In Honduras baden de palmolieplantages in het bloed

In het noorden van Honduras zijn lokale boeren en grootgrondbezitters verwikkeld in een bijzonder bloedig conflict over betwiste stukken land. Opmerkelijk: een van de betrokken partijen, de palmolieproducent Dinant Corporation, kreeg een lening van de International Finance Corporation, een dochter van de Wereldbank.

Panamá dorp, Honduras. Glenda Chávez loopt tussen de sinaasappelbomen van haar familiedomein en nadert het lage hek langs de aanpalende Paso Aguán-plantage van palmolieproducent Dinant Corporation. Aan de andere kant van het hek strekken rijen stekelige palmoliebomen zich mijlenver uit over het groene landschap in het noorden van Honduras.

‘Hier.’ Ze zegt het met een zachte maar vastberaden stem, en wijst naar de plek waar het laatste teken van leven van haar vader is aangetroffen. Aan hun kant van het hek.

Gregorio Chávez, prediker en landbouwer, verdween plots in juli 2012. Uren later vonden mannen uit de boerengemeenschap de machete die Chávez gebruikte tijdens het werk in zijn groententuin. De mannen hadden volgens Glenda ook sleepsporen ontdekt, die leidden naar het territorium van Dinant.

Glenda Chavez bij het graf van haar vader, een van de slachtoffers in de strijd tussen een boerengemeenschap en een palmolieproducent.

© ICIJ

Vier dagen na Chávez’ verdwijning werd zijn lichaam gevonden, begraven onder een stapel palmbladeren. Hij was vermoord met slagen op zijn hoofd, en zijn lichaam vertoonde tekenen die erop wijzen dat hij mogelijk is gefolterd. Dat blijkt uit een moordonderzoek door een speciale procureur van de Hondurese justitie.

Glenda en de andere dorpelingen gingen er meteen van uit dat het leven van haar vader de prijs was die hij betaalde voor zijn preken tegen Dinant, hun tegenstander in een conflict over landeigenaarschap. Het betwiste land was door het bedrijf ingenomen en wordt gebruikt voor palmolieteelt.

Niemand aangeklaagd

‘Deze plantages baden in het bloed’, zegt Glenda Chávez. ‘Mijn vader is niet de enige die hier gestorven is. Meer dan honderd boeren zijn omgekomen terwijl ze hun land verdedigden.’

Speciaal procureur Javier Guzmán noemt veiligheidsagenten van Dinant de ‘hoofdverdachten’ in het onderzoek naar de moord op Gregorio Chávez, al werd er tot nu toe niemand aangeklaagd. Het bedrijf ontkent met klem ook maar iets te maken te hebben met de dood van de prediker.

Landconflicten in de Hondurese vallei Vajo Aguán eisten intussen al 133 doden.

Volgens Guzmán zijn maar liefst 133 moorden gelinkt aan landconflicten in de Hondurese vallei Vajo Aguán. De procureur werd aangesteld door de federale regering om de golf van geweld te onderzoeken die de voorbije jaren over de regio trok.

De omstandigheden van de overlijdens blijven fel betwist, te midden van een strijd tussen Dinant en andere grootgrondbezitters enerzijds, en boerencollectieven anderzijds. Beide partijen waren betrokken in geweld dat soms gruwelijk ontspoorde.  

Het onderzoek naar het gewelddadige landconflict in Bajo Aguan is in handen van speciaal procureur Javier Guzman en zijn team.

© ICIJ

Voor de situatie compleet uit de hand liep

Het conflict trok internationaal de aandacht omdat Dinant, een van de hoofdrolspelers, gefinancierd is door de Wereldbankgroep.

Dinant kreeg steun van de International Finance Corporation (IFC), de arm van het Wereldbank-conglomeraat die leningen verstrekt aan privébedrijven. Doorheen de recente landconflicten bleef de IFC Dinant steunen, een van de grootste palmolieproducenten van Centraal-Amerika. In 2009 gaf de IFC 15 miljoen dollar rechtstreeks aan Dinant. Twee jaar later verstrekte het 70 miljoen dollar aan een Hondurese bank die tevens een van Dinants belangrijkste financiers was.

Daardoor stelde IFC zich op één lijn met een van de hoofdrolspelers in een bloedige burgeroorlog. Door in zee te gaan met een machtig bedrijf met een twijfelachtige geschiedenis zette de IFC zijn geld en reputatie op het spel. Daarbij negeerde de IFC bewijs dat makkelijk te verkrijgen was, en dat de IFC had moeten weerhouden om zaken te doen met Dinant, concludeerde de interne ombudsman van de geldschieter achteraf.

Door in zee te gaan met een machtig bedrijf met een twijfelachtige geschiedenis zette de IFC zijn geld en reputatie op het spel.

Mark Constantine, een IFC-functionaris die de sociale en milieurisico’s moet inschatten, zegt dat de IFC de lening aan Dinant had goedgekeurd vooraleer het geweld in Bajo Aguán compleet uit de hand liep. Hij zegt dat de IFC momenteel haar beleid hervormt, om beter te kunnen anticiperen op risico’s voor de lokale gemeenschappen.

‘We hebben op een moment een foto genomen, en op basis daarvan hebben we gehandeld’, zegt Constantine. ‘Hadden we een aantal van die historische zaken eerder moeten erkennen? No argument.’

De IFC is snel gegroeid, gezien de toegenomen vraag naar private investeringen in ontwikkelingslanden. Het jaarbudget van de IFC bedroeg 17,3 miljard dollar in 2014, ruim een derde meer dan in 2010. Maar ondanks haar groei – en klachten in Honduras en elders dat het geld geïnvesteerd werd in bedrijven die landen bezetten en mensenrechten schenden– blijft de IFC minder gekend dan haar zusterinstelling, de Wereldbank zelf, die leningen verstrekt aan overheden (en niet aan bedrijven).

Mensenrechtenactivisten en voormalige functionarissen zeggen dat de IFC grotere risico’s neemt en minder transparant is dan de Wereldbank.

De plantage El Tumbador is in handen van de Dinant Corporation.

© ICIJ

Paul Cadario, een voormalige senior manager die 37 jaar bij de Wereldbank werkte, zegt dat de bank een ‘legertje van sociale wetenschappers’ in dienst heeft die gevoelig zijn aan de regels van de bank om lokale gemeenschappen en het milieu te beschermen. De IFC echter, zegt hij, betrouwt op beloftes van haar klanten ‘dat er niets fout zal gaan’.

180 projecten

Klachten over klanten van de IFC slaan vaak op kwetsbare gemeenschappen die zich claimen opzij te zijn geschoven voor grote projecten. Sinds 2004 heeft de IFC meer dan 180 projecten goedgekeurd die mogelijk hebben geleid tot fysieke of economische hervestiging. Dat blijkt uit een analyse van IFC-documenten door het International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ). In die gevallen konden families het dak boven hun hoofd –of andere bezittingen– verliezen of schade ondervinden in hun levensonderhoud.

Veel controversiële IFC-investeringen verlopen via tussenpersonen zoals banken, hefboomfondsen of private equity-bedrijven.

In het geval van Dinant oordeelde  de interne ombudsman van de IFC dat het gebrek aan aandacht in hoofde van IFC voor de risico’s van zaken doen met het bedrijf in kwestie, ernstige problemen weerspiegelt in de manier waarop IFC risicovolle projecten aanpakt. De cultuur van IFC is zo gefocust op het resultaat, aldus een rapport dat de ombudsman in december 2013 publiceerde, dat ze de staf ‘er zou toe kunnen hebben aangezet om potentiële ecologische, sociale of geweldgerelateerde risico’s over het hoofd te zien, niet te benoemen of zelfs te verbergen.’

Veel controversiële IFC-investeringen verlopen via tussenpersonen zoals banken, hefboomfondsen of private equity-bedrijven. Door de financiering langs deze tussenpersonen te kanaliseren, in plaats van ze rechtstreeks aan de private klanten over te maken, heeft de IFC het makkelijker gemaakt voor de uiteindelijke begunstigden om de normen te negeren.

De lokale inwoners van het Hondurese dorp Panama zijn verwikkeld in een landconflict met Dinant Corporation.

© ICIJ

De cirkel van geweld doorbreken

De controversiële investeringen zorgen volgens functionarissen voor jobs en welvaart.

De IFC zegt dat ze stappen heeft gezet om het geweld in Bajo Aguán een halt toe te roepen. Ze heeft onder meer een conflictbemiddelaar ingehuurd, om onderhandelingen tussen Dinant, boerenorganisaties en de Hondurese overheid te stimuleren. Verder heeft de IFC naar eigen zeggen Dinant overtuigd om zijn veiligheidsprotocollen te vernieuwen en de veiligheidsagenten op zijn plantages te ontwapenen.

Tot nu toe heeft de IFC ook een tweede schijf van 15 miljoen dollar ingehouden van zijn lening aan Dinant omwille van bezorgdheden omtrent het bedrijf.

Een kerkje in Bajo Aguan, Honduras.

© ICIJ

De IFC geeft toe dat geld uitlenen in volatiele regio’s risico’s met zich meebrengt, maar voegt daar aan toe dat werken in die moeilijke gebieden cruciaal is voor haar missie. Deze investeringen, aldus functionarissen, zorgen voor jobs en welvaart –wat kan helpen om de cirkel van geweld te doorbreken.

Landhervormingen

De wortels van het landconflict in Bajo Aguán gaan terug tot de jaren zeventig, toen een nationale wet op de landhervorming het gros van het rijke terrein van de vallei overmaakte aan collectieve boerenorganisaties. Het was een overwinning voor de arme boeren en trok heel wat migranten naar de vruchtbare Aguán-regio. In de jaren negentig echter veranderde de Hondurese overheid –op advies van de Wereldbank– opnieuw de regelgeving over het landeigenaarschap.

In maart 1992 werd een nieuwe wet van kracht die voor het eerst toeliet om land van boerencollectieven in stukken te splitsen en privé te verkopen. De Wereldbank schaarde zich achter die verandering, in het kader van een reeks hervormingen die de instelling pushte om Honduras in de richting van een markteconomie te doen evolueren.

Boerenorganisaties in Bajo Aguán speelden begin jaren negentig driekwart van hun areaal kwijt.

De nieuwe wet miste zijn effect niet. Uitgestrekte stukken land die tot dan in collectieve handen waren, kwamen in het bezit van Dinant en andere grote bedrijven. Heel wat stukken grond werden gebruikt om op industriële schaal palmolie te verbouwen.

Palmolie wordt als bestanddeel gebruikt in shampoo, ijs, margarine en een hele reeks andere cosmetica en voedingswaren. Milieu-activisten klagen aan dat de snelle omschakeling naar palmolieteelt heeft geleid tot ontbossing en de uitzetting van lokale inwoners.

Palmolievelden in de boerengemeenschap van La Confianza

© ICIJ

Tussen 1990 en 1994 werd bijna 21.000 hectare land verkocht dat eerst in het bezit was van boerenorganisaties in Bajo Aguán, die op die manier driekwart van hun areaal kwijtspeelden. Dat staat in een rapport dat een coalitie van boerenorganisaties in 2010 opstelde.

Die verkoop –aldus Constantine van IFC– toonde de mislukking van het collectieve model dat onder de vorige landhervorming tot stand was gekomen. ‘Dat sociaal experiment was niet langer succesvol’, zegt hij. ‘Grootgrondbezitters kochten het land op van de eigenaars, die graag wilden verkopen.’

Ingehuurde schurken

In 2008 kreeg Dinant groen licht voor een lening van 30 miljoen dollar. Op papier bestond er slechts een laag risico dat de investering zou leiden tot ernstige ecologische of sociale problemen.

Een heel ander geluid klinkt bij de boeren en hun advocaten. Eens het collectieve land verkocht mocht worden, zeggen ze, kwamen de boeren onder druk te staan van grootgrondbezitters om hun rechten af te staan. Volgens de boeren werden hun leiders die weigerden om te verkopen hardhandig aangepakt door ingehuurde schurken. In sommige gevallen werden huizen beschoten. Ook fraude tierde welig, stellen de boeren. In ruil voor individuele uitbetalingen, gaven kleine facties binnen de boerencollectieven grote stukken land weg.

Als antwoord daarop bundelden boeren hun krachten in organisaties om de landverkopen aan te vechten, voor de rechtbank en bij de regering. Ze vroegen dat de regering de gronden zou teruggeven die eerder in handen waren van boerencollectieven.

In augustus 2008 kwamen twaalf personen om het leven in een clash tussen landeigenaars en boeren. Twistpunt was een gebied dat voorheen gebruikt werd als militair trainingskamp. Diezelfde maand bezocht een team van IFC het bedrijf Dinant om de aanvraag van een nieuwe lening te evalueren.

Kort daarop, in december 2008, zette het management van IFC het licht op groen voor een lening van 30 miljoen dollar aan Dinant. De lening kreeg het etiket ‘categorie B’, wat wijst op een laag risico dat de investering zou leiden tot ernstige ecologische of sociale problemen.

Schoolkinderen in Panama-dorp.

© ICIJ

Later ontdekte de ombudsman van de IFC dat het evaluatieteam had nagelaten om minimaal onderzoek te doen naar Dinant, de grootste landeigenaar van de Bajo Aguán-regio, of zijn eigenaar Miguel Facussé. Het Amerikaanse zakenmagaine Forbes noemt hem een van Centraal Amerika’s machtigste miljonairs.

Van linkse signatuur

Als het evaluatieteam eenvoudigweg op het internet had gezocht, aldus het rapport van de ombudsman, dan was het sowieso op nieuwsverhalen gestoten over Facussé en het feit dat hij beschuldigd was van betrokkenheid bij de moord op een milieu-activist. Of over het feit dat ooit een arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd omwille van milieumisdrijven, of over zijn betrokkenheid bij een reeks landconflicten.

Dat arrestatiebevel –op beschuldiging van twintig jaar vergif dumpen in drinkwater– werd trouwens later opnieuw ingetrokken, nadat de rechter die het had uitgevaardigd van baan was veranderd. En in 2003 sprak een rechtbank Facussé vrij van betrokkenheid bij de moord om milieu-activist Carlos Escaleras.

Facussé en Dinant ontkenden dat ze in beide zaken iets mis hadden gedaan.

De IFC en Dinant ondertekenden de leningsovereenkomst in april 2009. Op dat moment hoopten boeren nog steeds dat het landconflict in de regio op een geweldloze manier kon opgelost worden.

In dit

© ICIJ

Toenmalig president Manuel Zelaya, van linkse signatuur, bood aan om met boerenorganisaties en landeigenaars in Bajo Aguán te onderhandelen, om te komen tot een politieke oplossing voor het conflict waarbij een deel van het betwiste land opnieuw in eigendom van de boeren zou komen.

Massabezettingen

In de zomer van 2009 had Glenda Chávez een dochter van zeven, en was ze zwanger van haar tweede kind. Vaak zat ze thuis, achter haar naaimachine, om wat geld te verdienen.

Dinant deed vaak een beroep op Hondurese militairen om boeren uit de betwiste gebieden te zetten.

Eind juni 2009 bestormden soldaten het presidentiële paleis in Honduras, en werd president Zelaya van de macht verdreven. Hij werd op een vliegtuig naar Costa Rica gezet.

Glenda herninert zich hoe haar vader die staatsgreep als ‘barbaars’ omschreef. Maar zelf hield zij zich afzijdig van de strijd die Honduras verscheurde. ‘Ik lag niet wakker van politiek’, zegt ze.

Het militair bewind dat aantrad, liet duidelijk verstaan dat het de landhervormingen die Zelaya had aangekondigd niet zou verder zetten.

Woedend door de staatsgreep, en zonder uitzicht op andere politieke opties, besloot de boerenbeweging over te gaan tot een nieuwe tactiek: massabezettingen van betwiste plantages. De boeren spraken daarbij van ‘terugwinnen’. Dinant had het echter over ‘binnendringen’. Heel wat dode slachtoffers in Bajo Aguán vielen uitgerekend tijdens deze “overnames”.

Foto's afkomstig van lokale boeren uit het dorpje Panama tonen het resultaat van gewelddadige clashes met Hondurese militairen.

© ICIJ

Dinant deed vaak een beroep op Hondurese militairen om boeren uit de betwiste gebieden te zetten. Dinant en het leger beweren dat de bezetters steeds gewapend en gewelddadig waren.

‘Niet één keer zijn de boeren [de plantages] vreedzaam binnengegaan’, zegt kolonel René Jovel, bevelhebber van operatie Xatruch, een militaire operatie om de regio Bajo Aguán te stabiliseren. ‘Ze vielen binnen met machetes, geweren, pistolen, en kalasjnikovs.’

Beschuldigingen opgedist

Guzmán, de speciaal procureur, zegt dat in sommige gevallen boeren elkaar hebben gedood. Ze zouden moordenaars hebben ingehuurd om openstaande rekeningen binnen de boerenbeweging te vereffenen. Daarbij ging het dan om de controle over winstgevende palmolievelden.

Volgens boerenorganisaties hebben het bedrijf en de overheid die beschuldigingen opgedist om de schendingen door militairen en veiligheidsagenten te verantwoorden.

Enkele uittreksels uit het dossier dat speciaal procureur Javier Guzman heeft samengesteld over het gewelddadige landconflict in Bajo Aguan.

© ICIJ

Een rapport uit 2013, opgesteld door de lokale mensenrechtengroep Permanent Human Rights Observer for Aguán, berekende dat 89 van de meer dan 100 slachtoffers van dodelijk geweld boeren waren. In 19 gevallen ging het om veiligheidsagenten, politie, militairen en landeigenaars.

‘Hij kon niet tegen onrecht’

In november 2010 kwamen vijf boeren om het leven toen ze probeerden de El Tumbador-plantage van Dinant te bezetten. De fatale schoten werden afgevuurd door de veiligheidsagenten van het bedrijf –daarover bestaat weinig discussie. Dinant zegt echter dat de veiligheidsagenten handelden uit zelfverdediging, omdat ze werden aangevallen door 160 boeren.

De fatale schoten werden afgevuurd door de veiligheidsagenten van het bedrijf –daarover bestaat weinig discussie.

Na de bloedige omwentelingen in El Tumbador drong de voorzitter van de IFC bij Dinant aan om zich terughoudend op te stellen, en vroeg de Hondurese regering om een vredevolle oplossing voor het landconflict te zoeken. Het geweld bleef echter voortduren.

Terwijl het conflict verder uitdeinde, herinnert Glenda Chávez zich, begon haar vader zijn stem te verheffen tegen Dinant. Voorheen had Gregorio Chávez zich nooit ingelaten met de boerenbeweging, maar hij begon zich te ergeren aan het bedrijf aangezien de veiligheidsagenten intimiderend overkwamen, en een avondklok installeerden om 18u.

Kolonel Rene Jovel moet ervoor zorgen dat het landconflict in Bajo Aguan stabiliseert.

© ICIJ

De vader verbouwde zijn eigen palmoliebomen op zijn stuk land. Wanneer hij echter de oogst ging verkopen, werd hij volgens Glenda lastiggevallen door de agenten van Dinant en van de politie, die ervan uitgingen dat de oogst gestolen was.

‘Hij hield zijn mond niet’, zegt Glenda. ‘Hij kon niet tegen onrecht, en hij hield er niet van hoe [Dinant-eigenaar] Miguel Facussé in onze gemeenschap binnenkwam.’

Het geweld dat andere delen van noordelijk Honduras was binnengedrongen, had de kleine dorpsgemeenschap van Panamá –met zijn 450 gezinnen– nog niet bereikt. In de laatste maanden van zijn leven, herinnert Glenda zich, stuurde haar vader vanop de biechtstoel waarschuwingen de wereld in die zijn eigen dood voorspiegelden.

‘Hij preekte toen “Wanneer ze het bloed doen vloeien van een van onze gemeenschap, dan zal deze gemeenschap opstaan”’, zegt Glenda.

Panamá in opstand

Op de avond van 2 juli 2012, herinnert Glenda zich, kwam haar moeder vertellen dat haar vader niet naar huis was teruggekeerd. De familie Chávez en hun buren begonnen wanhopig te zoeken. Vier dagen later, ergens op de plantage Paso Aguan, op het zogenaamde Lot 8, werd het lichaam van Gregorio gevonden.

Pineda, de woordvoerder van Dinant, zegt dat het bedrijf geen controle meer had over Lot 8 toen het lijk ontdekt werd. In de dagen na Gregorio’s verdwijning, aldus Pineda, hadden de boeren die naar hem op zoek waren Lot 8 en andere stukken van de plantage in handen genomen. Ze zouden tractors en palmolievruchten hebben gestolen,  en een gebouw in brand hebben gestoken. Deze gewelddadige partisanen kunnen het lijk van eender waar hebben laten aanrukken, zegt Pineda.

Volgens de woordvoerder hadden Dinant en zijn veiligheidsagenten geen enkele reden om Gregorio Chávez te vermoorden. ‘We hebben nooit problemen met hem gehad. We zijn altijd buren geweest’, zegt Pineda. ‘Wat hebben wij hierbij te winnen?’

De gemeenschap van Panamá reageerde woedend op de moord.

Guzmán, de speciaal procureur, zegt dat de vermoedens van de boeren –dat de veiligheidsagenten van Dinant Gregorio Chávez hebben vermoord– de ‘meest geloofwaardige’ uitleg zijn voor zijn dood Maar hij voegt er aan toe dat er geen ooggetuigen zijn, noch wetenschappelijk bewijs dat de agenten aan de moord linkt.

‘Zij zijn de verdachten,’ zegt Guzmán, ‘maar er is geen concreet bewijs’.

Een strand in Bajo Aguan. De rust is maar schijn; in deze regio woedt een bloedig conflict om land.

© ICIJ

De gemeenschap van Panamá reageerde woedend op de moord. De dorpelingen zetten een nieuwe organisatie op om hun belangen te verdedigen: de Gregorio Chávez Movement for Refoundation. Glenda werd vaak uitgenodigd om voor de gemeenschap te spreken. Het doet nog altijd pijn om het over de moord op haar vader te hebben, al vertelt ze over de gebeurtenissen rond zijn dood op een rustige manier.

De Gregorio Chávez Movement klaagt niet enkel het geweld tegen de boeren aan, maar vraagt ook dat Dinant de plantage Paso Aguán overlaat aan de boeren. Maar Dinant weigert om ook maar een deel van het betwiste land te verkopen, waardoor beide kampen in een patstelling blijven.

In december 2013 publiceerde de ombudsman van de IFC een rapport over het Dinant-onderzoek. De interne watchdog concludeerde dat IFC tijdens elke stap had nagelaten om Dinant grondig te onderzoeken of superviseren. De portfolio-manager van de IFC had de oproep van de voornaamste milieuspecialist verworpen om een hardere lijn aan te nemen jegens het bedrijf, zo stond in het rapport te lezen. De specialist werd uiteindelijk verplaatst.

Geslagen en gemarteld

Op 3 juli 2014 probeerden boeren van de Gregorio Chávez Movement opnieuw om de Paso Aguán-plantage in te nemen. Gedurende een dag bezetten ze het gebied, tot de soldaten van kolonel Jovel tussenkwamen en de boeren uitzetten.

Volgens de dorpelingen van Panamá hebben de soldaten op hen geschoten tijdens de uitzetting. David Ponce, een jonge boer, toont de littekens op de plaats waar een kogel zijn schouder binnendrong. Anderen beweren dat de soldaten hun hebben geslagen en gemarteld.

Glenda Chávez zegt dat ze tijdens de uitzettingen aanwezig was om toe te zien op de mensenrechten. Met een camera filmde ze hoe de boeren beschoten werden door soldaten. Ze zegt dat de soldaten haar hebben gearresteerd en haar pas lieten gaan toen ze de camera afgaf.

 

Tussen de oliepalmen van haar vader heeft Glenda intussen sinaasappelbomen geplant. De palmen hebben alleen maar leed veroorzaakt, vindt ze. Ze plukt een appelsien en schilt die met haar machete. Zoet en rijp.

‘Wanneer een palm afsterft, planten we een andere soort’, zegt Glenda. ‘Eentje die ons ten goede komt, de boeren.’

Meer weten? Lees het artikel Grondconflicten zorgen voor onrust in Honduras’  door MO*journaliste Alma De Walsche.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift