Dossier: 
VN-Speciaal Rapporteur over foute recepten om armoede te bestrijden en de ecologische impact daarvan

Olivier De Schutter: ‘Armoede verminderen én de economie vergroenen kan alleen door ongelijkheid te bestrijden’

Armoede wordt aangepakt op een manier die de werkelijke vermindering ervan bemoeilijkt, en het zelfs onmogelijk maakt om strijd tegen armoede te combineren met de strijd tegen klimaatverandering. Toch is dat dé inzet van de keuzes die in 2020 gemaakt worden, zegt Olivier De Schutter, de nieuwe VN-Speciaal Rapporteur over extreme armoede en mensenrechten.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
‘Armoede is een politieke keuze’, schrijft Philip Alston in zijn laatste rapport als VN-Speciaal Rapporteur over extreme armoede en mensenrechten. En ook: ‘De internationale gemeenschap houdt vast aan de internationale armoedegrens van de Wereldbank, en kan daardoor stellen dat er vooruitgang is in het bestrijden van armoede. Maar men gebruikt een ellendige overlevingsstandaard in plaats van een standaard die een minimaal aanvaardbaar levensniveau garandeert.’ Met zijn vlijmscherpe rapport, dat vorige week aan de VN-Mensenrechtenraad voorgesteld werd, doorprikt Alston het vooruitgangsoptimisme dat opgang maakt.

'Armoede is een politieke keuze', zegt Philip Alston.

Alston stelde zijn rapport niet zelf voor. Dat deed zijn opvolger, de Belgische mensenrechtenexpert Olivier De Schutter (UCL). Nadat hij van 2008 tot 2014 VN-Speciaal Rapporteur voor het recht op voedsel was, zal De Schutter de volgende jaren dus vooral werken op extreme armoede.

Opvallende cijfers uit het Rapport van Philip Alston

  • De impact van de gekozen armoedegrens: volgens de IPL van de Wereldbank (1,90 dollar per dag) heeft Thailand 0,0 procent armen, volgens de nationale armoedegrens 9,9 procent. Voor de VS is dat 1,2 procent (IPL) versus 12,7 procent, voor Zuid-Afrika 18,9 procent versus 55 procent, voor Mexico 1,7 procent versus 41,9 procent.
  • De IPL-armoedegres van 1,90 dollar per dag maakt de armoede van 100 miljoen mensen mensen onzichtbaar. Zij verdienen nauwelijks 0,10 dollar per dag meer dan de Wereldbank-armoedegrens.
  • Volgens de Wereldbank duwt de coronapandemie 176 miljoen mensen extra onder de 3,20 dollar armoedegrens.
  • Als elk land zijn Gini-coëfficiënt (de maatstaf voor ongelijkheid) met 1 procent per jaar doet dalen, wordt meer armoede verminderd dan wanneer elk land een bijkomende bnp-groei van 1 procent zou realiseren.
  • Tussen 1980 en 2016 ging 27 procent van de inkomensgroei naar de rijkste 1 procent. In 2017 ging 82 procent van de nieuwe welvaart naar die 1 procent.


De context waarin Olivier De Schutter zijn mandaat als Speciaal Rapporteur opneemt maakt de focus op armoede nog urgenter dan ooit, zegt hij: ‘De economische crisis, als gevolg van de COVID-19 pandemie zal overheden onder enorme druk zetten en zal het extra moeilijk maken om sociale bescherming te blijven financieren, gezien het enorme aantal mensen die werkloos worden en bedrijven die failliet gaan.’

Zijn eerste rapport, dat hij in oktober aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bezorgt, zal focussen op rechtvaardige transitie en de meerwaarde die ze oplevert voor het milieu én voor gezinnen met lage inkomens. ‘Ik wil overheden overtuigen dat ze niet moeten kiezen tussen enerzijds sociale rechtvaardigheid en de vermindering van armoede en anderzijds de vergroening van de economie en de versnelling van de ecologische transitie.’

In het rapport dat u deze week voorstelde aan de Mensenrechtenraad schrijft uw voorganger Philip Alston over de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (sdg’s). Over de doelstelling om een volgehouden economische groei van ten minste 7 procent te realiseren in de minst ontwikkelde landen schrijft hij dat die niet alleen onrealistisch is, maar wellicht ook niet wenselijk omwille van de klimaatimpact. Bent u het daarmee eens?

Olivier De Schutter: ik zou daar drie zaken over willen zeggen. Eén: elke economische groei van het bruto nationaal product heeft een onvermijdelijke milieu-impact, onder andere op de groeiende uitstoot van broeikasgassen. Men stelt wel eens dat economische groei ontkoppeld kan worden van ecologische impact, maar dat klopt niet. Je krijgt in het beste geval relatieve ontkoppeling, waarbij de koolstofintensiteit van de economie daalt en de groei van de economie dus niet leidt tot evenveel groei van de ecologische voetafdruk. Maar absolute ontkoppeling is een mythe.

'Economische groei als voornaamste instrument voor armoedebestrijding is ecologisch én sociaal schadelijk.'

Landen die daar toch prat op gaan, zijn landen die meer consumptiegoederen importeren, waardoor ze de vervuiling die hun groei nodig heeft uitbesteden aan andere landen. Het is die onvermijdelijke link tussen meer economische groei en minder ecologische duurzaamheid die verklaart waarom het zo problematisch is dat economische groei als enige of voornaamste instrument voor armoedebestrijding ingezet wordt.

Twee: omwille van economische groei worden er keuzes gemaakt die bijzonder problematisch zijn, ook voor mensen in armoede. Zo werden de belastingvoeten op bedrijfswinsten verminderd van gemiddeld 40 procent in 1980 tot 24 procent in 2019. Agressieve belastingontwijking en het gebruik van belastingparadijzen door multinationale ondernemingen wordt aanvaard, de deregulering van arbeidsmarkten wordt aangemoedigd, openbare diensten worden geprivatiseerd…

En dat gebeurt allemaal om economische groei te stimuleren. In de hoop dat zo al onze problemen opgelost kunnen worden.

Die keuzes zijn met name problematisch voor mensen in armoede. Het alternatief voor steeds meer economische groei is betere herverdeling, eerlijke belastingen en prioriteit voor de strijd tegen ongelijkheid.

Drie: arme landen hebben het recht om zich te ontwikkelen en zij moeten zich niet houden aan de recepten die gelden voor rijke of middeninkomenslanden. Het is immers absurd te doen alsof er één, universele aanpak is die geldt voor alle landen.

Betekent dat laatste ook dat die armste landen niet alleen recht op ontwikkeling hebben, maar ook recht op economische groei, voor hen wellicht een noodzakelijke voorwaarde voor ontwikkeling?

Olivier De Schutter: Als men ervoor zorgt dat die groei de ecologische voetafdruk zo weinig mogelijk vergroot, én op voorwaarde dat die groei vooral ten goede komt aan de twintig tot veertig procent armste mensen, dan is groei voor die landen een begrijpelijk streven.

Er zijn landen die de voorbije decennia hun groei omgezet hebben in een sterke vermindering van de armoede. Dat is veelbelovend. Maar het probleem is dat die groei heel afhankelijk was van export, en dat hij dus onze niet-duurzame en onhoudbare levensstijl mogelijk gemaakt heeft.

Alston argumenteert in zijn laatste rapport ook dat armoede véél minder is teruggedrongen dan algemeen aangenomen wordt. Het verhaal van de nakende overwinning op weredwijde armoede kan alleen volgehouden worden, zegt hij, als de uiterst lage armoedegrens van de Wereldbank gehanteerd wordt. Hoe belangrijk is de discussie over een meetinstrument?

Olivier De Schutter: Er is een krachtig en aantrekkelijk officieel verhaal. Dat stelt dat het absolute aantal mensen in extreme armoede tussen 1990 en 2015 daalde van 1,9 miljard tot 736.000 mensen. En het percentage van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft zou gedaald zijn van 36 tot 10 procent. Die cijfers zijn gebaseerd op de International Poverty Line (IPL) van de Wereldbank, die vastgesteld is op 1,90 dollar, aan 2011-waarde.

Concreet betekent dat vandaag een armoedegrens van 1,41 euro per dag in Portugal, 22 peso in Mexico of 7,49 yuan in China. Er is toch niemand die gelooft dat je bevrijd bent van armoede met een dagelijks inkomen van net boven 1,41 euro of minder dan 600 euro per jaar in Portugal?

'Er is toch niemand die gelooft dat je bevrijd bent van armoede met een inkomen van minder dan 600 euro per jaar?'

Als je de armoedegrens een klein beetje realistischer definieert op 2,50 dollar per dag, dan zie je dat er in grote delen van de wereld géén vermindering van de armoede plaatsgevonden heeft. Zeker als je China, waar dat wel gebeurde, uit de vergelijking weglaat. Dan pas zie je dat er in Afrika en het Midden-Oosten de voorbije decennia 140 miljoen armen bijgekomen zijn.

We moeten ons dus niet op de borst kloppen voor het verminderen van honger of armoede. We moeten ons er integendeel van bewust zijn dat de gebruikte recepten niet gewerkt hebben voor mensen in armoede in grote delen van de wereld. Dat moet ons aanzetten om de aanpak van armoede te herzien.

Heeft het gebruik van die Wereldbank-armoedegrens ook een tastbaar impact op het gevoerde beleid?

Olivier De Schutter: De keuze voor het meetinstrument van armoede beïnvloedt zeker het beleid dat gevoerd wordt. In Maleisië, bijvoorbeeld, is extreme armoede, gemeten met de IPL, bijna onbestaande. Slechts 0,4 procent van de bevolking of 25.000 gezinnen zijn er arm, gemeten met de IPL-standaard. Gevolg: de overheid ziet de strijd tegen armoede niet langer als een prioriteit.

De erg moeilijke levensomstandigheden van migranten en inheemse gemeenschappen wordt zo onzichtbaar gemaakt. De klemtoon verschuift naar de bouw van infrastructuur en de ontwikkeling van export, terwijl de groepen die niet mee zijn in de economische ontwikkeling net wel extra en volgehouden steun nodig hebben.

Verklaart dit ook waarom de overheden van rijke landen zo makkelijk wegkomen met dalende budgetten voor ontwikkelingssamenwerking?

Olivier De Schutter: Op de eerste plaats zorgt deze benadering ervoor dat de internationale instellingen – niet in het minst het IMF en de Wereldbank, die het denken over armoede en ontwikkeling grotendeels aansturen – ervan overtuigd zijn dat de huidige aanpak werkt. Handelsbarrières wegwerken, buitenlandse investeringen aanmoedigen, arbeidsmarkten dereguleren, bedrijfsvriendelijke wetten maken, de rechten van investeerders beschermen: dat alles is volgens hen de juiste manier om armoede te bestrijden.

Met een andere armoedegrens zie je dat dat niet klopt en dat we een ander ontwikkelingsparadigma nodig hebben.

'Met een andere armoedegrens zie je dat we een ander ontwikkelingsparadigma nodig hebben.'

Het totale bedrag aan officiële ontwikkelingshulp is onbetekenend in vergelijking met het geld dat migranten terug naar huis sturen en buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden, zélfs als die ontwikkelingshulp de allang beloofde drempel van 0,7 procent van het bnp van de rijke landen zou halen. Ik ben ervan overtuigd dat er meer middelen naar ontwikkelingssamenwerking moeten gaan, maar hulp zal nooit alles oplossen.

En vooral: ontwikkelingshulp mag niet gezien worden als een alternatief voor eerlijke handel, de strijd tegen corruptie en eerlijke belastingen, en het betalen van die belastingen in het land waar de winsten gemaakt worden. Dat zijn allemaal zaken die veel belangrijker zijn dan ontwikkelingshulp, ook al blijft dat een deel van de instrumenten die we ter beschikking hebben.

Onze overheden zeggen tegelijk dat armoede uitgebannen wordt én dat er zoveel geld voor nodig is– not billions but trillions – dat het alleen lukt met een centrale rol voor privékapitaal.

Olivier De Schutter: Het is zeker waar dat veel arme landen de middelen niet hebben om de nodige investeringen in gezondheid, onderwijs of landbouw te doen. Hoe kunnen die landen geholpen worden? En waar moeten die middelen vandaan komen? Is privékapitaal of zijn privaat-publieke partnerschappen de weg voorwaarts?

Het antwoord daarop is niet neutraal, want het bepaalt mee welke projecten er opgezet of gesteund worden. Neem landbouw als voorbeeld: de privésector wil zeker investeren in commerciële gewassen of exportproducten voor de kapitaalkrachtige markten, maar is nauwelijks geïnteresseerd in het telen van bataat, sorghum of millet. Dat zijn gewassen die cruciaal zijn voor de voeding van de lokale bevolking.

Valt inzetten op privékapitaal als motor voor ontwikkeling te combineren met de principiële keuze voor sterkere nationale overheidsinkomsten door het heffen van belastingen?

'Overheden in het Zuiden zagen in 2019 niet minder dan 650 miljard dollar aan inkomsten verloren gaan door een “bedrijfsvriendelijk klimaat” te creëren.'

Olivier De Schutter: Om bedrijven aan te trekken, hebben landen inderdaad enorme toegevingen gedaan, zoals het toestaan van belastingvrijstellingen voor drie, vijf of tien jaar. Ook belastingontwijking door de winsten te transfereren naar belastingparadijzen wordt toegestaan. Dat is een veelvoud van de ontwikkelingshulp, het is meer dan alle remittances (geld dat migranten naar hun thuisland sturen, red.) samen. Intussen worden de beloften wat betreft tewerkstelling niet vervuld.

Even terug naar landbouw. Op heel veel plaatsen in de wereld willen boeren dat hun kinderen ontsnappen aan armoede door te ontsnappen aan de landbouw.

Olivier De Schutter: Dat is niet alleen in armere landen een belangwekkende vraag. Ook in rijkere landen is het heel moeilijk om een nieuwe generatie boeren te stimuleren.

In België is de gemiddelde boer 56 jaar. Het is natuurlijk een veeleisend beroep en dus moet het inkomen van boeren de hoogte in. Er is ook nood aan betere communicatie-infrastructuur om het platteland te verbinden met kleine en grote steden. Maar dat blijft uiterst moeilijk zolang we vasthouden aan een economie met lage voedselprijzen.

Moeten de voedselprijzen laag gehouden worden om ook gezinnen met lage inkomens voldoende toegang te geven tot voedsel? Of moeten alle gezinnen beter beschermd worden door sociaal beleid, minimuminkomens en waardig werk, zodat iedereen de boeren een faire prijs kan betalen?

Dat laatste vraagt een mondiale aanpak, want een betere inkomen voor boeren in Europa zal in de huidige wereldmarkt meteen zorgen voor extra concurrentie uit lage-inkomenslanden.

Olivier De Schutter: Je kan inderdaad niet zorgen voor betere landbouwinkomens als onze boeren niet beter beschermd worden tegen dumping door wereldhandel. Dat houdt onder andere in dat er sociale en ecologische voorwaarden gesteld moeten worden aan de invoer van landbouwproducten.

Maar anderzijds kan je niet verwachten dat arme landen in hun landbouwproducenten investeren zolang wij onze landbouwproducten bij hen dumpen, omdat ze met Europees geld gesubsidieerd worden.

Het platteland lijkt op dit moment te botsen met de stad, als het om klimaattransitie gaat. Idem voor de middenklasse en de armere bevolking. Zijn er mogelijkheden om die tegenstellingen te overstijgen?

Olivier De Schutter: Ik schrijf mijn rapport in de context van een herstelbeleid voor na de coronacrisis in veel landen. Tot nu hebben overheden het gigantische bedrag van 11.000 miljard dollar geïnvesteerd in de economieën. Dat is nooit vertoond. Dé vraag is: wat wil men met die investering realiseren, wie krijgt dat geld, tot welk herstel zal dit bijdragen?

'Post-corona herstelbeleid gaat voor 4 procent naar groene investeringen, 4 procent maakt de klimaatcrisis erger, 92 procent gaat naar status quo.'

In mei verscheen een studie van onder andere Joseph Stiglitz en Nicholas Stern (internationaal gerenommeerde economen, red.) op basis van driehonderd herstelplannen. Slechts 4 procent van de investeringen gingen volgens hen naar een groen herstelbeleid. Een andere 4 procent bestond uit investeringen die de klimaatcrisis nog zouden verergeren en 92 procent werd geïnvesteerd in het behoud van de status-quo.

Mijn rapport zal proberen aantonen dat het post-corona herstelbeleid gericht moet zijn op zowel ecologische transitie als op de strijd tegen armoede en ongelijkheid. Ik zal duidelijk maken welke maatregelen een driedubbel dividend kunnen realiseren: meerwaarde voor klimaatbeleid, tewerkstelling voor mensen met lage opleiding en betere toegang tot goederen en diensten voor mensen in armoede, onder andere door eten, mobiliteit, verwarming en het isoleren van je huis betaalbaarder te maken.

Ook na de coronacrisis moeten we vermijden om enkel op de korte termijn te denken en de economie te redden. We mogen de langetermijnvisie niet uit het oog verliezen: het vergroenen van de economie en het verkleinen van onze ecologische voetafdruk. Maar daarbij mogen we niet vergeten dat maatregelen voor een ecologische transitie de armen kunnen benadelen, tenzij ze opgezet worden met hen voor ogen.

De centrale focus van mijn rapport zal daarom liggen op het terugdringen van de ongelijkheid, omdat een ecologische transitie onmogelijk te realiseren is met de huidige niveaus van ongelijkheid.

'Ecologische transitie is onmogelijk te realiseren met de huidige niveaus van ongelijkheid.'

Omdat ongelijkheid het onmogelijk maakt een voldoende groot draagvlak voor ecologische transitie te creëren?

Olivier De Schutter: Het is vooral omdat de huidige ongelijkheid ervoor zorgt dat maar een heel klein deel van de welvaartproductie ten goede komt aan de 20 of 40 procent armen. Daarom moet er dus voortdurende groei zijn, ook al leidt die groei tot ecologische verarming. Het alternatief is herverdeling. Daarmee kan je armoede verminderen zonder het natuurlijke kapitaal verder op te vreten.

En kunnen mensen in extreme armoede daar actief toe bijdragen?

Olivier De Schutter: De actieve participatie van mensen in het formuleren en implementeren van beleid is heel belangrijk. Vaak hebben zij kennis en vaardigheden ontwikkeld die cruciaal zijn voor de toekomst, bijvoorbeeld op het vlak van het herstellen van consumptiegoederen of in de agro-ecologie, die veel minder gebruik maakt van kunstmest.

De strijd tegen armoede is wezenlijk afhankelijk van het luisteren naar mensen die in armoede leven, want zij hebben de expertise. Zij kennen de problemen en hebben vaak zicht op de oplossingen of de voorwaarden die hen zouden toelaten de armoede te overwinnen. Hun ideeën helpen ons om onze politieke verbeelding te verbreden.

Als 96 procent van het herstelbeleid geïnvesteerd wordt in de niet-duurzame status-quo of erger, zal er dan nog geld zijn om te investeren in de noodzakelijke en rechtvaardige klimaattransitie?

'De keuzes die in 2020 gemaakt worden bepalen de mogelijkheid van de komende generatie om op deze planeet te overleven.'

Olivier De Schutter: In het slechtste geval worden deze enorme sommen geïnvesteerd op een manier die de economie niet op het juiste spoor zet, terwijl er wel besparingsbeleid opgelegd wordt om ervoor te betalen. In dat geval betalen de armen het economisch herstel.

Overheden moeten goed beseffen dat de keuzes die ze in de komende maanden maken bepalend zullen zijn voor de vorm die de economie de komende jaren zal aannemen. Het is mogelijk om tegelijk de economie te vergroenen én armoede en ongelijkheid te verminderen.

Die keuze moet dit jaar gemaakt worden, niet in de nabije toekomst?

Olivier De Schutter: Inderdaad. We bevinden ons op een beslissend kruispunt. De keuzes die in 2020 gemaakt worden zullen niet alleen bepalend zijn voor het realiseren van de duurzame ontwikkelingsagenda 2030, maar ook voor de mogelijkheid van de komende generatie om op deze planeet te overleven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur