‘De organisatoren van de bootreizen zijn mensen uit de plaatselijke gemeenschap’

De mythe van de meedogenloze migratiemaffia’s in West-Afrika

© Lex Rietman

Visser Lamin Jarju (voorgrond) en drie jongeren die van Europa dromen op het strand van Tanji (Gambia) de vertrekplaats voor clandestiene migratie naar de Canarische eilanden.

De strijd van Europa tegen de clandestiene migratie is een strijd tegen professionele bendes van meedogenloze smokkelmaffia’s. Dat is het officiële verhaal van de beleidsmakers. Maar klopt dat beeld wel? Onderzoek in West-Afrika onthult een volstrekt andere werkelijkheid. Het Europese migratiebeleid is gebaseerd op een mythe.

November 2020. De ogen van de wereld zijn gericht op de Canarische Eilanden. Veertien jaar na de bootvluchtelingencrisis van 2006 is Spanje door de hernieuwde toestroom naar de Canarische archipel de voornaamste toegangspoort geworden voor de clandestiene migratie naar Europa.

Dagelijks bereiken honderden Afrikanen in volgepropte vissersbootjes de kust van vakantieoorden als Gran Canaria, Tenerife en Fuerteventura. De opvang schiet hopeloos tekort. Chaotische taferelen spelen zich af in het noodkamp dat het Rode Kruis heeft ingericht op de kade van Arguineguín, aan de zuidkust van Gran Canaria. Hulpverleners kunnen de stroom niet aan. Migranten slapen soms wekenlang op het asfalt.

De reis vanuit West-Afrika is gevaarlijk. Berichten over schipbreuk en averij, over verdronken en vermiste bootvluchtelingen, zijn aan de orde van de dag. Een deel van de eilandbevolking biedt spontaan hulp aan de migranten die het wél gehaald hebben. Ze hebben soms een zeereis van twee weken of nog langer achter de rug en kunnen bij aankomst niet meer op hun benen staan. Een ander, luidruchtiger deel van de eilanders gaat de straat op om te protesteren tegen de “invasie” vanuit West-Afrika.

Tijd voor een bezoek aan de Canarische Eilanden, besluiten de autoriteiten in Madrid en Brussel. De Spaanse minister van Binnenlandse Zaken Fernando Grande-Marlaska vliegt in gezelschap van Eurocommissaris Ylva Johansson naar de archipel. Johansson is verantwoordelijk voor veiligheid en migratie in de Europese Commissie. Samen nemen ze poolshoogte op de hotspots van de crisis.

© Lex Rietman

Vis wordt meteen op het strand verkocht op het strand van Tanji (Gambia)

De internationale pers kijkt met een zekere spanning uit naar hun afsluitende persconferentie in Las Palmas de Gran Canaria. Wat zijn de conclusies van Grande-Marlaska en Johansson? Hebben zij oplossingen voor de humanitaire crisis op de eilanden? Een plan om racisme en vreemdelingenhaat de wind uit de zeilen te nemen? Of misschien ideeën over de manier waarop Spanje en Europa er samen voor kunnen zorgen dat de levensomstandigheden in West-Afrika verbeteren zodat minder mensen naar Europa willen?

Niets van dit alles. Er klinkt een enkele terloopse verwijzing naar de wenselijkheid van ‘menswaardige levensomstandigheden in de landen van herkomst.’ Maar daar blijft het bij. Geen woord over maatregelen om die wens om te zetten in werkelijkheid. De prioriteit van het Europese migratiebeleid ligt op een ander vlak. Grande-Marlaska laat er geen enkel misverstand over bestaan.

‘Onze gezamenlijke inspanning is in de eerste plaats gericht op de strijd tegen de maffia’s’, zegt hij. ‘De maffia’s die in mensen handelen en het leven van deze mensen op het spel zetten. Jullie van de pers hebben de voorbije dagen bericht over de tragische dood in zee van diverse migranten, mensen die in een situatie verkeren waarvan die maffia’s misbruik maken. Daarom is dit een van onze belangrijkste doelen: de strijd tegen de maffia’s

In iets meer dan acht minuten gebruikt Grande-Marlaska elfmaal de termen ‘maffia’s’ en ‘netwerken die in mensen handelen’. Een mooi staaltje van framing: het complexe fenomeen van migratie wordt teruggebracht tot een veiligheidsprobleem, een strijd van goed tegen kwaad. De minister schetst een vijandbeeld van gewetenloze schurken die verantwoordelijk zijn voor de dood van kwetsbare migranten. Johansson benadrukt nog eens hoe belangrijk het is om deze criminal networks gezamenlijk aan te pakken.

Hoe wil Europa ze te lijf gaan? Door personele en materiële bijstand te verlenen aan de ‘doorreis- en herkomstlanden’. Zo werken Spaanse rechercheteams ter plekke samen met collega’s in Mauritanië en Senegal. En in Marokko, Mauritanië, Senegal en Gambia patrouilleren Spaanse agenten zij aan zij met de lokale politie en kustwacht. Zij beschikken over door Europa betaalde patrouilleschepen, terreinwagens, vliegtuigen en helicopters.

Al die inspanningen werpen volgens de Spaanse minister hun vruchten af. ‘De samenwerking resulteert in het oprollen van netwerken die zich wijden aan mensensmokkel en -handel’, zegt hij. ‘Met deze formule hebben we de illegale immigratie naar Spanje over de Middellandse Zee vorig jaar met vijftig procent teruggebracht. Hetzelfde gaan we doen op de migratieroute naar de Canarische Eilanden.’ De minister is ervan overtuigd dat deze aanpak ook hier zal werken.

In de officiële visie is de clandestiene migratie naar Europa onlosmakelijk verbonden met maffia’s en criminele netwerken. ze vormen een onmisbaar element in de retoriek van de beleidsmakers.

De aandacht voor criminele netwerken is niet nieuw. Vooral sinds de piek van 2015, toen ongeveer een miljoen vluchtelingen en migranten erin slaagden Europa binnen te komen, is de nadruk op de rol van de migratiemaffia’s sterk gegroeid. In het officiële EU-migratiebeleid staat de strijd tegen smokkelnetwerken inmiddels bovenaan op de agenda. Onder meer omdat zij ‘kwetsbare migranten uitbuiten’, in de woorden van de Europese Raad.

In het debat over de kwestie wordt vaak een gezamenlijk rapport van Europol en Interpol aangehaald. Daarin staat dat meer dan 90 procent van de migranten op weg naar Europa gebruik maakt van “facilitaire diensten”. Deze diensten zouden meestal verleend worden door criminele groepen. ‘Een complex, meedogenloos en multinationaal netwerk van migrantensmokkelaars is ontstaan rond Europa’s ongekende migratiecrisis’, concludeert Europol. ‘Het genereert miljarden euro’s voor de criminele groepen die daarbij betrokken zijn.’

In de officiële visie is de clandestiene migratie naar Europa dus onlosmakelijk verbonden met maffia’s en criminele netwerken. Zij, en alleen zij, zijn verantwoordelijk voor de vele doden en vermisten op de gevaarlijke migratieroute naar de Canarische Eilanden. Het zijn criminelen zonder scrupules. Ze verrijken zich door hun slachtoffers te misleiden en misbruik te maken van hun kwetsbaarheid.

Tegelijk vormen ze een onmisbaar element in de retoriek van de beleidsmakers. Zonder de maffia’s zou waarschijnlijk een veel groter deel van de publieke opinie zich keren tegen het harde Europese migratiebeleid. En zonder maffia’s wordt de militarisering van de buitengrenzen een stuk lastiger te verkopen.

Het frame van de migratiemaffia’s klopt niet. Het is een mythe. In elk geval in dit deel van de wereld.

De strijd van Europa tegen de illegale migratie is dan ook niet gericht tegen vluchtelingen en migranten, maar tegen deze maffia’s. Als we die aanpakken en onze buitengrenzen voldoende beschermen, droogt de migratiestroom vanzelf op. Dat is het idee. Grande-Marlaska zegt het letterlijk: wij deden het vorig jaar met succes op de Middellandse Zee, en we gaan nu hetzelfde doen op de Atlantische migratieroute naar Europa.

Hoe realistisch is deze gedachte? Hoe werkt het migratieproces in de praktijk? Wie organiseren de boottrips? En in hoeverre is de clandestiene migratie vanuit West-Afrika naar de Canarische Eilanden in handen van de georganiseerde misdaad? Samen met collega’s ter plekke zochten we het uit in Senegal en Gambia. Vanuit deze landen maken bootvluchtelingen de langste oversteek: veertien- tot zeventienhonderd kilometer.

De criminele-netwerkbenadering van de Europese beleidsmakers staat mijlenver af van de realiteit in Senegal en Gambia. Dat is onze eerste conclusie. Het frame van de migratiemaffia’s klopt niet. Het is een mythe. In elk geval in dit deel van de wereld.

We hebben gesproken met een vijftigtal sleutelfiguren en deskundigen ter plekke. Onder hen waren aanstaande en teruggestuurde migranten, smokkelaars, vissers, buurtleiders, onderzoekers, politieagenten, beleidsmakers en gespecialiseerde journalisten.

Ze kennen het terrein en de materie uit de eerste hand. En bij elkaar roepen ze een beeld op dat een van de fundamenten van het Europese migratiebeleid onderuithaalt: criminele netwerken spelen geen rol op deze migratieroute.

© Lex Rietman

In de vissershaven van Tanji (Gambia), niet meer dan een strand, heerst de hele dag drukte en bedrijvigheid. Het is een vertrekplaats voor clandestiene migratie naar de Canarische eilanden.

‘Zodra ik de kans krijg, vertrek ik’

Mensen willen om allerlei redenen weg uit West-Afrika, maar niet omdat een ‘complex, meedogenloos en multinationaal netwerk van migrantensmokkelaars’ ze op het idee brengt. Het initiatief ligt bijna altijd bij de migrant of bij mensen uit zijn of haar directe omgeving: familie, vrienden, collega’s en buren.

En voor de uitvoering van hun vertrekplan hoeven ze ook niet bij een multinationale smokkelmaffia aan te kloppen. Ze doen het zelf. Of het zijn – opnieuw – mensen uit hun directe omgeving die de boottrips organiseren.

Overbevissing door trawlers uit rijke landen bedreigt niet alleen het bestaan van lokale vissers en hun families.

Vaak zijn dat vissers. Zij hebben boten, ervaring als kapitein op de oceaan en een goede reden om weg te willen. Hun vangsten zijn in de voorbije jaren drastisch geslonken. We hoorden het overal aan de kust van Senegal en Gambia: onze regering heeft de zee verkocht aan de buitenlanders. Europese en Aziatische trawlers slepen de visrijke kustwateren van West-Afrika leeg. Voor de tienduizenden lokale ambachtelijke vissers blijft alleen wat kleine vis over. In veel gevallen onvoldoende om van te leven.

Overbevissing door trawlers uit rijke landen bedreigt niet alleen het bestaan van lokale vissers en hun families. De economie in de kustgebieden van Senegal en Gambia drijft voor een groot deel op de visserij. Lege visnetten wurgen de plaatselijke welvaart. En ook de bevolking als geheel ondervindt de gevolgen van de steeds schaarsere vis. De belangrijkste bron van proteïne wordt in toenemende mate onbetaalbaar.

De crisis in de lokale visserij – veroorzaakt door de rijke landen of door de West-Afrikaanse regeringen die ze de visconcessies verlenen, het is maar hoe je het bekijken wil – is dus een belangrijke stimulans voor de clandestiene bootreizen naar de Canarische Eilanden. Dat geldt zowel voor de vraag als het aanbod.

‘Zodra ik de kans krijg, vertrek ik.’ Alhagie Jallow (21) weet het heel zeker. Op het strand van Tanji, een vissersplaats van vijftienduizend inwoners aan de Atlantische kust van Gambia, hangt hij wat rond met zijn vrienden Lamin Fofana (20) en Yaya Demba (18). ‘Als er nu een boot vanaf dit strand naar Spanje zou gaan, zou ik geen moment aarzelen om in te stappen’, zegt Alhagie nog eens. ‘En ik niet alleen.’

© Lex Rietman

Yaya Demba is een van die jongeren die er geen seconde over zou twijfelen om in een boot richting Spanje te stappen

Alhagie en zijn vrienden klimmen in een oude vissersboot die werkeloos op het strand ligt. In de romp van de vijftig meter lange houten kano zitten grote gaten. Dit is het type schepen – gerepareerd of nieuw gebouwd – waarmee jaarlijks duizenden Afrikanen de oversteek naar de Canarische Eilanden wagen. Zo bereikten in 2020 volgens officiële cijfers 23.000 bootvluchtelingen de Spaanse archipel, het op één na hoogste aantal ooit.

Tanji is een van de vertrekpunten van de Atlantische migratieroute. Van hier is het hemelsbreed zeventienhonderd kilometer naar Gran Canaria en Tenerife, de dichtstbijzijnde stukjes Europa. Dat de oversteek lang en gevaarlijk is, hoef je Alhagie en zijn vrienden niet te vertellen. Ze zijn kinderen van de zee, net als bijna iedereen in Tanji. De berichten over doden en vermisten schrikken de drie jongens niet af.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Ook Lamin en Yaya zijn vastberaden de eerste gelegenheid aan te grijpen om naar Europa te gaan. ‘Ik ben niet bang’, zegt Lamin. ‘Als je wil overleven moet je risico’s nemen. En het is beter om in de zee dood te gaan dan hier te zitten en niets te doen.’ Zijn vrienden knikken instemmend.

‘Hier is geen werk, hier is niks’, zegt Yaya. ‘Het is vreselijk frustrerend om te zien hoe je ouders lijden. Elke dag moeten ze vechten om jou en je broers en zussen te eten te kunnen geven, terwijl jij al volwassen bent en helemaal niets kunt bijdragen.’ Lamin en Yaya zijn vroegtijdige schoolverlaters. Hun ouders moesten de keuze maken: schoolgeld betalen of eten.

Op een afstandje staat visser Lamin Jarju (45) naar de jongens in de boot te kijken. Hij kent ze. Iedereen kent elkaar hier. ‘Dit zijn de grootste vissersschepen die we hebben’, zegt Jarju. ‘Er kunnen meer dan tweehonderd mensen in. Deze gebruiken we dus voor de backway.’

Backway is het woord dat de Gambianen hebben verzonnen voor de clandestiene emigratie. Het is een mooie, doeltreffende term: als Europa de voordeur op slot gooit, dan gaan wij gewoon achterom. En die dichte voordeur, dat is de praktische onmogelijkheid om voor een Europees visum in aanmerking te komen. Alleen een kleine elite van welgestelden maakt kans.

© Lex Rietman

Visser Lamin Jarju: ‘Het begint ermee dat een paar mensen het besluit nemen samen te vertrekken. Vaak zijn dat vissers. Meestal zit er wel iemand bij met een eigen boot, een kapitein met ervaring op volle zee, iemand die met navigatiesystemen kan omgaan. En zo niet, dan zijn die hier makkelijk te vinden.’

Wie zijn degenen die hier in Tanji de backway-trips organiseren? Jarju aarzelt geen moment: de inwoners zelf. Iedereen kan organisator zijn. Of agent, zoals ze hier genoemd worden, reisagent. ‘Het begint ermee dat een paar mensen het besluit nemen samen te vertrekken. Vaak zijn dat vissers. Meestal zit er wel iemand bij met een eigen boot, een kapitein met ervaring op volle zee, iemand die met navigatiesystemen kan omgaan. En zo niet, dan zijn die hier makkelijk te vinden.’

De boot vult zich vanzelf. De enige handicap bij de werving is dat het discreet moet gebeuren. Mede onder druk van Europa surveilleert de politie steeds intensiever. ‘Als ze erachter komen dat er een boot vertrekt, verschijnt de politie met groot machtsvertoon’, zegt Jarju.

‘Ze arresteren iedereen. Maar voor ons is migratie geen misdrijf. De organisatoren zijn geen criminelen maar gewone vissers, de mensen uit Tanji zelf. De kapiteins maken deel uit van de lokale gemeenschap. Mensen zeggen tegen hen: ‘Onze kinderen willen reizen en jij hebt een boot. Help ons alsjeblieft, we betalen je ervoor!’ De drie- of vierhonderd euro die de reis kost, hebben ze er graag voor over.’

‘De organisatoren van de bootreizen zijn mensen uit de plaatselijke gemeenschap. Vanuit juridisch oogpunt zijn het misdadigers, maar voor de samenleving niet.

Lokaal georganiseerd, eigen initiatief van migranten (in West-Afrika bijna altijd ‘reizigers’ genoemd), ‘gewone mensen’ in plaats van criminele netwerken als organisator van de backway-trips, en een verrassend positief beeld van de smokkelaars: het zijn elementen die steeds terugkeren in onze gesprekken met deskundigen en betrokkenen in de belangrijkste vertrekhavens van Gambia en Senegal.

Neem Khady Ndoye (40), migratiespecialist en rechtbankverslaggever in Mbour, Senegal. ‘De organisatoren van de bootreizen zijn mensen uit de plaatselijke gemeenschap’, zegt ze. ‘Vanuit juridisch oogpunt zijn het misdadigers, maar voor de samenleving niet. Wie hier een misdrijf pleegt, wordt geïsoleerd door de familie. Als je convoyeur (organisator van clandestiene boottrips, LR) bent, gebeurt dat niet. Dat bewijst dat ze niet als crimineel worden gezien.’

Ideeën om te vertrekken komen op als jongeren bij elkaar zitten, niets te doen hebben en dan besluiten om samen een boot te gaan zoeken, zegt ook Ndoye. Je kunt volgens haar dan ook niet spreken van echte organisaties. ‘Bijna alle reizen worden gepland door individuen die elkaar al kenden: vrienden, familieleden, collega’s. Ze leggen contact met een kennis die zeeman is en weet wanneer de oceaan kalm is.’

Bubacarr Fatty is econoom en hoofd research van het Management and Development Institute (MDI) in Kanifing, een toonaangevende universitaire instelling in Gambia. Fatty heeft studies verricht naar de motieven waarom mensen kiezen voor de backway. Voor het Europese frame van de migrant als passief slachtoffer van criminele smokkelnetwerken heeft hij geen enkel bewijs gevonden. Het initiatief ligt bij degenen die willen vertrekken, niet bij de smokkelaars.

© Lex Rietman

Bubacarr Fatty op de campus van het Management and Development Institute (MDI) in Kanifing, Gambia: ‘Vanuit West-Afrikaans perspectief is migratie niet een proces dat beheerst wordt door de logica van supply-push.’

‘Vanuit West-Afrikaans perspectief is migratie niet een proces dat beheerst wordt door de logica van supply-push’, zegt hij. ‘Migratie is demand-pull. Dat wil zeggen dat de vraag naar reismogelijkheden het aanbod creëert, en niet andersom. Het begint ermee dat de lokale bevolking de behoefte voelt om te vertrekken. Om wat voor reden dan ook: onder druk van sociale, economische of politieke omstandigheden, of gedreven door andere factoren zoals klimaatverandering. Deze omstandigheden creëren de behoefte om te vertrekken. De agents spelen simpelweg op die behoefte in.’

Onder jongeren heerst het idee dat je in vijf jaar in Europa veel meer voor je familie kunt doen dan in dertig jaar in West-Afrika.

Uit de studies van Fatty’s team bleek nog iets waar deskundigen in Europa het zelden of nooit over hebben: migranten staan in hoog maatschappelijk aanzien. ‘De sociale omgeving waardeert hun inspanningen veel meer dan die van degenen die ervoor knokken om hier de eindjes aan elkaar te knopen’, zegt Fatty. ‘Dit betekent een maatschappelijke push van jewelste. Het is een sterkere factor dan welke andere ook.’

Onder jongeren heerst het idee dat je in vijf jaar in Europa veel meer voor je familie kunt doen dan in dertig jaar in West-Afrika. Niet alleen jongeren denken er zo over, blijkt uit de onderzoeken van Fatty. Als iemand voet zet op Europese bodem wordt dat door de familie thuis uitbundig gevierd.

Ebo Town is een van de talrijke plekken waar je kunt zien waarom. In deze stoffige volkswijk in Gambia’s grootste stad Serrekunda valt op hoeveel huizen in aanbouw zijn of verbouwd worden op bescheiden familiepercelen. Vraag hoe dat komt en je krijgt steeds hetzelfde antwoord: we hebben een zoon of dochter in Europa die ons geld stuurt.

Buiten de stad is dat niet anders. Onderzoeker Bubacarr Fatty schat dat op het platteland zestig tot zeventig procent van de nieuwe woningen gebouwd wordt met geld dat familieleden vanuit Europa sturen.

‘Los van de gevaarlijke reis ziet de samenleving geen enkel kwaad in de clandestiene migratie’, zegt hij. ‘Het biedt de familieleden die achterblijven kansen die ze anders nooit gehad zouden hebben. Natuurlijk zul je dit niet horen van politici. Maar gewone mensen zeggen: er is helemaal niks mis met de backway. Integendeel!’

© Lex Rietman

De haven van Saint-Louis in Senegal

Mensen die de boottrips naar de Canarische Eilanden organiseren worden door de samenleving dan ook overwegend gezien als weldoeners of zelfs samaritanen. Dat horen we uit diverse bronnen, zoals politicoloog Adama Mbengue uit Dakar. ‘Ze zetten eten op tafel bij veel families’, zegt hij.

Natuurlijk is er ook kritiek. Sommige passeurs (‘veermannen’) nemen je geld aan en verdwijnen met de noorderzon, vertelt de 82-jarige visser en buurtleider Badou Ndoye uit Mbour. Zulke gevallen van oplichting komen vooral voor als de organisator van buiten de lokale gemeenschap komt. Dat zijn echter uitzonderingen. Meestal houden de passeurs of agents zich aan de afspraken. Anders zouden zij zich het leven in de gemeenschap onmogelijk maken.

Ook komt het voor dat zij de boot te vol stouwen, met soms fatale afloop. We hebben een geval in Barra (Gambia) gezien. De agent in kwestie moest vluchten voor de woede van zijn plaatsgenoten. Hij werd opgespoord en wordt nu vervolgd door justitie.

De organisatoren verdienen veel geld. Dat staat vast. Hoeveel precies is moeilijk te schatten. Zowel in Senegal als in Gambia betalen hun klanten meestal rond de vierhonderd euro, met een maximum van achthonderd euro. Verder mag op elke expeditie een aantal mensen gratis mee: de kapiteins en hun crew, naaste familie of goede vrienden van de organisator. Anderen krijgen korting omdat zij wanhopig zijn en het geld niet bij elkaar kunnen krijgen.

Afhankelijk van de omvang van de boot ligt de bruto-opbrengst tussen de veertig- en tachtigduizend euro. Na aftrek van onkosten (boot, buitenboordmotoren, navigatiesysteem, brandstof, proviand) blijft per trip twintig- tot veertigduizend euro winst over.

Het Europese beleid drijft de rentabiliteit van de smokkelaars dus op.

Dat is de schatting van Mountaga Kane, een ervaren journalist uit Mbour die veel reportages over de clandestiene migratie maakte. De winst wordt gedeeld door de organisatoren en hun helpers. Hun aantal kan oplopen tot tien personen of meer. Dat komt neer op zo’n twee- tot vierduizend euro per persoon per expeditie. Daarvoor riskeren zij dan wel enkele jaren gevangenisstraf.

Het jaarinkomen per hoofd is volgens de Wereldbank 1430 dollar in Senegal en 750 in Gambia. Voor West-Afrikaanse begrippen maken de smokkelaars dus enorme winsten. Maar waarschijnlijk zijn het geen bedragen waar een ‘complex, meedogenloos en multinationaal netwerk van migrantensmokkelaars’ warm voor zou lopen. Tenzij één grote migratiemaffia de hele West-Afrikaanse kust zou beheersen. Dat is dus niet het geval.

Europese leiders en politiediensten als Europol grijpen de bruto-opbrengsten van deze bootexpedities graag aan als bewijs voor de stelling dat het om misdadige organisaties gaat waarvan de migranten het slachtoffer zijn. Misschien vergeten zij dat die opbrengsten vooral bepaald worden door de mate waarin de West-Afrikaanse kust bewaakt wordt – iets wat vooral gebeurt op aandringen van (en tegen betaling door) Europa.

Zo kost een clandestiene bootreis van de Westelijke Sahara naar de Canarische Eilanden tweeduizend euro. De afstand is honderd kilometer, vijftienmaal korter dan vanuit Senegal. Maar de prijs is vijfmaal zo hoog, omdat de pakkans in dit door Marokko bezette gebied vele malen groter is. Het Europese beleid drijft de rentabiliteit van de smokkelaars dus op. We weten overigens niet in hoeverre je in Marokko kunt spreken van maffia-achtige smokkelnetwerken.

Volgens een populaire visie behoren de bootvluchtelingen niet tot de armste lagen van de bevolking in hun land: ‘Kijk maar eens hoeveel ze de maffia’s betalen!’ Daar zit een (kleine) kern van waarheid in. In de praktijk lukt het echter ook veel arme families in Senegal en Gambia om de doorsnee reissom van vierhonderd euro op tafel te leggen. Ze verkopen hun bezittingen, hun land en hun vee om een van hun kinderen naar Europa te kunnen sturen. Een familie-investering dus, in de hoop dat toekomstige geldzendingen de gezamenlijke inspanning zullen belonen.

‘Wie niet kon betalen en straks succes heeft in Europa, compenseert ons misschien een beetje. Zo doen we dat.’

En heb je helemaal niets om te verkopen, dan zijn er altijd nog agents als Adama in Bakau, Gambia. Adama (niet zijn echte naam) organiseert samen met zijn neef eens per jaar een trip naar de Canarische Eilanden. Hij is visser, muzikant en sinds vijf jaar dus ook agent. Hij is er trots op dat zijn schepen altijd veilig zijn aangekomen.

Hij laat een video zien van de laatste reis, opgestuurd vanuit Gran Canaria. De boot is niet te vol, er wordt gekookt, gezongen en gelachen. Het zijn bijna allemaal vrienden en bekenden uit de buurt, de rest komt uit buurlanden als Mali, Guinee en Ivoorkust. Veertig van de honderd konden niet betalen, maar mochten toch instappen. ‘We zijn hier allemaal arm, we helpen elkaar’, zegt Adama. ‘Wie niet kon betalen en straks succes heeft in Europa, compenseert ons misschien een beetje. Zo doen we dat.’

Migranten die in een boot naar de Canarische Eilanden stappen voelen zich geen slachtoffer. Misschien wel van hun sociaal-economische omstandigheden of van het strikte Europese visumbeleid, maar niet van de smokkelaars. Dat zijn juist degenen die hen de kans bieden op een betere toekomst. ‘Sommigen zien de passeurs als profiteurs en uitbuiters’, zegt de Senegalese journalist Mountaga Kane. ‘Vooral na enkele geruchtmakende ongelukken. Maar de meerderheid van de bevolking beschouwt ze als mensen die arme families helpen.’

In Saint-Louis, de koloniale havenstad in het uiterste noorden van Senegal, stuiten we vanuit onverwachte hoek op begrip voor de smokkelaars. Kolonel Souleymane Cissé is chef van de gendarmerie in de noordelijke regio van Senegal. Hij is verantwoordelijk voor de grensbewaking en de kustwacht, en dus ook voor de strijd tegen de illegale migratie in dit deel van het land. Een permanent team van tien Spaanse agenten van de Guardia Civil staat hem daarin bij. Vorig jaar onderschepten ze dertien schepen met 2600 migranten aan boord. Dat zijn vooral jongeren zonder werk door de crisis in de visserij, zegt Cissé.

© Lex Rietman

De haven van Saint-Louis in Senegal

Hoe ziet hij degenen die deze jongeren in een boot naar Europa helpen? ‘Het ligt er maar aan waar je bent’, zegt kolonel Cissé. ‘Als je in Europa bent kun je ze misschien zien als slechte mensen. Maar als je hier bent ligt dat anders.’ En wat denkt hij ervan dat Europese leiders zeggen dat ze niet tegen migranten strijden, maar tegen maffia’s en criminele netwerken? ‘Ik ben in uniform’, zegt hij glimlachend. ‘Dus ik heb geen mening.’

In de herfst van 2020 begint Madrid een diplomatiek offensief in West-Afrika. Het valt samen met de ongekende groei van de stroom bootvluchtelingen naar de Canarische Eilanden. Leden van de Spaanse regering vliegen af en aan naar de hoofdsteden in de regio.

Binnen enkele maanden reizen minister Arancha González Laya van Buitenlandse Zaken en haar staatssecretaris Cristina Gallach naar Senegal, Gambia en vijf andere herkomstlanden in de regio. Daarmee wordt de samenwerking opgevoerd die Spanje in 2006 was aangegaan met West-Afrikaanse regeringen om een eind te maken aan de zonenoemde cayuco-crisis. In dat jaar bereikte een recordaantal van 32.000 bootvluchtelingen de Canarische archipel.

‘Hier worden de organisatoren agents genoemd. Misschien vormen ze een netwerk. Maar het zijn geen criminelen.’

In april dit jaar krijgt Senegal opnieuw bezoek uit Spanje, ditmaal van premier Pedro Sánchez. De strijd tegen de maffia’s – of illegale migratienetwerken, zoals ze in de officiële persberichten worden genoemd – staat steeds bovenaan de agenda. Dat betekent meer geld en materiële hulp voor grensbewaking in West-Afrika. Daarnaast krijgt Gambia dit jaar 39 miljoen euro van het EU-noodfonds voor Afrika. Uit dezelfde pot ontvangt Senegal 171 miljoen. Een belangrijk deel van dat geld is bedoeld voor “migratiebeheersing”.

Manding Saidykhan is hoofd migratie op het ministerie van Binnenlandse Zaken in Gambia. Hij zat aan tafel met de delegaties uit Europa. ‘Europese leiders komen hierheen met een heel bepaalde agenda’, zegt hij in zijn kantoor op het minsterie. ‘Ze willen vooral praten over repatriatie en deportatie van Gambianen. En ze willen dat wij de grens bewaken. Dat deden we natuurlijk al. Maar het is ondoenlijk om iedereen tegen te houden. Migratie kan niet gestopt worden. Dat is de realiteit. Het is iets onvermijdelijks. We weten dat het voor de meeste mensen praktisch onmogelijk is om aan een visum voor Europa te komen. Daarom gaan ze backway.’

Op de vraag wat Saidykhan vindt van de Europese nadruk op de rol van maffia’s en criminele netwerken bij de clandestiene migratie, aarzelt hij even. ‘Ik weet het niet’, zegt hij. ‘Hier worden de organisatoren agents genoemd. Misschien vormen ze een netwerk. Maar het zijn geen criminelen.’

Meer dan twintig procent van de West-Afrikanen die dit jaar de oversteek maakten naar de Canarische eilanden is om het leven gekomen.

Grande-Marlaska heeft zijn belofte niet ingelost. Met een harde aanpak van de migratiemaffia’s beloofde de Spaanse minister van Binnenlandse Zaken in november vorig jaar een vermindering van de migratiestroom naar de Canarische Eilanden. Het tegenovergestelde is het geval. Tot halverwege oktober zijn er bijna tweemaal zo veel bootvluchtelingen op de archipel aangekomen als in dezelfde periode vorig jaar.

Het aantal dodelijke slachtoffers op de Atlantische route is nog sneller gestegen. De Spaanse ngo Caminando Fronteras heeft in de eerste helft van dit jaar 1922 doden en vermisten gedocumenteerd. Naast bijna zevenduizend behouden aankomsten wil dat zeggen dat meer dan twintig procent van de West-Afrikanen die dit jaar de oversteek maakten om het leven is gekomen. In heel 2020 werden 1851 slachtoffers geteld. Dat was iets minder dan 7,5 procent van het totaal aantal bootvluchtelingen. De balans is kil: de kans dat een migrant op deze route om het leven komt is dit jaar bijna driemaal zo groot als in 2020.

Maffia’s en criminele migratienetwerken zijn intussen niet opgerold. Niet omdat het de politie en de kustwacht aan middelen ontbrak, maar simpelweg omdat ze hier niet bestaan. Volgens het Deense Instituut voor Internationale Studies (DIIS) zijn er duidelijke aanwijzingen dat ook op andere migratieroutes naar Europa de ‘facilitatie van irreguliere migratie’ bij lange na niet het uitsluitende domein is van transnationale criminele netwerken.

Kleinschalige, lokaal opererende groepjes mensen doen het in toenemende mate: migranten die elkaar helpen, familie, vrienden. Hun winsten zijn beperkt en worden vrijwel onmiddellijk geïnvesteerd in de lokale gemeenschap. ‘Het EU-beleid op het gebied van migratie is eurocentrisch en vaak gebaseerd op de perspectieven van een specifiek groepje commentatoren en analisten’, schrijft Gabriella Sanchez van het DIIS. ‘Zoals veel wetenschappers hebben aangetoond leidt dit tot het simpelweg herhalen van bestaande verklaringen en theorieën over smokkel.’ Officiële inzichten blijven zo kritiekloos voortbestaan.

De mythe van de migratiemaffia’s moet op de helling. Er is alleen een probleem. Tegen wie gaan we dan al die Europese miljarden voor migratiebeheersing inzetten? Tegen die arme migranten, die we altijd hebben opgevoerd als de kwetsbare slachtoffers van meedogenloze, multinationale bendes van mensensmokkelaars? Of deden we dat al, en waren die maffia’s vooral een nuttige bliksemafleider?

© Lex Rietman

In de vissershaven van Tanji (Gambia), niet meer dan een strand, heerst de hele dag drukte en bedrijvigheid. Het is een vertrekplaats voor clandestiene migratie naar de Canarische eilanden.

Het onderzoek

Het veldwerk voor het onderzoek in Gambia en Senegal werd verricht in samenwerking met de Gambiaanse journalist Fabakary B. Ceesay. In maart en april bezochten we de voornaamste vertrekplaatsen van bootvluchtelingen: Tanji, Bakau en Barra in Gambia, Mbour, Saly, Dakar en Saint-Louis in Senegal. We spraken daar met honderden direct betrokkenen en deskundigen op het gebied van clandestiene migratie. Een vijftigtal werd uitgebreid geïnterviewd, velen in hun eigen taal (Wolof of Mandinka).

In mei volgde een reeks interviews met recent aangekomen West-Afrikaanse migranten op Gran Canaria en Tenerife. Een analyse van officiële documenten, persartikelen en wetenschappelijke papers completeerde het onderzoek.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Money Trail project

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift