‘De eer van inheemse volkeren? Niet interessant’

Miljoenen Indiërs onteigend, maar daar leggen ze zich niet bij neer

© Magnum / Thomas Dworzak

 

Wie zich verzet tegen landonteigening, wordt genadeloos de straat op gesleept. Miljoenen inheemse mensen in India hebben hun stuk grond, de mogelijkheid om zelf in hun levensonderhoud te voorzien, moeten afgeven. Gemeenschappen in Noordoost- en Zuid-India laten het daar niet bij en tonen hoe ze het tij kunnen keren. De vraag is: tegen welke prijs?

De 33-jarige Etti Dhanalakshmi kijkt naar het door de regen doordrenkte zandpad, dat naar het bos aan de rand van haar dorp leidt. Meer dan tien jaar al volgt deze vrouw uit Satyanarayanapuram, een heuvelachtig dorp 260 kilometer ten oosten van het Zuid-Indische Hyderabad, dit pad om het kleine stuk land van haar familie te bereiken. Het is minder dan een hectare groot, maar voor Dhanalakshmi is het de belangrijkste bron van levensonderhoud. Turend naar het lapje groenten en kruiden, ervaart ze steevast vreugde en veiligheid.

‘Dit is altijd ons land geweest, mijn grootmoeder en mijn moeder hebben hier voedsel verbouwd. Hoe kan ik gewoon weggaan?’

Dat gevoel van geborgenheid verdween op 21 juli. Een groep politieagenten kwam naar het dorp en dwong haar het land te verlaten. De agenten waarschuwden haar nooit meer terug te keren. Zeventig andere families kregen dezelfde boodschap te horen. Allen behoren ze tot de Koya, een inheemse gemeenschap. Haar land, zo meenden de politieagenten, zou deel uitmaken van een nieuwe plantage.

Aangezien Dhanalakshmi geen officiële eigendomsakte heeft, beschouwden ze haar als iemand die het land onrechtmatig bezet had. ‘Ze zeiden dat ik moest stoppen met de grond te bewerken en mij uit de voeten moest maken’, getuigt de vrouw, nog steeds geschokt en verbaasd. ‘Dit is altijd ons land geweest, ’ diende ze hen van antwoord, ‘mijn grootmoeder en mijn moeder hebben hier voedsel verbouwd. Hoe kan ik gewoon weggaan?’ De politie hield haar handen en enkels vast en sleepte haar weg, de straat op, waar iedereen kon toekijken.

© Reuters / Amit Dave

In heel India passen traditionele landbouwers brandlandbouw toe, een techniek waarbij bomen omgehakt en verbrand worden. De as gebruiken ze als meststof. Boswachters en milieuactivisten bekritiseren de landbouwtechniek, maar volgens het IPCC helpt deze net de natuur en het klimaat in stand te houden.

Minder bosgebied door brandlandbouw?

De onteigening van Dhanalakshmi en zeventig andere families uit haar gemeenschap is geen geïsoleerd incident. In heel India woedt er een strijd tussen traditionele gemeenschappen en overheidsinstellingen over het recht op de cruciale bronnen van hun levensonderhoud: jal, zameen en jangal – water, land en bos in het Hindi. De huidige boswetgeving, de Forest Rights Act uit 2006, verzekert de toegang van inheemse volkeren tot het bos en zijn rijkdommen.

In werkelijkheid wordt hen vaak de toegang ontzegd. Traditionele gemeenschappen zouden niet over de juiste documentatie beschikken. Of ze zouden het land om zeep helpen, dus mogen ze het bos niet betreden.

Wereldwijd benadrukken deskundigen hoe landgebruik door inheemse volkeren een rol speelt bij het behoud van het milieu, niet bij de afbraak.

In Satyanarayanampuram waren ambtenaren bezig met land vrij te maken voor een vergroeningsproject, Haritha Haram, wat zoveel betekent als: overal groen. Daarmee wil de staat het bosgebied in de regio vergroten. Minister Kolvakuntla Chadrashekhar Rao, die aan het hoofd staat van de deelstaat Telangana, lanceerde het project in juli 2015. Hij beloofde het bosgebied in de regio, dat nu een derde van de deelstaat omvat, met een kwart te vergroten. Dat wil hij doen door 2,3 miljard bomen aan te planten, landdegradatie te voorkomen en de zogenaamde bezetting van gebieden en stroperij aan banden te leggen.

De echte reden van het vergroeningsproject heeft volgens veel experts te maken met de landbouwtechnieken van de inheemse gemeenschappen. Sinds de laatste steentijd, die dateert van 3000 tot 1400 voor onze tijdrekening, passen landbouwers in heel India de slash and burn-techniek toe: brandlandbouw, een techniek die lokaal bekend staat als podu. Langs de hellingen van heuvels hakken de boeren bomen om, om meer open ruimte te creëren. Ze verbranden de bomen en gebruiken de as als meststof. Na ongeveer drie jaar oogsten op een stuk land verhuizen ze naar een nieuwe plek, zodat het gecultiveerde land kan herstellen.

Brandlandbouw is een zelfvoorzienende vorm van het land bewerken. De techniek heeft ertoe bijgedragen dat gemeenschappen minder in armoede moeten leven en gegarandeerd te eten hebben. Sinds de koloniale tijden oogst de techniek kritiek, omdat ze zogezegd destructief zou zijn. Nu de bossen er op grote schaal op achteruitgaan en de Indische overheid steeds meer middelen vrijmaakt om de klimaatverandering in te perken, weerklinkt die kritiek nog luider. Boswachters, academici, milieu-activisten en andere instanties leggen de schuld van het verminderende bosareaal bij de traditionele volkeren en de manier waarop zij het land verbouwen. Opvallend is het feit dat geen van de kritische instanties zelf deel uitmaakt van een inheemse groep.

‘Podu mag dan essentieel zijn voor die primitieve tribale groepen, de gevolgen voor het milieu zijn immens’, vindt Bharat Kumar, een boswachter in de naburige staat Andhra Pradesh, een gebied dat ook een grote groep oorspronkelijke bewoners kent. ‘Brandlandbouw verziekt de bodem. Bodemerosie is een van de belangrijkste redenen voor watervervuiling. Het leidt ook tot verzanding van de rivieren, wat overstromingen kan veroorzaken.’

Wereldwijd benadrukken deskundigen echter hoe landgebruik door inheemse volkeren een rol speelt bij het behoud van het milieu, niet bij de afbraak. In een rapport uit augustus 2019 benadrukt het VNklimaatpanel (IPCC) hoe manieren van landbeheer net de bodemdegradatie kunnen keren en de gevolgen voor het klimaat weten te beperken.

‘De reden waarom overheidsinstellingen dat blijven negeren, heeft alles te maken met hun vooroordelen ten opzichte van de inheemse bevolking en hun cultuur.’ Dat zegt Danda Lingaswamy, een activist die strijdt voor de rechten van traditionele volkeren. Het Haritha Haram-vergroeningsproject is volgens hem goedbedoeld, maar slecht uitgevoerd en in strijd met bestaande wetten. Nationale wetgeving uit 1996 stelt bijvoorbeeld dat de staat de plaatselijke dorpsraad moet raadplegen vooraleer hij een ontwikkelingsproject in een inheems gebied mag uitvoeren. Voor Haritha Haram werd geen van de dorpelingen van Satyanarayanapuram gecontacteerd.

‘De eer en de rechten van inheemse volkeren interesseren de staat niet’, zegt Lingaswamy, die de gemeenschap helpt om het land terug in handen te krijgen. Hij geeft het voorbeeld van vrouwen zoals Etti Dhanalakshmi, die publiek vernederd en fysiek aangevallen zijn in juli. ‘Zou dit gebeuren bij niet-inheemse mensen? Neen. De waardigheid van de inheemse vrouwen is voor hen geen bezorgdheid, want in hun ogen bestaat die niet.’

© Stella Paul

Etti Dhanalakshmi aan het werk op haar stukje land in Satyanarayanapuram, vooraleer de politie haar dwong om te vertrekken. Ze kon geen eigendomsakte voorleggen en zou het land dus onrechtmatig bezetten.

De grootste slachtoffers van de lockdown

Mensenrechtenactiviste Deepa Pawar strijdt al sinds haar veertiende voor de rechten van traditionele bevolkingen. Ze woont in Badlapur, een voorstad van Mumbai, en maakt deel uit van de Gadiya Lohar. De naam van die gemeenschap kan je vertalen als ‘de smidses die het gereedschap voor de ossenwagens smeden’. Tot op vandaag werken veel mensen in de gemeenschap in de bouw, maar dan vooral in de informele economie, waar ze als arbeidsmigrant per dag ingeschakeld worden en zo nooit werkzekerheid hebben.

De grootste slachtoffers zijn de tienduizenden arbeidsmigranten die zonder enige vorm van compensatie naar huis terugkeerden nadat de quarantaine afgekondigd werd.

De Gadiya Lohar behoren tot een van de honderdvijftig volkeren die door de Britse kolonisator als crimineel werden bestempeld. Tot 1952, vijf jaar na de onafhankelijkheid van India, maakten ze deel uit van een lijst met “criminele stammen”. Dat etiket ontnam hen elk fundamenteel respect en alle rechten die een vrije burger bezit. Ze werden aanzien als paria’s. ‘Dat blijft een constante realiteit in mijn gemeenschap’, getuigt Pawar. De staat wil hen, net als bij de Koya’s in Satyanarayanapuram, hun basisrechten afnemen en hen verjagen van hun land. ‘We worden behandeld als voormalige misdadigers, als recidivisten. Door die extreme marginalisering is het een gevecht om aan een eigen lapje grond te geraken en genoeg eten te kunnen kweken. Ons gevecht voor sociale inclusie is nog niet gestopt.’

In maart ging India in lockdown om de verspreiding van het coronavirus in te dammen. Sindsdien hebben duizenden nomadische en “gedecriminaliseerde” inheemse groepen zoals de Gadiya Lohar veel moeite om basisvoorzieningen te verkrijgen.

Als hoofd van de liefdadigheidsinstelling Anubhuti Trust verdeelde Pawar tot hiertoe voedsel en sanitaire hulp aan 2700 gezinnen binnen de gemeenschap. ‘Het virus mag dan het volledige land getroffen hebben,’ zegt de activiste, ‘deze gemeenschappen lijden daar nog meer onder, omdat ze geen eigen land bezitten. Gemarginaliseerde en kwetsbare mensen zijn vaak werkzaam in de informele economie, in sectoren zoals de bouw of de textielindustrie. De textielfabrieken zijn gesloten sinds het begin van de lockdown.’

Volgens Pawar zijn de grootste slachtoffers van de pandemie de tienduizenden arbeidsmigranten die noodgedwongen, zonder enige vorm van compensatie, naar huis terugkeerden nadat de quarantaine afgekondigd werd. Lockdown of niet, de Indiase overheid wil koste wat het kost een terugval in de economie vermijden. Daarom zet ze nog meer dan vroeger in op projecten voor plattelandsontwikkeling. Dat doet ze onder het zogenaamde MNERA-decreet, dat staat voor Mahatma Gandhi Rural Employment Guarantee Act. Met dat decreet wil de regering inzetten op bijvoorbeeld de ontzilting van meren en de aanleg van wegen en irrigatiedammen.

Regionale overheden waren vragende partij voor die projecten, omdat ze zo jobs zouden kunnen bieden aan de duizenden teruggekeerde arbeidsmigranten. Niks bleek minder waar. De banen bleken voorbestemd voor al wie in het bezit is van een jobkaart, een document dat aantoont waar arbeiders vandaan komen en welke financiële middelen ze hebben. Dat hebben oorspronkelijke bewoners niet. ‘Het is moeilijk om werk te vinden als je geen papieren, toegang tot het internet of sociale netwerken hebt.’

Volgens Pawar, die als eerste vrouw in haar gemeenschap een postgraduaat behaalde, zijn er maar weinig financiële middelen voor de economische en sociale ontwikkeling van traditionele volkeren. De federale begroting bevestigt die stelling: het komende jaar heeft de regering slechts 100 miljoen roepie vrijgemaakt voor de totale ontwikkeling van 1,5 miljoen nomadische en niet-aangemelde stammen, een peulenschil in vergelijking met de 61,5 miljard roepie die voorzien zijn voor MNERA. Die laatste som is zogezegd bedoeld om werkgelegenheid te creëren voor de allerarmsten, maar zij bleken uiteindelijk geen aanspraak te kunnen maken op de banen.

Hoe win je de strijd tegen landonteigening?

Op hetzelfde moment dat Etti Dhanalakshmi en haar gemeenschapsleden hun recht op land verloren, hadden miljoenen inheemse mensen in een ander deel van India reden tot juichen. De regering van de noordoostelijke provincie Assam had diezelfde maand een bevel om hun land in te nemen, teruggeroepen.

Met het oog op verdere industrialisatie had de Assamese regering op 29 juni een controversiële verordening in het leven geroepen om landaankoop te vereenvoudigen. Landbouwgrond zou vanaf dat moment snel en eenvoudig herbestemd kunnen worden, omgevormd om er een kleine of middelgrote onderneming op te bouwen. De lokale bevolking zag dit als een bedreiging voor de landrechten van de traditionele bevolking.

Volgens politieke activisten, mensenrechtenactivisten en inheemse groepen wilde de lokale regering, onder leiding van de Bhartiya Janata Partij (BJP), daarmee louter BJP-premier Narendra Modi paaien. In een recente toespraak had die de natie opgeroepen tot een Atmanirbhar India, vertaald als: een zelfvoorzienende staat. De veranderingen in het landbeleid van Assam, zo menen de activisten, zouden Modi willen tevredenstellen ‘ten koste van het bestaan van de lokale mensen’. Na hevige protesten, die dagenlang aansleepten, heeft de lokale regering op 9 juli verklaard de verordening in te trekken.

‘Elke stap in de richting van bauxietmijnen zullen wij beantwoorden met gewapend verzet’

In Vishakhapatnam, een regio aan de Zuid-Indische kust, wonnen gemeenschappen een soortgelijke strijd in september 2019. Ze protesteerden tegen de ontginning van bauxiet, een grondstof die nodig is om aluminium te produceren.

In 2015 heeft de regering de mijnbouw toegestaan in twee reservaten, Jerrila en Chintapalli, waar twaalfduizend Konda Reddy wonen. Die gemeenschap leeft in relatief kleine bossen waar ze bloemen, vruchten, granen, zaden, knollen en wortels vinden om te gebruiken als voedsel en medicijnen. Ze aanbidden de bossen en hebben herhaaldelijk vredevolle protestmarsen gevoerd tegen de geplande mijnbouw.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Een officiële reactie op hun protest bleef uit. Daarop waarschuwde de gemeenschap dat ze ook een gewapende beweging op gang konden brengen. Met hun wapens in de aanslag verschenen honderden mannen, vrouwen en jongeren in juni 2019 op een openbare bijeenkomst in het dorp Jerrila. ‘Elke stap in de richting van bauxietmijnen zullen wij beantwoorden met gewapend verzet’, dreigde Adapa Vishnumurty, een inwoner van Jerrila. Uiteindelijk heeft de regering op 26 september het mijnbouwplan geannuleerd.

Zowel voor de Konda Reddy als voor de andere lokale gemeenschappen zou dit een duidelijke overwinning tegen landonteigening moeten betekenen. Hun gemoed blijft echter somber. ‘Deze situatie heeft ons bijna gedwongen om de wapens effectief op te nemen’, zucht Vishnumurthy achteraf. ‘Als we dat echt hadden gedaan, had de regering ons kunnen beschouwen als eender welke andere militante groepering.’

‘Mensen zullen zeggen dat de mijnbouw ons banen en andere economische voordelen zou kunnen opleveren, dat we er geen goed aan gedaan hebben om te protesteren’, vult Krupa Shanthi, hoofd van het Chintapalli-dorp, aan. ‘De vraag is: tegen welke prijs? Mijnbouw veroorzaakt vervuild water, het vernietigt het bos, wij verliezen onze traditionele middelen van bestaan. Hebben we dan geen recht op frisse lucht, veilig water en voedselzekerheid zoals iedereen?’

Vermoedelijk is dat een vraag waarop 10,4 miljoen oorspronkelijke bewoners van in India, waaronder de Koya’s van Satyanarayanapuram, ook graag een antwoord zouden willen.

***

Over de auteur

Stella Paul schrijft als journalist over gender, klimaat en biodiversiteit. Ze is vaste medewerkster van het nieuwsagentschap IPS. Haar werk is onder meer bekroond met de IWMF-prijs voor journalistieke moed. Ze woont en werkt in Hydarabad, India. In 2019 nodigde MO* haar uit naar Brussel als Mondiale Baanbreker. Daarvoor schreef ze een reportage over het jongerenengagement voor een ambitieus klimaatbeleid.

Deze reportage verscheen in de speciale editie van MO*magazine. Als je proMO* wordt of als je het al bent, krijg je een print-exemplaar van dit unieke magazine toegestuurd.
Door proMO* te worden, maak je de journalistiek van MO* mee mogelijk. Voor slechts € 4 per maand of € 50 per jaar zorg je er mee voor dat onze website voor iedereen toegankelijk blijft en dat onze journalisten en medewerkers hun werk kunnen doen. Word nu proMO*.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift