De digitale geschiedenis van Congo

Digitaal is het nieuwe normaal. Geldt die boutade ook in de Democratische Republiek Congo? De aanloop naar de digitalisering loopt al een tijdje. is Nu nog de effectieve lancering. ‘Met de digitalisering kunnen we onze geschiedenis schrijven.’

  • © Goele Geeraert Grote ambities. Nu nog de uitwerking. © Goele Geeraert
  • © Goele Geeraert Mobiele providers zijn alom aanwezig in Kinshasa © Goele Geeraert
  • © Goele Geeraert De smartphone als Muze van Elvabel Makaya © Goele Geeraert

Of ik op persreis wilde naar Congo, wilde de hoofdredactie weten. In het zog van Bianca Debaets, Brussels staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en Digitalisering, die daar een aantal projecten lanceerde. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou de stad Kinshasa een Digitruck – een mobiele computerklas – schenken en ook twee technische scholen van wifi voorzien. Wij mochten haar vergezellen bij het knippen van de lintjes.

Zo komt het dat ik een week later op de internationale luchthaven van N’djili mijn beurt afwacht voor de paspoortcontrole. Tijdens mijn eerste bezoek aan Congo - vijf jaar eerder -werden je naam, je beroep en je adres nog in een dik schrift genoteerd. Een gewichtige gebeurtenis die iets had van een verplicht toneeltje. Want hoeveel schriften werden er zo per week volgeschreven? En wat was je er nadien mee? Kon er iemand met die data aan de slag? Nu werden mijn gegevens netjes op een hard disk weggeschreven. Of ik ook nog eens in de lens wilde kijken voor een foto? Over digitalisering gesproken.

WhatsApp’en

Op weg van de luchthaven N’djili naar Kinshasa-stad houden mobiele providers ons gezelschap: met grote reclamepanelen langs de kant van de weg, met hun logo’s op muren van gebouwen, met hun namen op kleurrijke parasols waaronder kleine zelfstandigen bel- en surf unités verkopen. Volgens de Global ICT Development Index van de VN heeft Congo geen vaste telefoonlijnen meer. De Congolezen communiceren eerder mobiel en online. Ik herinner me dat ik al met Congolese vrienden WhatAppte nog voor we daar in België toe kwamen.

© Goele GeeraertInfrastructuur

Er wordt ook in digitale infrastructuur geïnvesteerd, zowel door private als publieke partners. Zo neemt Congo deel aan het Central African Backbone Program (CAB Program) van de Wereldbank. Het moet de Congolezen toegang geven tot een regionaal netwerk van high speed internet, en dat tegen een redelijke prijs.

Verder toonde China zich eind vorig jaar nog bereid om via het staatsbedrijf China Communication Company in de Congolese telecommunicatie te investeren. Ook ons land zet zich in om de infrastructuur en de toegang tot het internet te verbeteren. Dat gebeurt onder meer via de leningen van het publieke investeringsfonds BIO - goed voor in totaal zo’n 35 miljoen euro - aan drie telecombedrijven (Global Broadband Solutions, Bharti Airtel Africa en Helios Towers DRC). Het zijn maar enkele voorbeelden die tonen dat er best wat beweegt om Congo in het digitale tijdperk te lanceren.

#nietsisgratis

Ouvrir le Congo profond pour le monde”, dat is het doel, stelt een telecomoperator. Op grote pancartes brengt hij die boodschap tot bij miljoenen Kinois. Maar wie mobiel wil gaan, doet dat niet gratis. Volgens de ICT Development Index van de VN heeft iets meer dan de helft van de Congolezen een gsm-abonnement.

Maar terwijl wij voor een maandelijks prepaid forfait maar een fractie van ons inkomen betalen (0,88% van het Bruto Nationaal Inkomen per hoofd), moeten de Congolezen daar veel dieper voor in de buidel tasten. (52,76% van het BNI/hoofd).

‘Voorheen waren de prijzen nog een beetje passable, maar vandaag ….’

Hetzelfde geldt voor een mobiele internetconnectie. Om van een vast (wifi)verbinding nog maar te zwijgen (meer dan 1000% van het BNI/hoofd).

Bovendien dateren deze cijfers van voor de prijsstijgingen sinds begin dit jaar, waarbij de kosten voor sommige mobiele diensten al vervijfvoudigden. Of zoals Alice, een Congolese twintiger vertelt: ‘Voorheen waren de prijzen nog een beetje passable, maar vandaag ….’ Online gaan wordt onbetaalbaar.

Vooruitziendheid

Een hoog prijskaartje speelt de digitalisering parten, maar nog belangrijker is de scholingsgraad. ‘In de (huidige) digitale revolutie wordt de toekomst niet door toeval of door het lot bepaald, maar wel door je vooruitziendheid en door je vaardigheden’, lees ik in een VN-rapport. Qua vooruitziendheid deed Congo het niet zo slecht.

In hetzelfde jaar (2007) dat Frank Vandenbroucke als onderwijsminister zijn beleidsplan voor ICT in het onderwijs lanceerde, publiceerde zijn toenmalige ambtsgenoot Constant N’Dom Nda Ombel bijvoorbeeld al een Programme d’informatique de l’enseignement primaire. Daarin omschreef hij de verwerving van IT-vaardigheden als een prioriteit, zelfs voor het lager onderwijs.

De nota bevatte een algemene visie maar ook een gedetailleerde uiteenzetting over hoe die vaardigheden jaar per jaar moesten worden aangeleerd, met een evenwichtige verdeling tussen theorie en praktijk. Maar wat kwam er van al die plannen terecht?

Lessen informatica

‘In de wereld van vandaag kan je niet meer zonder het digitale’, weet Paul Nsimba, een informaticaleraar uit Kinshasa. ‘Wie een job wil, moet iets van IT afweten. Enkel dan kun je evolueren.’ Hij toont me zijn cursus Initiation a l’informatique et a l’internet. ‘We geven onze jongeren een stukje geschiedenis mee, maar we tonen hen ook hoe een computer in elkaar zit, we laten hen kennismaken met Word en Excell en we leren hen zoeken op het internet.’

‘Je moet ook over middelen beschikken om je objectieven te bereiken.’

Paul geeft niet zomaar les in het wilde weg. Hij volgt daarbij de richtlijnen van de overheid en haalt zijn lesmateriaal bij het Centre de recherches pédagogiques (CRP), een erkende educatieve uitgeverij.

De bevoegdheid voor het lager en secundair onderwijs is vandaag verdeeld tussen de centrale en de provinciale overheid. De eerste bepaalt het beleid, de tweede voert het uit.

Volgens Lambert Mbadu Muanda, provinciaal onderwijsverantwoordelijke in Kinshasa-West, bevindt Congo zich in een grote onderwijshervorming, gestoeld op drie pijlers: toegankelijkheid, ouderparticipatie en kwaliteit. ‘Kwaliteitsverbetering gaat samen met aandacht voor digitalisering en gebruik van het internet’, weet hij. “Maar je moet ook over middelen beschikken om je objectieven te bereiken.”

Internetcafé

De school waar Paul les geeft heeft een computerlokaal. Maar dat blijkt lang niet voor alle onderwijsinstellingen het geval. Bovendien beschikt slechts 1,93% van de Congolese huishoudens over een computer, wat betekent dat het gros van de jongeren richting internetcafé moet. Maar ook daar hangt een prijskaartje aan vast. Voor 1 uur online betaal je al makkelijk 2000 Congolese Francs of zo’n 2 dollar. Een flink bedrag als je weet dat 88 procent van de bevolking het stelt met minder dan 1,25 dollar per dag.

Manque de moyens” (gebrek aan middelen) en gelijkaardige zinsnedes keren in de gesprekken met zowel leraars als beleidslui regelmatig weer. Maar soms hoor je ook het omgekeerde. Zo vertelt Philip Kabeya, een jonge IT-adept en uitbater van het digitale café Lumumba Lab, dat er op de Universiteit van Kinshasa een hoop computers staan. Geschonken door een mobiele provider, maar zonder technische ondersteuning of begeleiding. Waardoor de toestellen onaangeroerd blijven.

© Goele Geeraert

Mobiele providers zijn alom aanwezig in Kinshasa

Halve intenties

De verhalen van onderwijsinstellingen zonder IT-materiaal of omgekeerd, van vergeten hardware in een stoffig lokaal, tonen dat halve intenties niet volstaan. Qua skills of vaardigheden zakte Congo op de ICT Development Index van de 141e (in 2010) naar de 145e (in 2015) plaats, op een totaal van 167 landen.

De beschikbaarheid van middelen en expertise gaan hand in hand, ze versterken of verzwakken elkaar. Of zoals ik uit de verhalen van Paul en Philip concludeer: digitalisering kost geld, maar ze biedt je de kans om kennis de verwerven, kennis die je helpt om verder te digitaliseren en om in de huidige wereld iets te betekenen.

Wifi en een Digitruck

Terug naar de perstrip en de drie projecten waarmee Brussels staatssecretaris Bianca Debaets de digitale kloof in Kinshasa wil helpen dichten. ‘De Digitruck wordt ingezet voor vorming en kennisoverdracht. Dankzij de wifi-netwerken zullen leerlingen gratis online kunnen gaan. Voor beide initiatieven werken we samen met lokale partners die de nodige expertise in huis hebben of die we daarvoor zullen opleiden.’

Zijn drie kleinschalige projecten in een stad met 12 miljoen inwoners sowieso geen druppel op een hete plaat?

Bij de lancering van een project is het onmogelijk om een balans op te maken. Is het opzet niet te vaag? Is de ambitie wel realistisch? Bestaat er een exit-strategie? Wordt er aan impactmeting gedaan? Die vragen lijken bij het lintjesknippen dikwijls nog veraf. Je kan alleen maar hopen dat er al over werd nagedacht.

Maar los van al die a posteriori vragen: zijn drie kleinschalige projecten in een stad met 12 miljoen inwoners sowieso geen druppel op een hete plaat?

Lopend vuurtje

Fast forward. Ik zit op een terras met een Antwerpse vriendin die beroepshalve stedelijk projectleider is. Ik breng verslag uit over mijn Congotrip en stel haar ook de vraag over de druppel en de hete plaat. Ze knikt, met 1 Digitruck en twee wifinetwerken kun je onmogelijk alle Kinois bereiken. Maar de projecten kunnen wel fungeren als een experiment waar je van leert, dat je verbetert en dat je vervolgens opschaalt om een maatschappelijk nut te hebben.

Wanneer ik een paar dagen later aan de Skype hang met Philip, maakt hij een gelijkaardige bedenking. ‘Sommige mensen in de cités hebben nog nooit een computer van dichtbij gezien. De Digitruck kan hen een beeld geven van wat technologie is en wat het in hun leven kan betekenen.’

Het project kan omzeggens een lopend vuurtje creëren dat digibeten aanzet om zich in de technologie te gaan interesseren.

Geschiedschrijving

De smartphone als Muze van Elvabel Makaya

Ouvrir le Congo profond pour le monde”, het blijft makkelijker geschreven dan gedaan. Maar de jonge artiest Elvabel Makaya gelooft dat het kan. Ik ontmoette hem tijdens een bezoek aan een kunstenaarsatelier. In al zijn schilderijen vormt de smartphone een terugkerend thema, hij ziet het object als de basis voor elk menselijke leven.

’ Via sociale media kan de rest van de wereld ook mijn verhaal lezen. Ik schrijf er mijn geschiedenis mee.’

Voor Elvabel een smartphone had, kampte hij met verschillende problemen. ‘Maar dankzij die telefoon kan ik nu met vele anderen communiceren, de wereld ontdekken en permanent bijleren. Via sociale media kan de rest van de wereld ook mijn verhaal lezen. Ik schrijf er mijn geschiedenis mee.’

Philip Kabeya wil nog een stap verder gaan. Zijn digitaal café, Lumumba Lab, is een plek waar hij jongeren met interesse voor IT verzamelt. Ze wisselen er ervaringen uit en leren van elkaar. Ze denken samen na over digitale antwoorden op vragen rond mobiliteit, voedselonzekerheid, toegang tot onderwijs.

Philip droomt ervan dat Congo zich tegen 2020 in het digitale tijdperk kan lanceren en dat het digitale een centrale plaats inneemt en een oplossing biedt voor een hoop huidige problemen. Dat het gros van de Congolezen toegang heeft tot digitale kennis en dat de jongeren erin worden opgeleid. Dat Congo zijn koers in eigen handen kan nemen. Of zoals hij het stelt: ‘In een brief van Lumumba aan zijn geliefde Pauline, stelt hij dat Afrika zijn eigen geschiedenis moet schrijven. De taal van morgen is digitaal en zij zal ons daarbij helpen.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift