Chemiereus DSM produceert met vitamines verrijkte maïspap in Rwanda

Geeft deze Nederlandse multinational het goede voorbeeld aan andere grote bedrijven in Afrika?

© Michael Rhebergen

 

Sinds een jaar produceert chemiereus DSM met vitamines verrijkte maïspap in Rwanda. Geeft de Nederlandse multinational daarmee het goede voorbeeld aan andere grote bedrijven in Afrika?

De Bahimba Vallei ligt een dik uur rijden ten noordwesten van Kigali. Het is er bergachtig en helder groen. Rwanda heet niet voor niets het land van de duizend heuvels. Op de heuveltoppen liggen overal kleine dorpjes, in de uitgestrekte dalen theeplantages. Het regenseizoen is net begonnen. Grote grijze wolken komen langzaam de vallei binnendrijven.

Eric Habimana heeft enkele tientallen boeren samengeroepen in een grote schuur met een golfplaten dak. Hij staat aan het hoofd van een grote landbouwcoöperatie met meer dan duizend leden, vertelt hij: ‘Als de regen hier straks losbarst, beginnen de problemen. Dan gaat onze maïs schimmelen door de nattigheid. We hebben daarom geld bij elkaar gelegd om daarmee een grote opslagschuur te bouwen waar alle coöperatieleden gebruik van kunnen maken. Vanaf volgend oogstseizoen moet die gereed zijn voor gebruik.’

De boeren uit de vallei verbouwen vooral maïs en zoete aardappels. Sinds een jaar verkopen ze hun maïs aan het in de hoofdstad Kigali gevestigde bedrijf Africa Improved Foods (AIF): een gloednieuw consortium met de Nederlandse chemiereus DSM als schitterend middelpunt. AIF produceert maïspap met daaraan toegevoegde vitamines en mineralen. Die wordt afgenomen door de Rwandese overheid om ondervoeding te bestrijden – en op grote schaal verkocht aan het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties (VN) om vluchtelingen in heel Oost-Afrika te voeden.

© Michael Rhebergen

De maïspap met daaraan toegevoegde vitamines en mineralen wordt afgenomen door de Rwandese overheid om ondervoeding te bestrijden – en op grote schaal verkocht aan het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties (VN) om vluchtelingen in heel Oost-Afrika te voeden.

Om al die pap te kunnen produceren heeft AIF op jaarbasis zo’n 23.000 ton maïs nodig. Die moet, verplicht door de Rwandese overheid, grotendeels ingekocht worden bij lokale boeren zoals Eric Habimana. ‘Onze regering heeft niet voldoende geld om in de rurale economie te investeren,’ vertelt hij gepassioneerd. ‘Daarom hebben wij veel moeite onze gewassen naar de markt te brengen omdat de wegen zo slecht zijn. Lokale graanhandelaars betalen bovendien vaak minder dan de door de overheid vastgestelde minimumprijs. Het binnenhalen van AIF was een slimme zet omdat ze meer betalen en veel maïs kopen. Sinds we leveren aan AIF is onze omzet verviervoudigd en hebben we eindelijk geld om te investeren in opslag. Op die manier kan de hele regio zich ontwikkelen.’

Afrikaans avontuur

Op een modern fabrieksterrein in de heuvels net buiten Kigali schenkt Tom Swinkels een kop koffie in. We zijn in de fabriek van Africa Improved Foods. Buiten blinken tien grote opslagsilo’s vol met maïs in de Afrikaanse zon. Binnen het consortium AIF is chemiemultinational DSM grootaandeelhouder, maar het project is mede gefinancierd door onder meer de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO en de International Finance Corporation (een tak van de Wereldbank).

Ook de Rwandese regering bezit een deel van de AIF-aandelen, vertelt Swinkels: ‘Rwanda was op zoek naar een internationale partner om verrijkte maïspap te produceren en ondervoeding tegen te gaan. Als bedrijf verbeteren we op onze beurt de waardeketen in de Rwandese landbouw doordat we bepaalde eisen stellen aan lokale boeren en ze daarin ook ondersteunen. Ik ken weinig Afrikaanse regeringen die zó efficiënt samenwerken met de private sector om hun doelen te verwezenlijken als de Rwandese.’

Rwanda heeft goed begrepen dat in de agrarische productieketen het meeste geld wordt verdiend aan verwerkte producten als chocolade, kaas of pap – niet met cacao, melk of maïs. Door internationale voedselverwerkende bedrijven naar Rwanda toe te halen wil de regering geld verdienen binnen de eigen landsgrenzen en ook nog eens een afzetmarkt creëren voor kleine boeren, zegt minister van Landbouw Gérardine Mukeshimana: ‘Vijfenzestig procent van de Rwandese bevolking werkt in de landbouw. Rurale banen creëren is vreselijk belangrijk in een dichtbevolkt land als dit. Voor ons is samenwerking met de private sector cruciaal. Buitenlandse bedrijven brengen immers kapitaal en technische kennis met zich mee én ze fungeren als vliegwiel voor lokale economische ontwikkeling.’

© Michael Rhebergen

 

Bijna een kwart eeuw na de bloedige genocide gaat het bergopwaarts met Rwanda. In 1994 werd er binnen drie maanden tijd bijna een miljoen mensen afgeslacht met machetes, kogels en handgranaten. Nu tekent de Wereldbank groeicijfers op van ruim zeven procent. Alle steden en veel dorpen zijn aangesloten op een redelijk functionerend elektriciteitsnet en goed bereikbaar via een gloednieuw snelwegennet.

Onder het ijzeren bewind van president Paul Kagame en zijn Rwandees Patriottisch Front (RPF) is de economie pijlsnel gegroeid. De regering heeft daarbij vooral ingezet op ICT-ontwikkeling en een robuuste dienstensector, het tegengaan van corruptie, goed onderwijs en infrastructuur. Kagame wil Rwanda door strakke economische planning veranderen van een achtergebleven landbouweconomie in een middeninkomensland.

Op het eerste gezicht lijkt hij daar succes in te hebben. Kigali verandert langzaamaan in een zakelijke hub voor internationale bedrijven die Oost-Afrika willen bedienen (maar dan zonder de gewoonlijke corruptie en criminaliteit). Kigali is veilig, vervuilende auto’s mogen het land niet meer in en zelfs de ontelbare mototaxi’s houden zich aan de verkeersregels.

De hoofdstedelijke straten worden dwangmatig schoongehouden en met regelmaat rijdt er een legertruck vol zwaarbewapende soldaten langs om de boel in de gaten te houden. Sleutel tot de Rwandese ontwikkeling is immers het binnenlokken van buitenlands kapitaal. Kosten noch moeite worden daarom gespaard om het imago van Rwanda als ordelijk en corruptievrij streng te bewaken. Het contrast met de chaos en smerigheid in andere Afrikaanse grootsteden als Nairobi of Luanda is enorm.

Economische zone

De fabriek van AIF is gevestigd in de speciale economische zone op een heuveltop net buiten Kigali (naar Chinees model, inclusief belastingvoordeeltjes voor multinationals). Naast AIF zijn er inmiddels ook een koekjesfabriek, de Chinese kledingfabrikant C&H, autobouwer Volkswagen en een bedrijf dat laboratoriumapparatuur maakt neergestreken. In de AIF-fabriek rijden mannen met witte haarnetjes pallets naar vrachtwagens toe, ze plegen onderhoud aan allerhande hypermoderne machines of pakken zwijgend folieverpakkingen in karton.

Een helverlichte opslagloods is tot de nok toe gevuld met dozen vol maïspap. Bestemming: de gigantische vluchtelingenkampen in buurlanden Oeganda, Kenia en Zuid-Soedan. Op de meeste dozen staat het blauwwitte logo van de Verenigde Naties afgedrukt.

© Michael Rhebergen

 

De belangrijkste afnemer van de verrijkte maïspap is het VN-Wereldvoedselprogramma, vertelt zakelijk manager Swinkels: ‘Voor de meeste Rwandezen is ons product simpelweg te duur. Maar de buurlanden van Rwanda zitten vol met vluchtelingen. Al die mensen zijn jarenlang gevoed met graan uit de Verenigde Staten. Amerikaanse hulpclubs zijn bij wet verplicht om in te kopen bij boeren in de VS zelf. Wij proberen het Rode Kruis en andere internationale organisaties ervan te overtuigen bij ons in te kopen. Vluchtelingen in Oeganda voeden met Amerikaanse maïs terwijl Rwanda genoeg produceert slaat helemaal nergens op.’

Afkeuren

Het Rwandese ministerie van Landbouw ligt een beetje verscholen, aan het einde van een zandweg middenin Kigali. Op de parkeerplaats staan diplomatenauto’s en een herdenkingsmonument voor de genocide. Voor haar ministerschap deed Mukeshimana aan de Universiteit van Michigan onderzoek naar droogtetolerantie in bonen.

‘We zien dat de boeren die meedoen aan het project er heel erg van profiteren. Ze zetten meer maïs af, gaan aan de slag als zadenkweker, worden graanhandelaar of krijgen een vaste baan in de fabriek.’

Haar beweegredenen om over te stappen van een bestaan als wetenschapper naar de politiek laat ze liever in het midden. ‘We hebben als overheid een belang genomen in AIF om invloed te kunnen uitoefenen,’ vertelt Mukeshimana. ‘Ook hebben we op voorhand duidelijke regels vastgesteld. Nu zien we de boeren die meedoen aan het project er heel erg van profiteren. Ze zetten meer maïs af, gaan aan de slag als zadenkweker, worden graanhandelaar of krijgen een vaste baan in de fabriek.’

De VN voorspellen dat de Afrikaanse bevolking in de komende vijfendertig jaar zal gaan verdubbelen. In Rwanda is de verwachting dat het aantal inwoners oploopt van de huidige twaalf tot bijna twintig miljoen. Omdat veel Afrikanen nog op het platteland wonen, ondertekenden politieke leiders in 2003 het Comprehensive Africa Agriculture Development Programme (CAADP), een continentaal meesterplan voor landbouwontwikkeling.

Anderhalf decennium later is Rwanda één van de weinige landen die ook echt heeft geïnvesteerd in het platteland. Onder de noemer Crop Intensification Program (CIP) heeft Kigali in 2007 een langlopend programma opgetuigd om de productiviteit in de landbouw te verhogen. Het plan richt zich op verregaande landconsolidatie, het beschikbaar maken van verbeterde zaden en het (in de woorden van de regering zelf) “veranderen van het gedrag van boeren”. Ze krijgen onder het CIP-programma vruchtbaar land – maar moeten daar onder overheidstoezicht vastgelegde marktgewassen op verbouwen. Als de opgelegde targets niet worden gehaald, gaat het land weer terug naar de overheid.

Voor 2024 wil Rwanda nog eens 3 miljard dollar extra in de landbouwsector pompen, verklaart Mukeshimana: ‘De samenwerking met DSM is nog maar het begin. De volgende stap is het ontwikkelen van een eigen thee-industrie. Unilever bouwt op dit moment een fabriek die in 2020 klaar moet zijn.’

Eenpartijstaat

Internationaal oogst Rwanda veel lof voor zijn duurzame ontwikkelingsmodel. Ook voor DSM kleven voordelen aan de aanwezigheid in Rwanda. Topman Feike Sijbesma liet zich in in het Nederlandse dagblad Trouw ontvallen dat de AIF-fabriek in Rwanda voor DSM ‘een mooie entree is in Afrika, dat straks een miljard mensen telt’ en helpt om ‘posities te bouwen waar we op lange termijn baat bij hebben’. Het bedrijf heeft zelfs al plannen voor een tweede AIF-fabriek in Ethiopië.

In Rwanda zijn de hand, ogen en oren van de RPF eenpartijstaat alomtegenwoordig.

Toch is de Afrikaanse werkelijkheid weerbarstiger, vertelt Swinkels. In Rwanda zelf zijn de hand, ogen en oren van de RPF-eenpartijstaat alomtegenwoordig. Vrije pers bestaat er niet en niemand spreekt in het openbaar over politiek zonder eerst te checken of er afluisteraars in de buurt zijn.

‘Er is vanuit de private sector zeker kritiek op het repressieve karakter van het regime,’ geeft Swinkels dan ook toe. ‘AIF merkt daar echter niet zoveel van. Wij zijn één van de grootste bedrijven in Rwanda en creëren veel werkgelegenheid. Dat heeft als gevolg dat de overheid voorzichtig is met het invoeren van maatregelen waar wij en onze boeren last van hebben. Ik durf zelfs te zeggen dat dit land zich zo snel ontwikkelt dankzij de houding van de overheid.’

Importeren

Ook aan de wand van Swinkels’ kleine kantoortje hangt het gestileerde staatsieportret van president Kagame dat elk kantoorgebouw in Kigali lijkt te sieren. Op tafel liggen enkele producten uitgestald. In 2017 kocht AIF slechts veertien procent van alle maïs in Rwanda zelf, vertelt de 26-jarige Nederlander. Het overgrote deel importeert het bedrijf uit Tanzania, Oeganda en zelfs helemaal uit Zambia – landen met beter ontwikkelde landbouwsectoren dan Rwanda.

‘Veel boeren in Rwanda zijn arm en beschikken niet over goede opslagfaciliteiten,’ licht Swinkels toe. ‘Ze drogen hun maïs daarom vaak tussen de buien door op een zeil langs de straat. In zulke vochtige omstandigheden gedijen schimmels goed. De eisen die het VN-Wereldvoedselprogramma hanteert zijn zo streng dat ze veel maïs die in Rwanda gewoon op de markt verkocht wordt, afkeuren. Wij hebben daarom voor honderdduizenden dollars aan maïs moeten weggooien.’

© Michael Rhebergen

Om in de toekomst toch de met de overheid afgesproken hoeveelheid maïs op het Rwandese platteland te kunnen inkopen, geeft AIF nu veldtrainingen aan boeren en experimenteert met efficiëntere ophaalmethodes.

In de brandschone fabriekshal schieten de maïskorrels in razend temp door lange pijpen om te worden schoongemaakt, gedroogd, behandeld met uv-licht, gekookt en tot meel en pap vermalen. Om in de toekomst toch de met de overheid afgesproken hoeveelheid maïs op het Rwandese platteland te kunnen inkopen, geeft AIF nu veldtrainingen aan boeren en experimenteert met efficiëntere ophaalmethodes.

‘We laten onze vrachtwagens helemaal naar afgelegen dorpen in de bergen toe rijden. Daar halen ze hele maïskolven op in plaats van het graan alleen,’ zegt Swinkels met een zucht. ‘Het ontkolven en drogen doen we vervolgens hier in onze fabriek. Daardoor zijn we de ontwikkeling van schimmels voor en hoeven de boeren niet meer naar de markt te fietsen. Maar zelfs dát is een enorme uitdaging omdat de wegen op het platteland zo slecht zijn dat je er met een grote truck vaak niet overheen geraakt.’

Bananenwijn

Desondanks is het AIF gelukt om het aantal Rwandese boeren waarvan wordt ingekocht binnen een jaar te vergroten van 9.000 in 2016 tot 24.000. De vraag is of dat genoeg is. Diane Bampire bezit zeven hectare grond op een uurtje rijden buiten de hoofdstad. Onophoudelijk tikt de boerin op een uit de kluiten gewassen smartphone. Beneden in het dal trekt een eindeloze stoet mensen langs over een rode stofweg. Ze zeulen bundels suikerriet met zich mee of brengen huizenhoge stapels ananassen naar de markt. Het verschil tussen de glanzende façades, ICT-startups en hippe koffietentjes in Kigali en het platteland blijft levensgroot. ‘De slechte wegen op het platteland zijn een groot probleem. Om een beetje maïs naar de markt te brengen moet je eigenlijk al een auto huren. Dat maakt het erg moeilijk om geld te verdienen,’ verzucht Bampire.

© Michael Rhebergen

Het verschil tussen de glanzende façades, ICT-startups en hippe koffietentjes in het centrum van Kigali en de buitenwijken van de staf blijft levensgroot.

Ze serveert twee karaffen zoete bananenwijn op een brede veranda met prachtig uitzicht op de Rwandese heuvels. De wijn maakt ze zelf en verkoopt die in verschillende Rwandese supermarkten. Verderop in de vallei zit een groepje mannen op straat voor zich uit te staren. Ze sleutelen aan brommers, wachten op werk of drinken grote flessen warm bier. ‘Een grote afnemer als AIF beter zijn voor mijn boerenbedrijf. Maar ook voor de dagloners die voor mij werken. Het zou ze meer inkomenszekerheid bieden. Maar de bank doet eindeloos lastig over geld uitlenen aan boeren, dus kan ik niet uitbreiden. Daarbij vrees ik dat de regering teveel nadruk legt op de ontwikkeling van Kigali en te weinig investeert in de rest van Rwanda om het platteland snel genoeg te ontwikkelen.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Onderzoekt ggo’s in Afrika

    Hans Wetzels (Heerlen, 1982) is cultuurwetenschapper en freelance journalist. Hij schrijft over vrijhandel, ontwikkeling en het mondiale voedselsysteem.