Kisenyi, een door drugs geteisterde sloppenwijk in de Oegandese hoofdstad Kampala

Dit is de frontlinie van de ontluikende Afrikaanse War on Drugs

© Arne Gillis

Druggebruikers in Kisenyi, Kampala, September 2018

Voor Dodi is hoop iets materieels. Het kost 5000 shilling (1,20 euro) en komt meestal uit een pijpje gemaakt van zilverpapier. Het verdwijnt in zijn keelgat, raast rond in zijn longen. Het pompt zijn bloed als een tsunami door zijn hart. Wijdopengesperde ogen kijken intussen in alle rust naar de realiteit. Die ligt weliswaar veraf, maar lijkt behapbaar, zelfs overwinnelijk.

Met de optrekkende wolk van verbrande crack die uit Dodi’s mond komt, verdwijnt ook de hoop. Zo gaat het altijd opnieuw. Als het wat meezit zeker vijf keer per dag.

In een vorig leven was hij dj Dodi en maakte furore in de nachtclubs van de Burundese hoofdstad, zijn geboortestreek.

‘Door de politieke problemen kwam ik via een omweg in Rwanda hier in Kampala terecht. Overal waar ik kwam, zocht ik contact met de Congolezen. Zij hebben dikwijls de fijnste nachttenten, ook hier in Kampala. Zo kwam ik als dj aan de kost. Ik was succesvol. Om wat geld extra te verdienen begon ik hier en daar wat drugs te verkopen aan klanten. Vooral buitenlanders vroegen me vaak of ik aan drugs kon geraken. Iemand overtuigde me om het zelf eens te proberen. En nu zit ik hier.’

Voor mij zit op het eerste zicht een meelijwekkend figuur. Zijn holle ogen fixeert hij bijna zonder onderbreken op de pijp. Maar Dodi is welbespraakt en zijn elegant accent verraadt geen leven in de marge. ‘Vergis je niet, ik doe alles om high te worden’, bezweert Dodi me. ‘Maar een sukkel ben ik niet. Ik raap geen oud ijzer zoals de straatkinderen hier doen, nooit gedaan.’

Van spijt is geen spoor terug te vinden in zijn gelaatstrekken. Drugs hebben het licht uit zijn ogen gestolen.

Breed gesticulerend praat hij over een verleden dat niet meer bestaat. Maar van spijt is geen spoor terug te vinden in zijn gelaatstrekken. Drugs hebben het licht uit zijn ogen gestolen.

Vandaag gaat hij zelf mensen bestelen in de rijkere wijken van Kampala. ‘Ik steel motorfietsen en verkoop ze onderdeel per onderdeel.’ Al drie keer belandde hij door dergelijke diefstallen in Luzira, Kampala’s zwaar overbevolkte en strengbeveiligde gevangenis.

© Arne Gillis

Dodi, Kisenyi, Kampala, September 2018

Open ruimtes

Dit is Kisenyi, een ruige buurt pal in het centrum van Kampala. De wijk vormt het actieterrein van Uganda Harm Reduction Network (UHRN), een kleine organisatie gerund door voormalige gebruikers. Het is de enige organisatie in Oeganda die opkomt voor de belangen van verslaafden.

Vanuit een klein kantoortje in een andere wijk probeert de organisatie aan schadebeperking te doen. Anoniem – het stigma dat op druggebruikers kleeft, slaat soms ook over op hen. Al verschillende keren moesten ze het kantoor verhuizen na bedreigingen van buurtbewoners.

‘We willen de ruimte creëren waarin gebruikers informatie kunnen uitwisselen over ontwenning, het veilig gebruik van naalden en de overdracht van ziektes’, zegt UHRN-directeur Syrus. ‘Druggebruik is op zich al schadelijk genoeg — we willen dat gebruikers op z’n minst geïnformeerde beslissingen maken.’

Syrus legt uit waarom het druggebruik het risico op ziektes exponentieel laat toenemen. ‘Je ziet heel vaak dat mensen niet genoeg geld hebben om een shot heroïne voor zichzelf te kopen. Daarom wordt de naald gedeeld – iedereen krijgt naargelang de hoeveelheid die ze hebben betaald. Zo verspreiden ziektes als HIV zich natuurlijk als een lopend vuurtje.’

UHRN creëert veilige gebruikersruimtes waar gebruikers propere naalden krijgen om dit risico in te dammen. Maar het grootste deel van hun energie wordt ingezet om de gebruikers in de wijken te bereiken.

‘Ik begon op mijn elfde direct met heroïne. Wiet en khat — onkruid. Wie rookt er nu onkruid?

Bull Lubowa, één van de straathoekwerkers van UHRN, is geboren en getogen in Kisenyi. Lubowa laat zich al snel kennen als een man van uitersten.

Eigenhandig zette hij de stepping stone-theorie op zijn kop. ‘Ik begon op mijn elfde direct met heroïne. Wiet en khat (een voornamelijk in Somalië gebruikte plantaardige drug, ag.) — onkruid. Wie rookt er nu onkruid?’, beargumenteert Lubowa zijn keuze. ‘Op een dag werd ik wakker, en had er genoeg van. Ik bekampte de junxt met wiet en alcohol, tot ik me sterk genoeg voelde om ook daarmee te stoppen.’

Lubowa’s taal is doorspekt met Oegandese slang. ‘Junxt’, zo verklaart hij, is de fysieke en emotionele pijn die gepaard gaat met afkickverschijnselen. ‘Wat ik heb gedaan, houdt geen dokter voor mogelijk’, lacht Lubowa.

Maar verscholen achter de façade van potige grootspraak gaat een begeesterd man schuil. Waar veel ex-gebruikers uit noodzaak volledig breken met het wereldje, kon Lubowa zijn voormalige drugsbroeders niet zomaar de rug toekeren.

Gewapend met een rolletje posters onder de arm trekt Lubowa zijn door drugs geteisterde wijk binnen. Vanaf de geasfalteerde hoofdweg versmallen de straatjes per bocht die Lubowa neemt. Vrouwen bereiden eten midden op de straat. Kippen scharrelen tussen de achtergelaten groenteschillen. Mannen sleutelen aan motorfietsen. Kisenyi lijkt op om het even welke volkse wijk in een gemiddelde Afrikaanse hoofdstad. Er is muziek, mensen lachen. Niets wijst op de drama’s die zich in de wirwar van steegjes afspelen.

© Arne Gillis

Bull Lubowa in Kisenyi, Kampala, September 2018

Na nog een bocht worden die plots zo smal dat je met elk hand een andere muur kan aanraken. Een man ligt uitdrukkingloos op de grond, de knieën gewikkeld in een smerig verband. ‘Kreeg klappen van de politie toen hij aan het roven was’, zegt Lubowa. ‘Maar we zijn er. Kom binnen.’

De geur van uitlaatgassen van de hoofdstraat heeft intussen plaatsgemaakt voor de zoete geur van opium en crack. Een oude man ligt hevig zwetend op de drempel van een huis met slechts een smalle opening als deur. Hij reageert niet wanneer twee mensen over hem heen klauteren. In de ruimte van zo’n vier op vijf meter liggen gemakkelijk veertig verslaafden op en over elkaar. Ze zijn jong en oud, mannen en vrouwen zitten door elkaar. Het grootste deel ziet eruit als levende lijken, bezeten door de onzichtbare hand. Binnen is het bloedheet. De lucht in het krot is zwanger van de rook.

‘Alleen al in dit blok zijn er vijf van zulke dens, weet Lubowa. ‘Er wordt vooral drugs gebruikt, maar je kan er ook kopen. Voor gebruikers gaat de heroïne per vingerpunt en kost 20.000 shilling.’

Hij hangt een postertje op. Er prijkt een nummer op van zijn organisatie en de boodschap die UHRN uitdraagt. Het kleurrijke papier steekt schril af tegen de beschimmelde muur van het pand.

Chase the dragon’, grijnst Dodi.

‘Die daar wil afkicken’, wijst Lubowa. Vanuit een zee aan lichaamsdelen monstert een tandeloze grijns een onbestemd punt ergens achter ons. ‘We hopen dat we hem binnenkort kunnen overtuigen om naar ons centrum te komen.’

Vlakbij de deuropening zit Dodi, de dj uit Burundi. Hij maakt zich net klaar om opium te roken, maar Lubowa staat erop om me aan hem voor te stellen. ‘Chase the dragon’, grijnst Dodi.

‘Vraag hem eens wat ik heb gedaan?’ glundert hij in mijn richting. Dodi blijft naar de grond kijken. ‘Hij is afgekickt’, mompelt hij vol ongeloof.

‘Volledig op eigen kracht’, voegt Lubowa toe. ‘Ik heb het verdomme gedaan zonder hulp. Geen methadon, niks. Niemand heeft mij dat ooit voorgedaan in Kisenyi.’

Lubowa is al zeven jaar clean, maar het verhaal wekt nog steeds bewonderende blikken op in de wijk.

© Arne Gillis

Crack in Kisenyi, Kampala, September 2018

Zo lek als een zeef

Het World Drug Report, een uitgave van het drugsagentschap van de Verenigde Naties, noemt verschillende Oost-Afrikaanse landen als doorvoerpunten van zowel heroïne uit Azië als cocaïne uit Latijns-Amerika. Het zijn in de eerste plaats doorvoerlanden, maar een blik op de straat leert dat er zich een interne markt van gebruikers aan het ontwikkelen is.

Met de snowballmethode schat UHRN dat er alleen al in Kampala vandaag zo’n 800 intraveneuze druggebruikers wonen. ‘De crack- en opiumrokers zijn daar nog een veelvoud van’, stelt Lubowa. In het pand in Kisenyi lijken crack en opium inderdaad de verkozen roesmiddelen: hier en daar gehavende armen, veel voortanden in staat van ontbinding.

Betrouwbare gegevens zijn amper beschikbaar, maar Lubowa herinnert zich hoe die interne markt zich ontwikkelde.

‘Het was een Pakistaan die zichzelf Hassan noemde, een tiental jaar geleden. Ik was nog een jongetje, en net zoals de meesten hier verzamelde ik oud ijzer om te verkopen. Ik kende niks anders. De Pakistaan kwam Kisenyi binnengewandeld met pakken heroïne en betaalde de mensen die het verkochten. Er kwamen Oegandezen, Rwandezen en Congolezen om het spul te kopen. Eerst betaalde hij de buurtbewoners in cash, later ook in de vorm van drugs. Sommigen werden zo verleid om de drugs te beginnen gebruiken.’

Het tijdskader dat Lubowa hanteert, komt ongeveer overeen met de bevindingen van het UNODC. Hun World Drug Report uit 2014 spreekt over een ‘significante toename sinds 2010’ van de hoeveelheid heroïne die passeerde door de Oost-Afrikaanse landen Tanzania, Kenia, Ethiopië en Oeganda. In het geval van Oeganda werd de drugs verscheept via Entebbe International Airport.

Het verbaast UHRN-directeur Syrus weinig dat internationale drughandelaars ook naar Oeganda kijken als draaischijf. ‘De Oegandese grenzen zijn zo poreus dat het niet moeilijk kan zijn om de drugs te smokkelen. Het zijn artificiële grenzen, dwars door niemandsland. Er zijn geen middelen om die grenzen te controleren. Bovendien is de douane notoir corrupt.’

Intussen worden op die luchthaven met de regelmaat van de klok mensen opgepakt die drugs proberen smokkelen. In juni 2018 werd nog een Venezolaanse vrouw veroordeeld tot 22 jaar en een boete van 10 miljoen shilling (zo’n 2300 euro) voor het smokkelen van 1,66 kilo cocaïne. In augustus werden twee medewerkers van de luchthaven gesnapt met 8 kilo heroïne. Ze bengelen aan het einde van een lange lijst sukkelaars die overtuigd werden om voor een habbekrats drugs te smokkelen.

© Arne Gillis

Opiumgebruiksters in Kisenyi, Kampala, September 2018

War on Drugs

Het merendeel van hen rot sindsdien weg in ’s lands gevangenissen. Want dat Oeganda in toenemende mate kampt met een drugprobleem, is intussen ook doorgedrongen bij de regering.

In 2016 kondigde de regering-Museveni de Narcotic Drugs and Psychotropic substances Act af. De wet verving een andere Act die door verschillende waarnemers werd gezien als te soft. Zowel trafikanten als gebruikers werden tot dan toe maximaal één jaar gevangen gezet en moesten een schamele boete betalen.

Onder de nieuwe wet werd voorzien in veel strengere straffen voor trafikanten, maar ook gebruikers worden niet ontzien. Louter bezit wordt bestraft met gevangenisstraffen die variëren tussen de tien en de 25 jaar. De maximale straf voor drugtrafiek werd vastgelegd op levenslang.

‘Je kan het drugprobleem alleen maar indammen als je het behandelt als een gezondheidsproblematiek.’

UHRN-directeur Syrus vindt dat wraakroepend. ‘Gebruikers zullen het nu nog moeilijker vinden om hulp te zoeken voor hun probleem. Je kan het drugprobleem alleen maar indammen als je het behandelt als een gezondheidsproblematiek. Door het te beschouwen als een zaak voor justitie, marginaliseer je deze mensen alleen maar verder. Daar help je ze geen stap mee vooruit.’

***

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
‘Waarom plof je geen mes in mijn buik? Je kan mijn camera verkopen en er met de opbrengst drugs mee kopen voor de rest van dit decennium’, vraag ik Dodi.

Hij zwijgt en recht zijn rug.

‘Ook junks hebben een code’, zegt hij tenslotte. ‘Bovendien, ik zou binnen de twee dagen dood zijn.’

‘Zullen we vrienden worden op Facebook?’, vraagt hij ter afscheid.

Een foto uit 2011 laat een vrolijke familieman zien.

‘Rasta, je ziet er te beroerd uit om hier platen te draaien!’ Zijn relaas over hoe hij eruit werd getrapt door de Congolese baas van één van Kampala’s fijnste nachtclubs galmt na in mijn hoofd.

© Arne Gillis

Crackgebruiker in Kisenyi, Kampala, September 2018

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur