuwde UÇK actie volgt.
De Britse regering –de ergste havik in de alliantie– schrijft het grootste deel van de wreedheden in de relevante periode toe aan het UÇK, dat in 1998 overigens door de VS veroordeeld werd als een terroristische organisatie. Op 24 maart 1999, toen de bombardementen begonnen, liet de Britse minister van Defensie George Robertson, later Navo Secretaris-Generaal, weten aan het House of Commons dat het UÇK tot januari 1999 ‘verantwoordelijk was voor meer doden in Kosovo dan de Servische autoriteiten.’
Rapporten van de VS-inlichtingendiensten meldden dat het UÇK ‘de bedoeling had de Navo te betrekken in zijn strijd voor onafhankelijkheid door de Servische autoriteiten te provoceren.’ Richard Holbrook, destijds VS-ambassadeur bij de Verenigde Naties, voegde daar aan toe dat het UÇK zich bewapende en ‘zeer provocatieve stappen ondernam in een proging het Westen in de crisis in te zuigen’, hopende op een brutale Servische reactie. UÇK-leider Hashim Thaci, op dit moment eerste minister van Kosovo, zei tegen onderzoekers van de BBC dat telkens het UÇK Servische politiemensen vermoordde, ze ‘zich ervan bewust waren dat ze daardoor ook burgerlevens, veel levens, in gevaar brachten’, maar dat de voorspelbare Servische wraak de acties de moeite waard maakten. Een van de topbevelhebbers van het UÇK, Agim Ceku, pochte zelfs dat het UÇK deelde in de overwinning want dat ‘uiteindelijk het UÇK de Navo naar Kosovo gebracht had’ door acties uit te voeren om een gewelddadige vergelding uit te lokken.
***
Er is heel wat gespeculeerd over de ware redenen voor de Navo-bombardementen. De zeer gerespecteerde militaire historicus Andrew Basevich wijst alle humanitaire claims af en beweert dat de bombardementen op Servië, samen met de interventie in Bosnië, bedoeld waren om ‘de cohesie van de Navo en de credibiliteit van de Amerikaanse macht’ te verzekeren en om ‘de Amerikaanse suprematie in Europa te behouden’. Een andere gerespecteerde analist, Michael Lind, schrijft dat ‘een van de bvoornaamste strategische doelstellingen van de Kosovo-oorlog erin bestond Duitsland gerust te stellen zodat het geen defensiebeleid los van de door de VS gedomineerde Navo-alliantie zou ontwikkelen’. Geen van beide auteurs levert een duidelijke grond voor zijn conclusies.
Er bestaat nochtans bewijsmateriaal, afkomstig van het hoogste niveau van de regering Clinton. Strobe Talbott, die verantwoordelijk was voor de diplomatie tijdens de oorlog, schreef een Voorwoord in een boek dat zijn collega John Norris schreef over de oorlog. Talbott stelt daarin dat wie wil weten ‘hoe de gebeurtenissen er op dat moment uitzagen en hoe ze aanvoelden voor degenen die erbij betrokken waren’, terecht kan bij het relaas van Norris. Dat is volgens hem geschreven met ‘een directheid die alleen geleverd kan worden door iemand die ooggetuige was bij een groot deel van de actie, die veel van de deelnemers lang en breed geïnterviewd heeft op een moment dat de herinneringen nog vers waren, en die toegang had tot een groot deel van de diplomatieke verslagen.’
Volgens Norris wordt ‘de Navo-oorlog het best verklaard door Joegoslaviës verzet tegen de bredere trends van politieke en economische hervormingen –niet door het lijden van de Kosovaarse Albanezen.’ Deze bevestiging, door een stem uit de hoogste regionen, dat de echte redenen voor de bombardementen lag in het feit dat Joegoslavië als een eenzame uitpost in de weg stond voor de politieke en economische programma’s van de regering Clinton en haar bondgenoten, wordt wel geweerd uit de canon van verklaringen.
De nieuwe norm van de humanitaire interventie mag dan ineenzakken bij grondig onderzoek, er blijft het residu van de “verantwoordelijkheid om te beschermen”. Roger Cohen, commentator bij de International Herald Tribune, applaudiseert op 20 februari 2008 de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo met de bedenking dat ‘op een dieper niveau, het verhaal van het kleine Kosovo het verhaal is van de veranderende noties van souvereiniteit en het openbreken van de wereld.’ De Navo-bombardementen bewezen volgens hem dat ‘mensenrechten belangrijker waren dan de smalle aanspraken op staatssouvereiniteit.’
Die verworvenheid, vervolgt Cohen, werd onderschreven door de World Summit van 2005, die de “verantwoordelijkheid om te beschermen” –gekend als R2P– aannam en die ‘een formeel karakter gaf aan de overtuiging dat de internationale gemeenschap de plicht heeft tussen te komen indien een staat in de onmogelijkheid verkeert of niet bereid is om zijn bevolking te beschermen, of wanneer er misdaden tegen de menselijkheid plaatsvinden. Indien nodig en als laatste toevlucht, moet zo’n interventie ook met militaire middelen.’
Het onafhankelijke Kosovo, erkend door de voornaamste westerse landen, is in die zin, volgens Cohen, ‘de eerste belangrijke vrucht van de ideeën achter het R2P.’ Cohen besluit: ‘Het openbreken van de wereld is een werk van lange duur, maar van Kosovo tot Cuba gaat het zijn gang.’ Volgens Michael Glennon, professor internationaal recht, illustreert ‘de crisis in Kosovo de Amerikaanse bereidheid om te doen wat men juist vindt, ongeacht de internationale wetten’, al werd dat internationaal recht met enkele jaren vertaging wel in overeenstemming gebracht met de positie van de “verlichte staten” door het R2P te stemmen.
***
Al is er ook hier een probleempje: die vervelende feiten. De VN World Summit van september 2005 verwierp de aanspraak van de Navo-machten dat ze het recht hebben om geweld te gebruiken voor de zogezegde verdediging van de mensenrechten. De Summit herbevestigde zelfs ‘dat de relevante voorzieningen van het VN Charter [die de Navo-acties expliciet verbieden] volstaan om te reageren op het volledige gamma bedreigen voor de internationale vrede en veiligheid.’ Verder bevestigde de Summit ‘het gezag van de Veiligheidsraad om dwangmaatregelen te nemen om internationale vrede en veiligheid te behouden en te herstellen … in overeenstemming met de relevante voorzieningen van het Charter’ en de rol van de Algemene Vergadering in dit verband, ook ‘in overeenstemming met de relevante voorzieningen in het Charter’. Zonder machtiging van de Veiligheidsraad had de Navo dus niet meer recht om Servië te bombarderen dan Saddam Hussein had om Koeweit te “bevrijden”. De World Summit voorzag geen enkel nieuw “recht op interventie” voor individuele staten of regionale allianties, ongeacht of de voorgewende redenen daartoe al of niet humanitair zijn.
De Summit bekrachtigde de conclusies van een high-level UN Panel in december 2004, waaraan ook prominente westerse personaliteiten zoals Gro Harlem Brundlandt, Robert Badinter, Brent Scowcroft en Gareth Evans deelnamen. Het Panel bevestigde de principes van het VN Charter in verband met het gebruik van geweld: dat kan enkel wettelijk indien de Veiligheidsraad het machtigt, of onder Artikel 51, als verdediging tegen een gewapende aanval in afwachting van een optreden van de Veiligheidsraad. Elke andere toevlucht tot geweld is een oorlogsmisdaad en zelfs de “opperste internationale misdaad” die al het kwaad dat erop volgt inhoudt -om de woorden van het Nürenburg Tribunaal te lenen.
Het Panel concludeerde dat ‘Artikel 51 geen behoefte heeft aan uitbreiding of beperking van zijn reikwijdte… Het moet dus niet herschreven noch geherinterpreteerd worden.’ En blijkbaar met Kosovo in gedachten, voegde het Panel daar aan toe dat ‘voor degenen die ongeduldig worden van zo’n respons, het antwoord moet zijn dat –in een wereld vol van mogelijke bedreigingen– het risico voor de wereldorde en de norm van niet-interventie waarop die gebaseerd blijft gewoonweg veel te groot is om de legaliteit van unilaterale preventieve actie –in tegenstelling tot collectief aanvaarde actie– te aanvaarden. Eén land toestaan op die manier te handelen, is een vrijbrief voor allen.’ Je kan je moeilijk een meer expliciete verwerping voorstellen van de positie van de zefverklaarde “verlichte staten”.
Het Panel én de World Summit steunden de positie van de niet-westerse wereld, die het zogenaamde recht op humanitaire interventie zonder omwegen verworpen had in de Declaration of the South Summit in 2000 –ongetwijfeld met de recente bombardementen op Servië in gedachten. Deze South Summit was de belangrijkste bijeenkomst van de voormalige ongebonden beweging die samen 80 procent van de wereldbevolking vertegenwoordigt. De Top werd bijna unaniem genegeerd en als er al melding gemaakt werd van het standpunt over humanitaire interventie, dan was de reactie bijna hysterisch. Brendan Simms, prof internationale relaties aan Cambridge University, schreef verontwaardigd in het Times Higher Education Supplement van 25 mei 2001 over de ‘bizarre enn kritiekloze eerbied voor de uitspraken van de zogenaamde South Summit G-77 –in Havana!– een onbesuisde bende waarin moordenaars, folteraars en rovers opvallend goed vertegenwoordigd zijn.’
***
Bestaat humanitaire interventie eigenlijk wel? Er is in elk geval geen gebrek aan bewijzen voor het bestaan ervan. Om te beginnen zijn er de verklaringen van politieke leiders. Zowat elke toevlucht tot geweld wordt gerechtvaardigd door hoogdravende rethoriek over humanitaire intenties. Uit interne Japanse overheidsdocumenten leren we dat Japan in de jaren 1940 een aards paradijs wou creëren in onafhankelijk Mantsjoerije en Noord-China, en dat het keizerrijk onzelfzuchtig bloed en rijkdom opofferde om de bevolking daar te verdedigen tegen de Chinese “bandieten” die hen terroriseerden.
Misschien was zelfs de Japanse keizer Hirohito oprecht toen hij in zijn overgavedocument in augustus 1945 stelde dat ‘We de oorlog verklaarden aan Amerika en Brittannië vanuit Ons welgemeend verlangen naar Japans zelfbehoud en de stabilisering van Oost-Azië. Het was ver van Onze gedachten om de souvereiniteit van andere naties te schenden of aan territoriale uitbreiding te doen.’ Hitlers uitspraken waren niet minder nobel toen hij Tsjechoslowakije verscheurde –en die uitspraken werden door westerse leiders voor waar aangenomen. Sumner Wells, een vertrouweling van president Roosevelt, informeerde de president dat de Overeenkomst van Munchen ‘de mogelijkheid presenteerde aan de naties van de wereld om een nieuwe wereldorde te installeren op basis van rechtvaardigheid en recht’, waarbij de “gematigde Nazis” een leidende rol zouden spelen.
Een tweede categorie bewijzen wordt gevonden in militaire interventies die weldoende effecten hadden, ongeacht hun beginintentie –al zijn dat dus niet echt humanitaire interventies, ze komen toch in de buurt. De belangrijkste voorbeelden hiervan uit de naoorlogse periode zijn de Indiase invasie van Oost-Pakistan (nu Bangladesh) in 1971 waardoor een enorme slachting beëindigd werd en de Vietnamese invasie van Cambodja in december 1978 waardoor de Rode Khmers verdreven werden op het moment dat hun gruweldaden piekten.
Deze interventies komen echter niet voor in de canon omdat ze niet uitgevoerd werden door het Westen en dus niet nuttig zijn als argument voor het recht van het Westen om geweld te gebruiken tegen de regels van het VN Charter in. Beide interventies werden zelfs actief bestreden door “de idealistische nieuwe wereld die uit is op het beëindigen van onmenselijkheid”. De VS stuurden oorlogsbodems naar Indiase wateren om de ketters te waarschuwen, en Vietnam kreeg een Chinese invasie –gesteund door de VS– over zich heen als straf voor het stoppen van Pol Pots misdaden. De Rode Khmers konden trouwens meteen rekenen op diplomatieke en militaire steun van de VS en Groot-Brittannië.
Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gaf zelfs een verklaring voor zijn steun aan zowel de overblijfselen van het Pol Pot-regime (Democratisch Kampuchea) als aan de Indonesische bezetters die in Oost-Timor vergelijkbare misdaden begingen. Die steun was nodig ‘omdat de continuïteit van Democratisch Kampuchea met het Rode Khmer-regime hen ontegensprekelijk meer representatief maakt voor het Cambodjaanse volk dan het Fretelin [het Oost-Timorese verzet, nu aan de macht] voor het Timorese volk.’ Die uitleg is intussen gewist uit het historische geheugen.
Misschien zijn er een paar echt humanitaire interventies te vinden. Maar dan nog blijven er goede redenen om stil te staan bij het standpunt van de “onbesuisde bende”, dat bevestigd werd door de authentieke internationale gemeenschap op het allerhoogste niveau. De kern van het inzicht werd al in 1949 unaniem geformuleerd in het Internationaal Strafhof: ‘Het Hof kan het zogenaamde recht op interventie alleen zien als een uiting van een politiek van geweld die in het verleden aanleiding gegeven heeft tot de meest ernstige misbruiken en die nooit deel kan uitmaken van internationaal recht –welke de tekorten in de internationale organisatie ook kent… vanuit de natuur der dingen zou interventie enkel gereserveerd zijn voor de machtigste staten en zou makkelijk kunnen leiden tot het ondermijnen van de rechtsspraak zelf.’ Deze uitspraak is niet tegen “de verantwoordelijkheid om te beschermen” –zolang die maar geïnterpreteerd wordt op de manier zoals het Zuiden, het VN high-level Panel en de VN World Summit dat doen.
Zestig jaar na de uitspraak van het Strafhof is er weinig reden om te twijfelen aan het oordeel van het Hof. Het VN-systeem lijdt ongetwijfeld aan zware tekortkomingen. Het grootste gebrek is wellicht de overdonderende rol die gespeeld wordt door de hoofdschenders van de resoluties van de Veiligheidsraad. De meest effectieve manier om die resoluties te schenden, is door er een veto tegen uit te spreken, een veto dat alleen de permanente leden hebben. De VS leiden met veruit het grootste aantal veto’s, hun Britse bondgenoot staat op de tweede plaats en niemand anders komt zelfs in hun buurt.
En toch, ondanks deze en vele andere tekorten aan het VN-systeem, biedt de huidige wereld geen alternatief dat beter is dan het toevertrouwen van deze “verantwoordelijkheid om te beschermen” aan de VN. In de ware wereld, stelt Jean Bricmont terecht in zijn boek, is het enige alternatief het “humanitaire imperialisme” van de machtige staten die het recht om geweld te gebruiken opeisen omdat ze “het gerechtvaardigd vinden”, waardoor ze al te vaak en te voorspelbaar “de rechtsspraak zelf ondermijnen”.
(vertaling en bewerking: Gie Goris)
Deze opinie is een uittreksel uit het voorwoord dat Noam Chomsky schreef voor de Duitse editie van Humanitaire interventies van Jean Bricmont. Dat boek wordt in het Nederlands uitgegeven door EPO met voorwoorden door Lieven De Cauter en François Houtart, nawoord door Ludo De Brabander en Pol De Vos. 246 blzn. ISBN 978 90 6445 478 3.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift