Highway 10: de populaire drugsroute, van Zuid-Amerika naar West-Afrika

West-Afrika betaalt de tol voor Europese cocaïneverslaving

© Arne Gillis

Een man rookt crack in een fumoir in Oeganda, een fenomeen dat ook in West- Afrika steeds meer het licht ziet. Met dank aan de cocaïnehandel naar Europa.

Abidjan, Ivoorkust. Voor de ingang van een fumoir staan drie jonge mannen zakjes witte cocaïne te verdelen, binnen zitten twintig oudere mannen met bloeddoorlopen ogen en bruine tanden. Er ligt een spiegel op tafel en ze geven elkaar een joint door. De wildgroei van zulke fumoirs is een neveneffect van de tonnen cocaïne, bestemd voor Europa, die jaarlijks aankomen in West-Afrikaanse havens.

Het stoffige Gonzagueville is een van de armste wijken van de Ivoriaanse havenstad Abidjan. Het ligt gekneld tussen de internationale luchthaven, de zeehaven Port-Bouët en een snelweg. Achter die snelweg ligt een strook braakliggend land, en daarnaast begint de oceaan en liggen tankers voor anker.

In Gonzagueville hebben we om tien uur ‘s ochtends afgesproken met Arthur, een rijzige Ivoriaan die door het leven gaat onder de bijnaam Grand-Mère. Grand-Mère leidt de Ivoriaanse LGBTQ-beweging, verkiest met ‘zij’ aangesproken te worden en ontfermt zich over de drugsverslaafden in haar wijk.

Binnen zitten twintig oudere mannen met bloeddoorlopen ogen en bruine tanden. Er ligt een gebroken spiegel op een tafel.

Zij heeft een bezoek kunnen regelen aan een fumoir, een plek zoals er hier honderden bestaan, waar Ivoriaanse mannen cannabis, crack of heroïne kopen en ter plaatse gebruiken. Om binnen te mogen heb je toelating nodig van de Babatché, dat betekent “machtige vader” in het Malinké. De Babatché zorgt niet alleen dat zijn fumoir bevoorraad wordt met drugs van enige kwaliteit, hij zorgt er ook voor dat zijn gebruikers geen overlast veroorzaken in de buurt. Hij doet schenkingen aan de buurtschool. Hij slaagt erin goede relaties te onderhouden met de politie of de gendarmerie, die elke dag passeren om er hun commissie op te halen. Eens je de hand van de Babatché hebt gedrukt, zou je niets mogen overkomen.

In de hoofdstraat van Gonzagueville worden we samen met Grand-Mère opgepikt door de contactpersoon die de Babatché heeft uitgestuurd. Na een wandeling van tien minuten komen we toe op een open plek tussen de huizen. Onder een baobab staat een geïmproviseerde tent die is afgeschermd met een purperen doek en gordijnen van bamboe. Voor de ingang staan drie jonge mannen in chique kledij zakjes witte cocaïne te verdelen.

Binnen zitten twintig oudere mannen met bloeddoorlopen ogen en bruine tanden. Er ligt een gebroken spiegel op een tafel. Ze geven een joint van twintig centimeter door en kijken ons aan met een mix van gastvrijheid en argwaan. Een man met grijze baard en pet prevelt: ‘Als ik kies om te roken, doe ik dat. Je moet je eigen keuzes maken, doen wat je moet doen, of het nu goed is of slecht.’

Crack geeft een snelle rush, gevolgd door een diepe crash. Het is de meest verslavende vorm van cocaïne. Als kippen scharen de aanwezige gebruikers zich rond twintig nieuwe dosissen die arriveren. Een van de jongeren die ons in de gaten houden aan de ingang moet de Babatché zijn, maar we komen nooit te weten wie het is. Fumoirs zijn soms zo groot dat ze driehonderd verslaafden tegelijk kunnen ontvangen. Sommigen doen tegelijk dienst als groente- of kippenmarkt, en ééntje in het centrum van Abidjan heeft een binnentuin met wietplantage.

Recent onderzoek van Médecins du Monde toont aan dat tbc vijftig maal en hiv bijna driemaal zo veel voorkomt in fumoirs als erbuiten. Medewerkers van de ngo die we spraken, wijten dat laatste aan het grote aantal mannelijke sekswerkers dat je er aantreft. Grand-Mère, zelf ook sekswerker, beaamt: ‘Ieder heeft zijn eigen verhaal, maar heel vaak bieden cliënten een hoop meer geld als je ermee akkoord gaat samen met hen te snuiven.’

De tiende breedtegraad

De wildgroei van fumoirs in het hele land, maar vooral in Abidjan, is volgens velen een neveneffect van de tonnen cocaïne die jaarlijks in de haven van Abidjan aankomen. Het grootste deel vaart door naar Europa, maar wat achterblijft, moet aan de man gebracht worden. Sommigen durven beweren dat het aantal fumoirs in de stad meedeint met de Europese vraag. De naar schatting honderden fumoirs doen er dienst als een netwerk van gebruiks- en verdeelcentra voor zowel crack als pure blanche, witte cocaïne, voor wie het zich kan permitteren. Met prijzen die de enorme kloof tussen arm en rijk respecteren: een portie crack kost omgerekend drie euro, een gram cocaïne net geen zeventig.

© Daan Bauwens

Sommigen durven beweren dat het aantal fumoirs in Abidjan meedeint met de Europese vraag naar cocaïne.

Niet alleen Abidjan, ook Dakar, Bissau, Cotonou en Lomé zijn tussenstops voor tonnen cocaïne op weg naar Europa. De route van Zuid-Amerika naar West-Afrika staat bij anti-drugsbrigades bekend als Highway 10, verwijzend naar de tiende breedtegraad. Over die breedtegraad werden enkele eeuwen geleden miljoenen gevangengenomen slaven naar Amerika verscheept. Nu is ze in omgekeerde richting een van de favoriete trajecten voor Zuid-Amerikaanse drugskartels.

Onderzoek van Antonio Mazzitelli, vertegenwoordiger in Dakar van het VN-orgaan dat toeziet op wereldwijde drugs en misdaad (UNODC), toont aan dat de route pas rond de eeuwwisseling in gebruik werd genomen, nadat de monitoring van schepen tussen Europa en Zuid-Amerika aanscherpte. De kartels gingen in zee met Nigeriaanse netwerken die in de decennia voordien expertise hadden opgebouwd in het smokkelen van heroïne naar de VS. De Zuid-Amerikanen konden vanuit West-Afrika sneller inspelen op de vraag uit Europa. De Nigeriaanse netwerken zorgden voor de nodige politiek-militaire connecties ter plaatse waardoor de Zuid-Amerikanen ongestoord hun werk konden doen.

Highway 10 beleefde hoogdagen in 2007, toen naar schatting zeventig ton cocaïne doorheen West-Afrika passeerde. Na enkele belangrijke politieoperaties en arrestaties viel dit terug tot veertig ton per jaar. Maar het lijkt erop dat de route terug aan belang wint.

In 2004 was Afrika goed voor naar schatting 7 procent van alle cocaïnegebruikers ter wereld. In 2011 was dit al 15 procent.

In maart van dit jaar werd in Guinee-Bissau voor het eerst in tien jaar tijd opnieuw een drugsvangst gedaan. In een vistruck met bestemming Mali vond de politie 800 kilogram cocaïne. In Dakar werd begin deze zomer in één week meer dan 1000 kilo cocaïne onderschept op verschillende transporten. In Kaapverdië werd in één klap 9600 kilogram ontdekt op een schip met Panamese vlag.

Ook in Zuid-Amerika werden ladingen onderschept, met bestemming West-Afrika. Zo werd in september 2018 in de haven van Santos in Brazilië 1200 kilo cocaïne onderschept die was ingelast in het metaalwerk van zware bouwmachines. De volledige lading was na een tussenstop in Abidjan bestemd voor Italië. In 2016 werd 8000 kilo tegengehouden op de grens tussen Bolivia en Argentinië. Ook deze lading was bestemd voor Abidjan.

De schattingen lopen sterk uiteen, maar minstens één derde van de totale hoeveelheid cocaïne in transit zou achterblijven in de West-Afrikaanse doorvoerhavens. Highway 10 werd rond de eeuwwisseling in gebruik genomen. In 2007 was ze volledig operationeel, naar schatting zeventig ton zou toen West-Afrika gepasseerd zijn. Tegelijk nam het aantal Afrikaanse gebruikers in sneltempo toe. In 2004 was Afrika goed voor naar schatting zeven procent van alle cocaïnegebruikers ter wereld. In 2011 was dit al vijftien procent.

© Daan Bauwens

In de doorvoerhavens op Highway 10 blijven steeds drugs achter. Op dit strand betrappen de autoriteiten elke maand vissersboten met cannabis of pillen aan boord.

Experts gaan ervan uit dat de toegenomen monitoring op geldstromen ook een negatieve impact heeft gehad. Omdat geld traceerbaar is, worden lokale handlangers niet langer uitbetaald in geld maar in cocaïne, waardoor deze op zoek moeten naar een lokale afzetmarkt. Dubbele winst voor de kartels: betalingen zijn niet traceerbaar en er ontstaat een nieuwe markt. Dakar, Lomé en Abidjan hebben zich zo dus “opgewerkt” tot exportbestemming in plaats van enkel doorvoerhaven.

UNODC-vertegenwoordiger in Dakar Antonio Mazzitelli bevestigt: ‘Het is een gebruikelijke ontwikkeling. De Afrikaanse markt is nu niet anders van de rest van de wereld in termen van vraag en aanbod. Aan de aanbodzijde zijn criminele organisaties erop uit om nieuwe markten te ontwikkelen en te voeden. Aan de vraagkant hebben we vooral jonge consumenten, die dezelfde producten willen consumeren als de rest van de wereld. Inclusief cocaïne.’

Honderdvijftig gram

Mazzitelli wijst naast de impact op de volksgezondheid ook op andere gevaren: ‘Wanneer groeperingen erin slagen de hand te leggen op de inkomsten van de transithandel, komen er geweld en politieke instabiliteit van.’ De handel in drugs zou ondertussen zo’n proporties aannemen dat het de vrede en stabiliteit in West-Afrika bedreigt.

Tijdens een speciale vergadering van de VN-Veiligheidsraad, eind vorig jaar, zei UNODC-topman Yuri Fedotov dat drugshandel in Centraal- en West-Afrika ‘het bestuur, de veiligheid, de economische groei en de volksgezondheid destabiliseert.’ Hij herhaalde hiermee wat Kofi Annan vijftien jaar geleden al zei. Die waarschuwde de Veiligheidsraad toen voor instabiliteit en “militair avonturisme” in de regio, omdat ‘leden van de veiligheidsdiensten en het leger zich inlaten met drugssmokkel’. Met andere woorden: bepaalde segmenten van het leger, politieke partijen maar ook rebellenbewegingen kunnen de hand leggen op de opbrengsten van de drugssmokkel, zich bewapenen en de macht proberen grijpen. En als die macht gegrepen wordt, wordt de cocaïnehandel daarom niet meteen uit handen gegeven.

Er zijn meer redenen om te twijfelen aan de goede bedoelingen van Ivoorkust.

Ivoorkust lijkt het voortouw te nemen in de strijd tegen drugs. De bewuste sessie in de Veiligheidsraad werd door Ivoorkust voorgezeten. President Alassane Ouattara heeft zijn Nationale Veiligheidsraad deze zomer opgedragen de drugstrafiek doorheen zijn land in kaart te brengen. Ouattara’s bedoelingen klinken mooi, maar het initiatief heeft weinig kans op slagen. Enquêteurs moeten onder andere dealers opsporen en hen een vragenlijst voorleggen. De vragenlijsten, die we in handen kregen, vragen die dealers exact waar ze hun koopwaar vandaan halen, wie hun cliënteel is en hoeveel ze ermee verdienen. Dealers opsporen in Abidjan is niet bepaald moeilijk, maar het is weinig waarschijnlijk dat die eerlijke antwoorden zullen geven. Er zijn meer redenen om te twijfelen aan de goede bedoelingen van Ivoorkust.

Opération Epervier van de Ivoriaanse politie probeert sinds 2016 het ‘grote banditisme’ aan te pakken door de afzetmarkt voor drugs droog te leggen. In fase drie van de operatie werden in twee weken tijd in het hele land 239 fumoirs afgebroken en 5818 personen aangehouden. In de vier jaar dat de operatie loopt, is volgens persmededelingen van de Ivoriaanse politie nog maar 150 gram cocaïne aangetroffen.

Het vernielen van fumoirs lijkt ook niet bepaald een prioriteit van de regering. In Adjamé, één van de armste wijken van de stad, passeren we een fumoir die doodleuk is aangebouwd tegen de kazerne van de gendarmerie. Meer nog, volgens onze bronnen worden fumoirs er op voorhand door de politie van op de hoogte gesteld als er een raid op til is. Er is geen enkel lid van de regering of de autoriteiten dat ons te woord wil staan.

Tijdens de eerste dagen van ons verblijf in Abidjan vindt een ceremonie plaats op het presidentieel paleis, waarbij president Ouattara politieagent Touré Mabonga, hoofd van de narcoticabrigade, decoreert tot beste politieagent van het jaar. Ondanks dergelijke bombarie krijgen we geen antwoord op onze talloze verzoeken haar te spreken. Agent Adomo Bonaventure leidde de internationale operatie waarbij in juni vier leden van de Camorra en ‘Ndrangheta gearresteerd werden, in de zaak van de 1200 kilo cocaïne. Ook hem krijgen we niet te zien.

Als laatste poging starten we een procedure waarbij we ons beroepen op de Ivoriaanse wet op openbaarheid van bestuur. Wanneer een ministerie na twee weken nog steeds niet reageert, moet volgens die wet de CAIDP in actie schieten, maar die commissie stopt zelf met reageren na die bewuste twee weken.

© Daan Bauwens

In september 2018 werd 1200 kilo cocaïne in beslag genomen in Brazilië, bestemd voor Italië, met een tussenstop in de haven van Abidjan.

Microbes

De regering heeft volgens veel van onze bronnen redenen te over om de lippen stijf op elkaar te houden. ‘C’est un sujet très sensible’, krijgen we steeds te horen. Hoe het precies zit, krijgen we te horen op onze laatste dag in Abidjan.

Abobo, de armste wijk van de stad, is een spookachtig stil getto met meer dan een miljoen inwoners. Het regent wanneer we Bernard (schuilnaam) oppikken op straat. Bernard is 25. Hij maakte tot voor kort deel uit van wat men in Ivoorkust microbes noemt: rovende en moordende jongerenbendes die de getto’s van Abobo en Adjamé onveilig maakten. Volgens getuigenissen en krantenberichten werden de microbes hierin nauwelijks gehinderd door de politie. Bernard heeft een groot litteken op zijn voorhoofd. Hij is zenuwachtig, krijgt elke minuut telefoon, geeft aan die telefoon instructies ‘iemand te blijven volgen’ en kijkt telkens achterom.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Hij wil getuigen en legt de link tussen drugshandel en de politieke crisis van 2010‑2011, tussen politieke rivalen Alassane Ouattara en toenmalig president Laurent Gbagbo. Als zestienjarige werd Bernard net als veel jongeren uit de armste delen van de stad ingelijfd in de zogenaamde groupes d’autodéfense, gevechtstroepen met basissen die door de twee politieke rivalen overal in de stad werden opgericht.

‘Ik vocht aan de kant van Ouattara’, vertelt Bernard. ‘We voerden aanvallen uit en hielden toezicht op wie ons deel van de stad binnenkwam of buitenging. De oudsten onder ons kregen geweren, wij kregen machetes en messen. We kregen pillen om ons de moed te geven om te vechten. Ik vocht met een machete, maar ik heb nooit gemoord. We werden beloofd dat we naar het leger zouden mogen als we wonnen. Dat gebeurde maar met enkelen onder ons. Onze chefs kregen na de crisis jobs bij het leger, de politie en gendarmerie. Wij niet. Wij werden toegewezen aan nieuwe chefs, namen de huizen in van de personen die verdreven waren. Toen werden we microbes. We hielden ons vooral bezig met geld stelen, drugshandel en drugstrafiek: cannabis, pillen en crack. Dat gebruikten we ook allemaal zelf. Het gaf ons geld. En het gaf ons veel inspiratie.’

Een belangrijk detail: Bernard noemt de nieuwe chefs, die na de crisis het bevel voerden over de microbes, steeds Babatchés. Een term die we eerder tegenkwamen, toen als uitbater van de fumoir. Het is geen toeval. ‘Weten jullie dat dan niet?’, vraagt Bernard, zichtbaar verrast. ‘De microbes kwamen uit de fumoirs.’ De strijders van Ouattara én Gbagbo, aldus Bernard, werden geronseld in de fumoirs van Abidjan. De chefs van de fumoirs werden de chefs van de gevechtstroepen. Sommigen schopten het tot in het leger, de politie of gendarmerie. De anderen keerden zich na de politieke crisis, nu met politieke bescherming, opnieuw tot de drugshandel.

Drie onafhankelijke bronnen in de wijken Adjamé, Angré en Cocody bevestigen ons dat. Tot zover dus de Ivoriaanse versie van Kofi Annans ‘militair avonturisme’. Huidig minister van Defensie Hamed Bakayoko voerde destijds de troepen van Ouattara aan. Hij heeft meermaals openlijk gepleit voor het gebruik van het politiek correcte ‘kinderen in conflict met de wet’ in plaats van het ‘stigmatiserende’ microbes. Vorig jaar werd Hamed Bakayoko burgemeester van Abobo. Sindsdien zijn geen aanvallen door microbes meer gerapporteerd. Of het staken van het geweld al dan niet op zijn bevel gebeurde? Op die schriftelijke vraag kregen we nog geen reactie.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Money Trail-project (www.money-trail.org).

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift