Welkom in het hotel van de hoop in Kosovo

Meer dan vijftien jaar na zijn feitelijke onafhankelijkheid is Kosovo een mislukte staat. Zo’n honderdduizend Kosovaren probeerden het afgelopen jaar de uitzichtloosheid te ontvluchten, maar in de groene rand rond Pristina werkt een Zwitser samen met Serviërs, Roma en Albanezen aan een nieuw Kosovo.

  • © Layla Baraké Het project dat Wormser in 2008 uit de grond begon te stampen, is een van de weinige voorbeelden van privé gefinancierd sociaal ondernemerschap, een vrijwel onbetreden pad in Kosovo, waarvoor de politici voorlopig nog niet echt warm lopen. © Layla Baraké
  • © Layla Baraké Het multiculturele team van Hotel Gračanica. © Layla Baraké
  • © Layla Baraké De Serviërs en Roma van Gračanica brengen hun geïsoleerde leven door op een paar vierkante kilometer, die ze zelden of nooit verlaten. © Layla Baraké
  • © Hotel Gračanica ‘Dit is de enige plek in Kosovo waar Albenese en Servische gasten samen met toeristen dineren.’ © Hotel Gračanica

Zoals de meeste verkeersaders in Kosovo, biedt de M25-2, die de Kosovaarse hoofdstad Pristina met het stadje Gnjilane in het zuidoosten verbindt, een troosteloze en rommelige aanblik met zijn talloze aftandse benzinestations, handeltjes in tweedehandsauto’s en schroothopen. Het decor wordt hier en daar afgewisseld door hoge, uit glas en aluminium opgetrokken handelspanden waarin volgens de reclame-opschriften en oplichtende gevelletters eigentijdse meubelwinkels, motels en wegrestaurants zouden zijn gehuisvest. Maar de meeste van de gebouwen zijn onafgewerkt en verlaten.

Tien jaar geleden al werd deze economische activiteit zonder economische logica in interne rapporten van de VN aangemerkt als ‘bewijs van criminele activiteit’. De winkels, pompstations en hotels zouden door het voormalige UCK (het Kosovaars Bevrijdingsleger) en door etnisch Albanese criminelen in het buitenland gebruikt worden voor het witwassen van hun illegale inkomsten uit drugs- en wapensmokkel, prostitutie en mensenhandel. 

Na tien kilometer verandert het uitzicht op de M25-2. In de plaats van betonnen bedrijfsruimten en horecazaken komen kleine woonhuizen in de typische rurale bouwstijl van de Balkan, voorzien van omheinde tuintjes vol bloeiende bloemperken en knoestige fruitbomen.

Dit is Gračanica, het centrum van de gelijknamige Servische enclave, die uit zo’n vijftien dorpen bestaat en gegroeid is rond een beroemd, door de Unesco beschermd middeleeuws klooster. De Cyrillische opschriften langs de kant van de weg, die in de rest van Kosovo al lang tot het verleden behoren, willen ons duidelijk maken dat we ons bevinden in Servië, het moederland, dat de onafhankelijkheid van zijn voormalige provincie nooit formeel erkend heeft.

© Layla Baraké

Het multiculturele team van Hotel Gračanica.

De bantoestans van Kosovo

Gračanica en een handvol andere Servische enclaves zijn het product van de Kosovo-oorlog, het laatste hoofdstuk van de bloedige Joegoslavische boedelscheiding die de veelvolkerenstaat van maarschalk Tito uit elkaar heeft doen vallen in zeven onafhankelijke landen. Het conflict tussen de etnisch Albanese guerrillagroep UCK (“Bevrijdingsleger van Kosovo”) en de nietsontziende Servische speciale troepen culmineerde in 1999 in een luchtoorlog van de Navo tegen de Joegoslavische rompstaat van president Slobodan Milošević. Na een 79 dagen durende bommenregen trok Belgrado zich terug en werd Kosovo een VN-protectoraat.

Maar al snel werd het vrije Kosovo het toneel van etnische zuiveringen, zoals we die eerder zagen in Kroatië en Bosnië. Onder het oog van de VN-vredesmacht KFOR (Kosovo Force), organiseerde het UCK bloedige wraakacties tegen de niet-Albanese bevolkingsgroepen, waarbij naar schatting meer dan 80 procent van de Serviërs en driekwart van de 150.000 Kosovaarse Roma en Albanees sprekende Asjkali-zigeuners op de vlucht sloegen.

De pacifistische Roma, die in het Kosovo-conflict neutraal waren gebleven, werden door de Albanezen beschouwd als collaborateurs van de Servische autoriteiten. Een groot deel van hen belandde als vluchteling in buurlanden als Servië en Macedonië, terwijl tienduizenden hun heil zochten in het noordwesten van Europa.

Het nieuwste land van Europa is een mislukte staat en een justitieel zwart gat waar straffeloosheid de norm is.

Ondanks de grove misdaden tegen de minderheden ging de internationale gemeenschap na de Servische aftocht in zee met kaderleden van het UCK, zoals de ex-commandanten en latere premiers Hashim Thaçi en Ramush Haradinaj. Rapporten van de Navo en westerse inlichtingendiensten waaruit bleek dat deze voormalige guerrillaleiders nauwe banden onderhouden met de georganiseerde misdaad en zich schuldig hebben gemaakt aan moord, etnische zuivering en de illegale handel in menselijke organen hebben daar niets aan veranderd. In september 2012 werd de verantwoordelijkheid voor het bestuur van Kosovo feestelijk overgedragen aan de corrupte regering van premier Thaçi.

De enige buitenlandse missie die haar mandaat verlengd zag, was EULEX (European Union Rule of Law Mission in Kosovo), de Europese organisatie die sinds 2008 van Kosovo een rechtsstaat probeert te maken, maar vorig jaar nota bene zelf in opspraak kwam na beschuldigingen van corruptie en doofpotoperaties.

De Kosovaarse rechtsstaat is er dan ook niet gekomen. Het nieuwste land van Europa, dat inmiddels door 111 VN-leden is erkend, is een mislukte staat en een justitieel zwart gat waar straffeloosheid de norm lijkt te zijn, zeker als het gaat over de onaantastbare en corrupte politieke elite in Pristina. Kosovo is ook mijlen ver verwijderd van een rechtvaardige multi-etnische samenleving, ondanks grootschalige internationale bemoeienissen en de injectie van miljarden euro’s aan heropbouw- en transitiefondsen. Met uitzondering van de Slavische moslims en de Turken zijn de Kosovaarse minderheidsgroepen nagenoeg volledig uitgesloten van het door Albanezen gedomineerde openbare leven in Kosovo.

De Serviërs wonen in mono-etnische enclaves verspreid over het land of in het uiterste noorden rond de stad Mitrovica. De 35.000 in Kosovo achtergebleven Roma worden feitelijk nog altijd als vluchtelingen beschouwd en kunnen evenmin terugkeren naar hun vroegere huizen. De meesten hebben een veilig maar overwegend werkloos en straatarm heenkomen gezocht in de Servische enclaves. Anderen leven in vluchtelingenkampen in het door Serviërs gecontroleerde Noord-Kosovo, waar veel Roma loodvergiftiging hebben opgelopen rond de mijnen van Trepca, waar hun kampen zijn gevestigd.

Een ufo midden in de velden

Gračanica is arm en uitzichtloos, misschien wel meer nog dan de rest van Kosovo. Enkel op de hoofdweg die langs het klooster loopt is er sprake van enige economische activiteit: een handjevol kleine, geïmproviseerde restaurants en een paar winkeltjes met goedkope Chinese kleding. In de opgebroken zijstraten spelen kinderen met versleten autobanden, terwijl hun ouders op de terrasjes van hun kleurige huizen zitten. Ze lijken niets te doen te hebben en staren maar wat naar de weg waar steeds dezelfde mensen passeren en nooit iets gebeurt.

De Serviërs en Roma van Gračanica brengen hun geïsoleerde leven door op een paar vierkante kilometer, die ze zelden of nooit verlaten. Velen van hen zijn vluchtelingen uit Pristina of komen uit een van de ongeveer 300 dorpen die na de terugtrekking van de Servische troepen etnisch gezuiverd werden. Buiten de enclave voelen ze zich niet veilig: ze kennen geen Albanees en weten – vaak uit eigen ervaring – dat het spreken van de Servische moedertaal tot negatieve en soms gewelddadige reacties van de Albanese bevolking kan leiden.

‘Dit is de enige plek in Kosovo waar Albenese en Servische gasten samen met toeristen dineren.’

Even voorbij het kloostercomplex leidt een smalle weg langs het riviertje de Gracanka naar de groene velden aan de rand van het dorp. Aan onze rechterkant komen we langs verzorgde boerderijen en woonhuizen, tot we enkele minuten later een groot modern gebouw zien, dat met zijn aparte en contrasterende vormgeving in het Servische boerenlandschap wel op een wit ruimteschip lijkt.

Dit is Hotel Gračanica. Het unieke project, dat in april 2013 zijn deuren opende, is een voorbeeld van multi-etnische samenwerking.

Het werd ontworpen door een naar het Westen gevluchte Albanese architect, de geldschieter is een Zwitser, terwijl twee lokale Roma mede-eigenaar zijn. En de keuken, bar en receptie worden bemand door Servische en Roma-vrouwen. Alle personeelsleden zijn overigens op zijn minst drietalig.

‘Dit is de enige plek in Kosovo waar Albanese en Servische gasten samen met buitenlandse toeristen in dezelfde ruimte dineren, om later met een glas Kosovaarse wijn aan het zwembad samen uit te kijken over de groene velden en de bergen aan de horizon’, zegt de Zwitserse eigenaar, Andreas Wormser. We ontmoeten hem in het restaurantgedeelte van het hotel waarvan de muren ook dienst doen als expositieruimte voor het werk van Zwitserse, Servische en Roma-kunstenaars.

Enkele jaren geleden nam Wormser ontslag bij zijn Zwitserse werkgever en vestigde hij zich in de arme Servische enclave om aan zijn hotel te beginnen. Ondertussen heeft hij Albanees, Servisch en het Romani, de taal van de Roma, geleerd en voelt hij zich praktisch een local.

Andreas Wormser loopt al meer dan vijftien jaar rond in Kosovo en heeft onder meer de gewelddadige pogroms tegen etnische minderheden van nabij meegemaakt. ‘Meteen na het conflict in 1999 werd ik hier gestationeerd om de terugkeer van de Kosovaarse vluchtelingen in Zwitserland, zo’n 55.000 mensen, te coördineren’, begint hij zijn verhaal. ‘De Zwitserse overheid gaf hen financiële steun en bouwmateriaal mee om hun beschadigde of vernielde huizen herop te bouwen. Maar het waren vooral Albanezen en Albaneessprekende Asjkali die van de mogelijkheid gebruik maakten. De terugkeer van met name de Servischsprekende Roma lag veel moeilijker: hun huizen waren afgebrand, terwijl ze door de etnische Albanezen als collaborateurs werden beschouwd.’

© Layla Baraké

De Serviërs en Roma van Gračanica brengen hun geïsoleerde leven door op een paar vierkante kilometer, die ze zelden of nooit verlaten.

Spontane bruggen

Het project dat Wormser in 2008 uit de grond begon te stampen, is een van de weinige voorbeelden van privé gefinancierd sociaal ondernemerschap, een vrijwel onbetreden pad in Kosovo, waarvoor de politici voorlopig nog niet echt warm lopen. Behalve Shpend Ahmeti, sinds vorig jaar de burgemeester van de hoofdstad Pristina. De deels in de VS opgeleide econoom wil van Kosovo een democratie en rechtsstaat maken naar West-Europees model. Zowel in Pristina als op het nationale niveau hebben Ahmeti en zijn volksbeweging Vetëvendosje de strijd aangebonden tegen de georganiseerde misdaad en corrupte politici uit de heersende partijen van premier Isa Mustafa en Kosovo’s sterke man Hashim Thaçi.

Maar Ahmeti is ook een onversneden Albanese nationalist. ‘En daar schaam ik me niet voor’, zegt hij zelfverzekerd als we hem in Pristina spreken. ‘Ik wil een onafhankelijk Kosovo zonder internationale en Servische bemoeienis.’ In januari van dit jaar werd hij zelfs gearresteerd toen hij in zijn eigen stad deelnam aan een nationalistische protestbetoging die uitliep op zware rellen met tientallen gewonden. De betogers waren de straat opgegaan om het ontslag te eisen van Aleksandar Jablanović, een van de drie Servische ministers in de Kosovaarse regering. Die had het aangedurfd om Albanese relschoppers, die tijdens het orthodoxe kerstfeest Servische kerkgangers in de stad Gjakovë met stenen hadden bekogeld, “wilden” te noemen.

‘Ik ben tegen de politieke integratie van minderheden zoals die door de internationale gemeenschap wordt opgelegd en door onze politici wordt uitgevoerd’, zegt Ahmeti. ‘Mensen als Jablanović hebben niks te zoeken in de regering. Het heeft geen enkele zin om daar standaard twee of drie Servische ministers te installeren. Daar worden de Serviërs in Kosovo niet beter van. Daar kunnen die drie ministers mooie huizen mee kopen. We moeten ermee stoppen.’

‘Ik geloof daarentegen wel dat de diverse etnische groepen in Kosovo kunnen samenleven, maar de integratie van de minderheden moet geleidelijk groeien, door middel van sociale initiatieven en economische samenwerking. Als ik als Albanese ondernemer geld kan verdienen door zaken te doen met Serviërs, dan leer ik Servisch. Die behoefte ontstaat vanzelf. Dat is de weg die we moeten volgen en zo ontstaan er spontane bruggen tussen de bevolkingsgroepen. Alleen zijn er momenteel geen initiatieven om deze vorm van integratie te stimuleren.’

Dit artikel verscheen eerder in het herfstnummer van MO*magazine. Een jaarabonnement neemt u hier voor slechts €20.

LEES OOK

Een Zwitser opent een multicultureel hotel in Kosovo. Andreas Wormser gelooft in het op gang brengen van integratie van de Kosovaarse minderheden door lokale initiatieven van sociaal onderneme