Gebrek aan politieke verantwoording, ongebreidelde corruptie en een groeiende kloof tussen arm en rijk

‘Tien jaar na de Arabische Lente worden de werkelijke oorzaken nog steeds niet aangepakt’

International Monetary Fund (CC BY-NC-ND 2.0)

Een man doet inkopen op de Saad Zaghloul-markt in Caïro, Egypte, 7 september 2020.

Tien jaar na de Arabische Lente worden de onderliggende oorzaken van de massale protesten destijds in het Midden-Oosten nog steeds genegeerd, zegt politicoloog Simon Mabon.

Terwijl het refrein ‘ash-shab yurid isqat an-nizam’ werd gezongen op pleinen in het Midden-Oosten in de vroege maanden van 2011, brokkelde het politieke leven en de relaties tussen heersers en overheersten steeds verder af. Het gezang, vertaald als ‘de mensen willen het regime ten val brengen’, werd de politieke slogan van de Arabische opstanden, een golf protesten in landen in het Midden-Oosten.

De opstanden zetten de schijnwerpers op politieke verdeeldheid en op de relaties tussen het volk en hun regeringen, wat resulteerde in de val van autoritaire leiders in Tunesië, Egypte, Libië en Jemen.

Maar dit waren beperkte successen. Demonstranten waren in andere landen minder succesvol. In de daaropvolgende tien jaar, werden bijna 1 miljoen mensen vermoord en meer dan 10 miljoen mensen raakten ontheemd. De protesten legden een diepe politieke crisis bloot die nog steeds weerklinkt in de regio.

En in de meeste gevallen spelen de kwesties die destijds de protesten uitlokten nog steeds tot op de dag van vandaag: economische traagheid, gebrek aan politieke verantwoording, ongebreidelde corruptie en een groeiende kloof tussen arm en rijk.

Het begin

De protesten in Tunesië werden uitgelokt door de zelfverbranding van Mohammad Bouazizi, een Tunesische straatverkoper. Het was de aanleiding voor een uitbarsting van al lang sluimerende frustratie bij veel mensen in de regio, over de economische situatie en wijdverbreide corruptie. Een snelgroeiende jonge bevolking die moeilijk aan werk kon komen, leiders die hun welvaart openlijk tentoonspreidden en de politieke onwil om hervormingen in gang te zetten, bleken een explosieve cocktail te zijn geworden die protesten deed uitbarsten van Tunis tot Muscat.

Het antwoord van de regimes verschilde per regio en varieerde van hervormingen in Oman – inclusief de afzetting van gehate ministers – en economische steun in andere Golfstaten, tot meer draconische strategieën elders. Hiertoe behoorden ook gebruik van noodbevoegdheden, detentie, marteling, verbieden van politieke activiteiten, intrekking van burgerschap en moord. In Syrië, Libië en Jemen, mondde de gewelddadige repressie die volgde op de protesten uit verwoestende conflicten die tot op de dag van vandaag duren.

Ontwikkelingen in Tunesië en Egypte gaven aanvankelijk hoop aan degenen die Ben Ali en Hosni Moebarak zagen vallen. Maar in Egypte weerspiegelde in de coup tegen Moebaraks opvolger Mohamed Morsi – de eerste democratisch gekozen president – een bredere regionale trend van regimes die de opkomst van protestbewegingen onderdrukken en daarmee de dromen van de demonstranten verpletteren.

Verdeel en heers

Een van de meest gebruikte strategieën is het stimuleren van onrust tussen sektarische groepen, waarbij regimes profiteren van de sociale verdeeldheid – een vorm van ‘verdeel en heers’. De repercussies van dergelijke processen waren verwoestend. Groeiende verdeeldheid binnen – en tussen – landen ontstond wellicht uit sektarische verschillen, maar werd gemanipuleerd door een elite die, geconfronteerd met serieuze problemen, zijn positie veilig wilde stellen.

Groeiende verdeeldheid werd gemanipuleerd door een elite die de eigen positie veilig wilde stellen.

In Syrië werden leden van gewelddadige soennitische islamistische groepen vrijgelaten door Bashar al-Assad, in een poging de strijd tegen de demonstranten van de Arabische Lente te framen als een strijd tegen islamitisch extremisme. Op dezelfde manier probeerde de regering in Bahrein demonstranten te framen als “de vijfde kolonne die zich liet ringeloren door Iran – hoewel er nauwelijks bewijs was voor dergelijke beweringen.

In navolging hiervan spraken belangrijke kopstukken van het regime over kwalijke betrokkenheid van Iran bij de protesten – het land zou wapens leveren en demonstranten trainen. Toen de demonstranten overwonnen waren, verklaarde koning Hamad dat er ‘een buitenlands complot’ was verijdeld, een duidelijke verwijzing naar Iran.

Doembeeld van Syrië

In de jaren daarna werden protesten niet meer zo massaal, omdat regimes hard ingrepen tegen oppositie. In Bahrein betekende dit de intrekking van het burgerschap van 990 inwoners, terwijl elders – in andere Golfstaten en Egypte – steeds draconischer terrorismewetten werden aangenomen, bedoeld om zowel gewelddadig extremisme als uitdagingen van de macht te voorkomen. In de jaren na de protesten deed het doembeeld van de oorlog in Syrië zijn werk, dat werd gebruikt door andere Golflanden om het volk te waarschuwen tegen de gevolgen van een roep om democratie.

De jaren na de opstanden werden grotendeels bepaald door deze bredere strijd om te overleven en pogingen soevereine macht weer te doen gelden, in het licht van verschuivende nationale en internationale druk. Tegelijkertijd bleven veel van de structurele factoren die in 2011 de protesten hadden uitgelokt, in stand.

Deze onwil om onderliggende sociale, economische en politieke factoren aan te pakken, is nauwelijks verrassend. Hij komt voort uit tientallen jaren waarin dergelijke grieven genegeerd werden, en vaak leidden tot gewelddadige confrontaties tussen heersers en overheersten over de aard van de staat en zijn middelen.

Crisis en ineenstorting

Momenten van onrust deden zich gedurende de hele twintigste eeuw voor in de regio – nog los van conflicten tussen landen – en kwamen voornamelijk voort uit het onvermogen van leiders om sociale, economische en politieke kwesties aan te pakken. Infitah (economische liberalisering) werd in de jaren 1980 in gang gezet, als onderdeel van een bredere wereldwijde agenda van neoliberalisme in die tijd.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Maar in de Arabische wereld ontstond door een stijgend geboortecijfer, institutionele zwakheid en bureaucratische onbekwaamheid een grimmig beeld van onevenwichtige ontwikkeling en systematische uitsluiting. Dit werd vaak verergerd door regimes die zich eerder geld toe-eigenden dan het onder het volk te verdelen – leiders en hun entourage die geld uit de schatkist gebruikten voor persoonlijke behoeften en wensen. Dat leidde tot wijdverbreid wanbestuur.

De economische crisis van 2008 had dramatische gevolgen voor het Midden-Oosten. Op het hoogtepunt van de crisis verloor Saoedi-Arabië contracten ter waarde van 958 miljard dollar. De Verenigde Arabische Emiraten verloren voor 354 miljard dollar aan contracten.

Kapitaalvlucht uit het Midden-Oosten, naar schatting nog eens 247,5 miljard dollar, verergerde de situatie alleen maar. De impact voor de bevolking was verwoestend. Tegen 2011 was de situatie zeer ernstig: 41 procent van de bevolking in het Midden-Oosten leefde in nood.

Daarbij kwam nog een situatie waarin wijdverbreide en langdurige corruptie in de regio schade had toegebracht. Sommige schattingen spreken van een economische schade van ongeveer duizend miljard dollar in de vijf decennia die vooraf gingen aan de Arabische opstanden.

Een ongelukkig einde?

Het was nauwelijks verrassend dat in de loop van de twintigste eeuw, na decennia van verwaarlozing, repressie en corruptie, mensen zich wendden tot groepen zoals de Moslimbroederschap, Fatah, Hezbollah en Hamas. Veel van deze groepen, evenals politieke en soms paramilitaire activiteiten, zetten omvangrijke sociale programma’s op en wisten als gevolg daarvan veel steun onder de bevolking te verwerven.

De werkelijke oorzaken van de protesten worden nog steeds niet aangepakt.

In de jaren na 2011 kwam de structurele ontevredenheid die leidde tot de protesten, opnieuw aan de oppervlakte. Maar deze keer in een verdeelde regio met sektarische schisma’s en geopolitieke rivaliteit, frustratie over de politieke elite, en – recentelijk – verergerd door covid-19

Tegen 2015 had 53 procent van de bevolking in de regio financiële steun nodig van niet-staatsactoren. In Libanon en Irak gingen demonstranten in 2019 de straat op om hun frustratie te uiten over de status quo. In de afgelopen tien jaar leidde wijdverbreide volkswoede opnieuw tot protesten, vaak over dezelfde kwesties. Het is essentieel om de wortels van deze protestbeweging en hun evolutie te begrijpen, om het traject te begrijpen dat deze regio gaat in het nieuwe decennium, en met een nieuwe president in de Verenigde Staten.

De werkelijke oorzaken van de protesten worden nog steeds niet aangepakt – en de situatie is misschien zelfs verslechterd door de economische gevolgen van de pandemie. Hoewel autoritarisme regimes extra mogelijkheden geeft het leven te reguleren, zullen frustraties nu en dan aan de oppervlakte komen en resulteren in protesten en repressie, als regimes de onderliggende oorzaken blijven negeren.

Simon Mabon is docent Internationale Betrekkingen aan de Universiteit van Lancaster in het Verenigd Koninkrijk. Dit opiniestuk verscheen eerder bij The Conversation en werd vertaald door persagentschap IPS.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3098   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift