Regionale ongelijkheid blijft een feit

Revolutie, verkiezingen en teleurstelling in Tunesië

Amine GHRABI / Flickr (CC BY-NC 2.0)

 

Op 13 september vinden in Tunesië voor de tweede keer in haar geschiedenis vrije presidentsverkiezingen plaats. Zesentwintig kandidaten zullen in twee rondes hun kans wagen om de recent overleden Beji Caïd Essebsi op te volgen als leider van het land. Deze verkiezingen tonen echter niet alleen de successen van de Tunesische revolutie en democratische transitie, maar ook haar grootste pijnpunten.

Een snelle blik doorheen de Westerse media geeft een uitzonderlijk positief beeld van de situatie. Daar zijn goede redenen voor: na het wegdrijven van de dictator Ben Ali organiseerde Tunesië al meerdere keren vrije verkiezingen. Na electoraal verlies in 2014 droegen de Islamisten van Ennahdha vredevol de macht over aan de liberalen van Nidaa Tounes.

Zo’n machtsoverdracht van de eerste post-revolutionaire machthebbers naar hun oppositie is nochtans vaak het punt waar jonge democratieën haperen. Maar in Tunesië werd uiteindelijk zelfs een “historisch compromis” bereikt tussen beide kampen en ze stapten samen in een regering.

“De Tunesische uitzondering”

De komende presidentsverkiezingen lijken op het eerste zicht eveneens een toonbeeld te zijn van een gezonde democratie: er is een grote keuze aan presidentskandidaten, een actieve vrije pers volgt het gebeuren met een kritisch oog, een strenge controle op de electorale wetten is ingesteld en voor het eerst in de geschiedenis van Tunesië en de hele Arabische wereld diende een openlijk homoseksuele kandidaat zich aan.

Dit alles leidde in onze media tot de populaire analyse dat Tunesië fundamenteel anders is dan de rest van de regio. In dat verhaal van de zogenaamde “Tunesische uitzondering” is het land vertrokken op de weg naar een volmaakte liberale democratie en maken ze hiermee als enige de ooit zo hoopvolle Arabische Lente waar.

Marginalisatie en ongelijkheid

Jammer genoeg is dit soort analyse misleidend. Ze mist bijvoorbeeld het cruciale gegeven dat de eerste protesten in 2011 niet enkel steunden op een drang naar politieke vrijheid, maar evenzeer - en misschien nog meer- op een diepe frustratie over de armoede en ongelijkheid die het land kenmerken sinds de koloniale periode.

‘De marginalisatie van één deel van het land en haar samenleving ten voordele van het andere was de directe oorzaak van het revolutionaire proces.’

Het vorige regime van Ben Ali was niet alleen autoritair en repressief, het onderhield ook een economisch systeem dat de elites van de kuststeden stelselmatig bevoordeelden ten koste van de rest van het land. Traditioneel verliep de Tunesische economie via het opdelven van grondstoffen in de periferie van het land en de verwerking ervan in het kustgebied voor export naar het Westen. De winst hieruit werd quasi uitsluitend geherinvesteerd in de rijke kuststeden of kwam in de handen terecht van corrupte elites.

Sociale eisen van de revolutie

Habib Ayeb, een Tunesische professor en eredoctor van de UGent, wijst naar de frustratie omtrent dat onrechtvaardige systeem om de start van de opstand te verklaren: ‘De spatiale, economische, sociale en politieke marginalisatie van één deel van het land en haar samenleving ten voordele van het andere was de directe oorzaak van het revolutionaire proces.’

Een radicale verandering van het economisch beleid dat die sociale en politieke kloof toeliet, was dus één van de belangrijkste eisen van de revolutionaire beweging. De kritiek richtte zich dus niet enkel op de autoritaire Ben Ali en zijn regime, maar ook op de gehele Tunesische “kust elite” die zich aan de hand van een specifiek economisch model schatrijk maakte en zich niet bekommerde om de rest van de bevolking. Men eiste meer investeringen in arme regio’s, minder corruptie en een rechtvaardige herverdeling van de winsten uit de Tunesische industrie en economie.

Teleurstelling

Voorlopig is van die eisen echter weinig in huis gekomen. In het nieuwe, democratische Tunesië blijft de regionale ongelijkheid een feit en is er voorlopig geen sprake van de realisatie van een serieus actieplan. Het bekende ontwikkelingsmodel - met de ongelijke industriële keten van periferie naar kust - is nog steeds in werking, corruptie blijft een endemisch probleem en dezelfde elite houdt de belangrijkste politieke en economische posities stevig in handen.

Bovendien zit Tunesië zit al jarenlang in een diepe economische crisis verwikkeld en lijkt een verbetering niet onmiddellijk in zicht. In 2016 ging het land een lening van €2,6 miljard aan bij het IMF, waardoor de overheid onder sterke internationale druk staat om massaal te besparen en, bijgevolg, structurele sociale hervormingen achterwege laat.

Congress of local and regional authorities (CC BY-ND 2.0)

 

ALECA

Naast de deal met het IMF onderhandelt Tunesië ook met de Europese Unie over een nieuw vrijhandelsverdrag. Dit “Accord de Libre Échange Complet et Approfondi” (ALECA) wil de bestaande vrijhandelsafspraken met de EU uitbreiden naar bijkomende economische sectoren, met de landbouw op de eerste plaats.

Critici wijzen er echter op dat de vele kleinschalige Tunesische boeren van de periferie niet zullen kunnen opboksen tegen de Europese agro-industrie, waardoor deze kwetsbare groep dreigt in nog grotere problemen terecht komen. De angst is bijgevolg dat ALECA de kloof in de Tunesische samenleving alleen maar breder zal maken en de revolutionaire sociale hervormingen nog verder in de weg zal staan.

Wantrouwen

De stagnatie van het systeem en de toenemende economische druk zorgen ervoor dat een deel van de bevolking niet langer gelooft in de pas opgerichte liberale democratie en al zeker niet in haar potentieel om te verwezenlijken wat de revolutie voor ogen had.

De sporen van de dictatuur zijn nog steeds duidelijk aanwezig in veel delen van de Tunesische maatschappij, maar vooral in haar socio-economische organisatie.

Dit wantrouwen is in de eerste plaats te zien in een markant verlies aan enthousiasme over de verkiezingen. Terwijl de participatiegraad tijdens de eerste jaren na de revolutie steeds boven de helft lag en in 2014 zelfs steeg tot 68%, bracht in 2018 slechts 35% van de kiezers hun stem uit bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Men verwacht dat ook op 13 september slechts een kleine groep Tunesiërs naar de stembus zal trekken om hun toekomstige president te kiezen. Het wijdverspreid gevoel heerst immers dat wie de verkiezingen ook wint, er weinig zal veranderen aan het beleid of het economisch model van het land.

Het antwoord van de straat

Niettemin weerhoudt dit veel Tunesiërs - zeker in de periferie en in activistische kringen - niet om hun frustraties te uiten over de blijvende problemen en uitgestelde hervormingen. Zonder vertrouwen in de verkiezingen, keren ze zich daarvoor naar de straat met een explosie van protestacties als gevolg.

Cijfers van het Forum Tunisien des Droits Économiques et Sociaux geven bijvoorbeeld aan dat er het afgelopen jaar gemiddeld 700 protestacties zijn gevoerd per maand, zeven keer meer dan in 2014. In 2017/2018 was dat cijfer zelfs nog hoger, met gemiddeld bijna 1000 acties per maand.

Dat de Tunesische bevolking überhaupt in staat is dat protest te voeren, is uiteraard een enorme verwezenlijking van de revolutie en er zijn dus goede redenen om positief te zijn over de democratische transitie in Tunesië. Maar het kan en moet nog zo veel beter.

De toekomst

Want de sporen van de dictatuur zijn nog steeds duidelijk aanwezig in veel delen van de Tunesische maatschappij, maar vooral in haar socio-economische organisatie. De EU en andere internationale instellingen zoals het IMF kunnen niet anders dan hun rol daarin erkennen. Niet alleen steunden ze Ben Ali in zijn economisch beleid maar op dit eigenste ogenblik houden ze met hun vrijhandelsverdragen en schulden politiek de bevolking weg van de diepe democratische inspraak en de socio-economische verandering die de Tunesiërs in 2011 met risico voor eigen leven opeisten.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
De economische crisis en het fundamenteel gevoel van machteloosheid bij de bevolking kunnen leiden tot een gevaarlijke destabilisatie en het finaal uiteenvallen van de Tunesische revolutionaire droom. Wil Tunesië haar reputatie van democratisch succesverhaal behouden, zal men dus over de brug moeten komen met diepgaande sociale en economische hervormingen. Enkel dan kan het vertrouwen van de bevolking herwonnen worden.

Jozef Vandermeulen is student Conflict & Development aan de UGent. Hij werkt momenteel aan een thesis over sociale bewegingen, politieke uitsluiting en consensus in post-revolutionair Tunesië.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift