Twintig in Rwanda: De toekomst smaakt naar verleden

Uwigabire, Mutimukeye, Ineza en David zijn in Rwanda geboren in 1994, het jaar waarin het land stierf. Deze twintigjarigen zijn de laatste slachtoffers van de Rwandese genocide, de eerste overlevenden. In een land waar maar liefst 67% twintig jaar of jonger is, tekenen zij de toekomst uit. Maar hoe bouw je aan de toekomst van een uiteengereten land als je niet een vrucht van liefde, maar van verkrachting bent? Hoe vertrouw je je buur als wel 200 familieleden door dorpsgenoten werden vermoord?

David (20): ‘Ik zou graag mijn vader kennen, de verkrachter van mijn moeder’.

Kenzo De Bruyn

‘Ik wil de wereld verbeteren. Daarvoor moet ik wel politicus worden, maar het liefst combineer ik dit met films maken. Zoals Arnold Schwarzenegger doet. Inspiratie haal ik uit de geschiedenis- en aardrijkskundelessen op school, maar vooral uit boeken. Elk vrij moment probeer ik te lezen, vooral over wereldgeschiedenis en politiek. Ik las dit jaar over Napoleon en Hitler. Wat ik ervan leerde? Dat je boodschap met geweld brengen, geen optie is. Je kan ook zonder wapens en kogels volgelingen krijgen. Door je verstand te gebruiken, natuurlijk’.

‘Ik ben altijd als wees opgegroeid. Raar was dit niet, er waren er zo veel. Ik stelde er geen vragen bij. Op mijn achttiende kreeg ik pas het echte verhaal over mijn geboorte te horen. Tijdens de genocide werd mijn moeder verkracht door een man van de militie. Zijn vrienden vermoordden ondertussen alle Tutsi’s in het dorp. Mijn moeder werd zwanger van mij. Toen ik werd geboren, wilde ze me niet houden. Ik was een slechte herinnering, een schaamtevlek. Ze probeerde me in een open toilet te gooien. Een onbekende vrouw zag het gebeuren. Ze redde mij en zorgde voor mij. Zij vertelde me dit verhaal’.

‘In het begin voelde ik me heel slecht. Ik kon niet praten, wilde niet eten. Ik schaamde me zo. Ik sloot me af, was heel verdrietig. Ook nu voel ik me er nog niet 100% goed bij. Op school noemen de andere leerlingen me een kind van een verrader. Als ze met mij praten, denken ze aan mijn geschiedenis. Als er woorden vallen, zijn ze bang van mij. Daarom begon ik na te denken over hoe ik het denkbeeld van mensen kan veranderen’.

Ik wil de wereld veranderen. Ik wil tonen dat iederen één volk is, zonder verschil tussen blank en zwart of rijk en arm.

‘Ik schreef een filmscenario over kinderen die geboren zijn uit verkrachtingen tijdens de genocide. Het eerste deel gaat over mijn eigen geschiedenis. Het tweede deel vertelt het verhaal van andere kinderen zoals ik. Over heel de wereld lijden kinderen onder hetzelfde stigma, dezelfde problemen. In Cambodja, in Armenië en bij onze buren, in Congo. Bij het Rwanda Development Board kreeg ik al een patent voor mijn scenario. Nu zoek ik sponsors om het filmen te financieren’.

‘Ik hoop vooral mensen van over heel de wereld te tonen dat er tienduizenden kinderen zijn die geboren zijn uit verkrachtingen tijdens een oorlog of volkerenmoord. Dat onderwerp is nu nog een taboe. Mensen zouden er meer over moeten praten. Moeders zouden hun kinderen moeten kunnen opzoeken. Misschien hebben ze er nu wel spijt van’.

‘Ik zou graag mijn biologische ouders kennen en hen persoonlijk vergeven. Ik denk het vaakst aan mijn moeder. Soms denk ik ook aan mijn vader. Ik wil graag meer over hem weten. Ik zou hem graag zeggen dat hij mijn moeder pijn heeft gedaan, maar dat ik hem vergeef’.

‘Ik wil de wereld veranderen. Ik wil tonen dat iedereen één volk is, zonder verschil tussen blank en zwart of rijk en arm. Sommige mensen denken dat blanken en zwarten helemaal andere mensen zijn. In Rwanda is er nog veel ongelijkheid. Mensen denken dat blanke altijd slimmer en beter zijn. Er is ook bij Rwandezen een grote kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Maar arme mensen zijn niet altijd dom. Ik wil die ongelijkheid aanvechten’.

‘Het is moeilijk om als twintiger de wereld te verbeteren. Ik heb de mogelijkheden nog niet. De armoede waarin ik leef maakt het moeilijk om mijn boodschap naar buiten te brengen. Als ik ouder ben en een beetje geld heb, wil ik publieke debatten houden en conferenties organiseren. Het is belangrijk om met mensen te praten’.

‘Twee jaar geleden werd ik voor de tweede keer geadopteerd. Het eerste gezin had geen geld voor mij en de pleegmoeder behandelde me heel slecht. Nu woon ik al twee maanden in een nieuw gezin. Door de drukke agenda van de moeder heb ik geen band met haar. Ze heeft geen tijd om te praten, advies te geven, een relatie op te bouwen. Ik voel me vaak nog steeds alleen. Eenzaamheid speelt ook in de film een belangrijke rol. Zeker weten’.

Mutimukeye (20): ‘Ze veranderden me in een huisslaaf. Ik heb zelfs geen tijd om te ademen’.

‘Ik woon in Bugasera, Nyamata. Het dorp is vooral bekend voor zijn grote kerk, nu omgebouwd tot een memorial site, waar in ‘94 duizenden mensen werden vermoord. Ook mijn vader werd tijdens de genocide gedood. Ik bleef alleen achter met mijn moeder. Zij werd kort na de oorlog ziek en stierf acht jaar geleden. Een buurvrouw was bij haar en nam me op in haar familie. Een echte, complete familie: mama – papa – twee kinderen. Maar zelf ben en blijf ik altijd wees. Ik ben dankbaar voor wat de familie voor me heeft gedaan. Ze voedden me op, gaven me eten en stuurden me naar school. Over hen wil ik geen kwaad woord zeggen’.

Ze beledigen me. Elke keer opnieuw planten ze het mes in de wonden.

Wanneer we Mutimukeye vragen of ze zich goed voelt in haar pleeggezin, verstijft ze. De Rwandese sociaal werkster die het interview voor ons vertaalt, fluistert sussende woorden in het Kinyarwanda.

 

Plots ontspant het meisje zich weer. De schouders gaan omlaag en beginnen te schokken wanneer ze, eerst stilletjes, dan weer luider, in grote halen begint te wenen. De enkele zinnen die ze tussen twee snikken door zegt, zijn ook voor de sociaal werkster amper te begrijpen. Snel maakt ze enkele telefoontjes. ‘We nemen haar op in een vluchthuis voor jonge vrouwen die het slachtoffer zijn van fysiek en mentaal geweld,’ zegt ze ons tussen twee telefoontjes door. Het meisje kijkt haar met grote ogen aan. ‘Nu we weten dat er iets mis is, verspillen we liever geen tijd. Je zou eens moeten horen wat ze net vertelde!’

‘Ik voel me er niet goed, nee. Ik woon er al zo lang, maar nog voel ik me er niet thuis. Ze behandelen me slecht. Een paar maanden na de dood van mijn moeder, veranderden ze me in een huisslaaf. Ik was nog maar twaalf jaar. Sindsdien doe ik alles in het huishouden. Ik kuis, ik kook, ik was en ik doe boodschappen. Mijn lijstje met dagelijkse taken is eindeloos. Ik sta op en begin aan mijn lijstje. Dan ga ik naar school – omdat het moet van de gemeenschap. Ik ga graag naar school, maar mijn punten zijn heel slecht. Want als ik thuiskom, ligt dat lijstje er weer. Ontspannen of huiswerk maken, dat doe ik niet. Ik heb zelfs geen tijd om te ademen. Uiteraard word ik er niet voor betaald. Als ik goed werk, geven ze me wat te eten’.

‘Ze beledigen me. Elke keer opnieuw planten ze het mes in de wonden. “Ga maar naar het graf van je vader,” zeggen ze me. “Kijk naar wat je niet meer hebt. Blijf daar”. Ze geven me eten en wat kleingeld voor het openbaar vervoer. Maar dat komt altijd met kwetsende woorden. Omdat ik het niet verdien, omdat ze me al zo veel helpen. Omdat ze nog andere kinderen hebben, die wel van hen zijn. Zelfs als deel van de familie, ben ik alleen. Waarom ze me dan in hun gezin opnamen? Dan krijgen ze financiële steun voor me, van de overheid en van internationale organisaties’.

‘Ik ben bang van hen. Bang van wat ze me morgen weer naar het hoofd zullen zwieren. Bang om terug alleen op straat te staan’.

‘Ik sta achter op school. Ik zit nog maar in het tweede middelbaar omdat ik me niet kan   concentreren. Nu kan ik niet goed lezen en schrijven. Ik kan ook niet goed rekenen. Ik wil graag slimmer worden, maar misschien kan ik ook dat niet. Dan leer ik wel een ambacht. Zo kan ik snel op mijn eigen benen staan en mijn eigen leven in handen nemen. Ik wil graag in een restaurant of een hotel werken, als keukenhulp. Koken en kuisen is het enige dat ik goed kan. Dan werk ik nog steeds voor iemand, maar uit vrije wil. Misschien krijg ik die kans wel, nu ik daar niet meer moet wonen?’ (kijkt hoopvol naar de sociaal werkster)

Ingabo (20): ‘Love stories op tv leren me hoe ik met andere mensen moet communiceren’.

‘Het leven op straat is moeilijk te beschrijven. Een straatkind heeft niets. Hij kan noch naar links, nog naar rechts kijken. Alleen maar vooruit. Hij is een ding. Hij kan van de ene dag op de andere doodgaan. Wie zou het merken? Niemand’.

‘Mijn vader hertrouwde toen ik vijf was. Hij kreeg andere kinderen en mijn stiefmoeder behandelde me slecht. Op mijn zeven zette mijn vader me het huis uit. Ik groeide alleen op. Vijf jaar lang leefde ik op straat. Overleefde ik, want ik reageerde alleen op mijn instincten. Je leeft van dag op dag. Je weet niet wat je morgen zal overkomen. Ik zocht eten in de vuilbakken. Ik bedelde op straat. Toen werd ik opgepikt door een straatwerker en kreeg ik een plek in een tehuis voor jongens, het Umugongo House’.

Zonder het tehuis had ik deze klik niet kunnen maken. Nu weet ik dat we samen ook sterk staan en vaak verder geraken dan alleen

‘Umugongo is zoals een moeder voor mij. We mochten de naam zelf kiezen. Umugongo betekent ‘rug’ in Kinyarwanda. Wanneer een moeder in Rwanda een kind op de wereld zet, moet zij het op de rug dragen tot het heeft leren lopen. Tot het voor zichzelf kan opkomen en kracht heeft. Ik heb dit nooit gehad. Dat vult me met een oneindig verdriet. Misschien was ik wel iemand anders geweest, iemand sterk, als ik een moeder had gehad. Het zal tijd nemen om dit verdriet te leren plaatsen’.

‘s Ochtends, voor ik naar het werk ga, doe ik aan gewichtheffen. Zo word ik sterk. Ik kan niet veel meer heffen dan ik zelf weeg. Nu weeg ik 50 kg en hef ik elke dag zo’n 60 kg. Zo voel ik me goed in mijn vel. Het is niet om meisjes aan te trekken Meisjes kunnen je leuk vinden met of zonder spierballen. Nu heb ik nog geen vriendinnetje, nee’. (lacht)

‘Toen ik te oud werd voor het jongenstehuis, kregen we geld om een coöperatieve op te richten. We begonnen een restaurant met lokale gerechten. Ik werk er nu als sous-chef. Vaak werken we tot acht, negen uur. Ik hou ervan want zo verdien ik geld, overleef ik. Ik wil later zelf iets oprichten. Ik droom van koeien houden of groenten telen’.

‘Nu deel ik een huisje met drie vrienden. We wonen in een tweekamerhuisje. We slapen twee per twee. Een werkt in de bouw, een andere staat mee in het restaurant. Wanneer je een vriend hebt, win jij  een deeltje van die persoon en hij wint een deeltje van jou. We hebben allemaal dezelfde achtergrond: jongens die op straat woonden en geen uitweg meer zagen. Sommigen hebben nog niet door dat ons leven is veranderd, dat vraagt meer tijd en geduld’.

‘In het tehuis ben ik heropgevoed. Ik kreeg vormingen om het straatleven te kunnen plaatsen. Ze leerden me dat het iedereen kan overkomen. Dat we bepaalde kansen niet kregen. Dat we niet minder of meer zijn dan andere kinderen. Vroeger vond ik mezelf wel minderwaardig. Ik dacht dat ik er alleen voor stond, dat ik voor mijn eigen leven moest vechten. Zonder het tehuis had ik deze klik niet kunnen maken. Nu weet ik dat we samen ook sterk staan en vaak verder geraken dan alleen’.

‘s Avonds kijk ik met mijn vrienden een film om ons hoofd te laten rusten. Het liefst kijk ik naar love stories op tv. Romantische films leren me hoe ik met andere mensen moet communiceren. Die films hebben altijd veel personages en verschillende relaties tussen die personages. Zo leer ik hoe ik moet samenleven, delen, … Je kan ook leren hoe je een meisje moet versieren en hoe je ze geen pijn doet. Dat bereidt me voor op het echte leven. Ik heb nooit iemand gehad die me dat leerde’.

‘Als ik het Rwanda van vroeger en nu vergelijk, krijg ik hoop. Rwanda kan evolueren naar een voorbeeldland, voor Afrika en voor de hele wereld. Wie straatkinderen wil helpen, moet er een praatje met maken. Nu wil de regering geen weeshuizen meer hebben in Rwanda. Ik begrijp niet hoe ze op dit idee kwamen. De kinderen zouden allemaal in pleeggezinnen moeten wonen, zeggen ze. Het land is hier niet klaar voor, de kinderen zelf ook niet. Ze moeten eerst opgevoed worden. Ze moeten leren hoe je met anderen samenleeft. Er zijn nog zo veel mensen die nood hebben aan een beetje zelfvertrouwen. Dat is onontbeerlijk voor een gezonde samenleving’.

Ineza (20): ‘Liedjes schrijven is de enige manier om onze herinneringen in leven te houden’.

‘Wanneer ik uit het enige raam van het huis kijk, zie ik de vulkaan in de verte. Het is een rustgevend gevoel. Ik woon met mijn broertje in een klein huisje aan de rand van het Nationaal Park. We leven in een kleine gemeenschap voor Batwa, de oorspronkelijke bewoners van Rwanda. Het huis is van mijn nonkel, de broer van mijn vader. We wonen er met tien in drie kleine kamers. ‘s Ochtends draaien we de slaapmatten en dekens op een dikke rol. Daarna gebruiken we de kamer ook als keuken. Me ontspannen of vrienden ontvangen? Dat moet buiten, in openlucht. Privacy is hier nergens’.

‘Mijn vader werd in de genocide doodgeschoten toen hij, ongewapend, mij in zijn armen hield. Mijn moeder stierf in een vluchtelingenkamp in Congo. We dragen de wonden van de genocide nog steeds mee. Vrouwen zijn getraumatiseerd, kinderen werden wees en er zijn bijna geen mannen meer in de gemeenschap. Toch worden de gesneuvelde Batwa niet herdacht’.

We zijn niet arm en vuil omdat we dit willen. We zijn arm omdat het park ons werd afgenomen en we zo geen eten en inkomsten meer hebben

‘Batwa gaan vaak niet naar school. Na mijn 4e leerjaar stopte ik met studeren. Ik was toen al 12 jaar en stond dus erg achter. Thuis was er nooit plaats om te lezen, huiswerk te maken of te studeren. Als ik iets niet begreep, kon niemand in het dorp me verder helpen. Zij studeerden nog minder dan ik. Mijn schooluniform was de enige kleding die ik had. Ik ging in een vuil uniform naar school. En er was niet genoeg water om je elke dag te wassen. Nog altijd niet, trouwens.’

‘De andere kinderen lachten altijd met ons, omdat we arm en Batwa waren. Ze zeiden dat we luie en vuile dieven zijn. Ik had geen geld en geen zin om naar school te blijven gaan. Nu wil niemand me werk geven, ook al omdat ik Batwa ben. ‘s Ochtends zoek ik kleine karweitjes bij de mensen in het dorp. Vaak breng ik hun aardappelen of houtskool naar de markt. Als ik geluk heb, kan ik mijn hele dag met karweitjes vullen. Dan geven de dorpelingen me later iets te eten of een beetje geld. Als ze tevreden zijn, verdien ik zo’n 600 Rwandese franc (0,6 euro) per dag. Het liefst van al zou ik groenten telen, maar ik heb noch land, noch gereedschap. We leven in zo’n armoede dat we overheidssteun nodig hebben om op onze eigen benen te kunnen staan’.

‘Wanneer ik geen werk vind, dans ik met de jongens van de gemeenschap. Onze grootouders en grootnonkels leerden ons dansen en instrumenten bespelen. We geven het ritme aan op de trommel en binden bellen aan onze voeten. Het gerinkel is een bindmiddel tussen het ritme, de dans en het lied. Nu oefenen we samen en schrijven onze eigen liedjes. Die gaan altijd over het Nationaal Park, waar mijn voorouders van de jacht en het verzamelen van fruit leefden. De ouderen van de gemeenschap vertellen ons over dat leven. Ons laatste liedje ging over een antilope. Nu anderen onze parken hebben overgenomen, is dit de enige manier om onze herinneringen in leven te houden’.

‘Ook al woonde ik zelf nooit in het park, toch is het een deel van mij. Zonder deze band met de natuur voel ik een leegte in mij. We mogen niet meer in het park wanneer we willen. We kunnen niet naar het graf van onze voorouders. We kunnen onze traditionele medicijnen niet meer gebruiken. We kunnen niet meer van de natuur leven. Natuurlijk zou ik liever in het park wonen. Maar we moeten samenleven met andere groepen in Rwanda. Dat zegt de regering. Toch geven ze ons dan een plek naast het dorp, weg van de de andere inwoners’.

‘De discriminatie in het dorp wordt gaandeweg minder. Ik zou willen dat alle Rwandezen ons ook als gewone mensen zien. We zijn niet arm en vuil omdat we dit willen. We zijn arm omdat het park ons werd afgenomen en we zo geen eten en inkomsten meer hebben. Nu moeten we opnieuw leren overleven, maar dat kunnen we niet alleen’.

This production has been made possible by the journalistic training programme Beyond Your World

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3093   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift