Joachim Spangenberg over de gevaren voor biodiversiteit

Van 18 tot 29 oktober verzamelen wereldleiders in het Japanse Nagoya om het verlies van biodiversiteit aan te pakken. Heel wat milieueconomen pleiten ervoor een prijskaartje te plakken op de natuur. Ze gaan ervan uit dat een hoge prijs automatisch leidt tot betere bescherming. De Duitse bioloog, ecoloog en econoom Joachim Spangenberg vindt dat een gevaarlijke benadering.

  • Alma De Walsche (MO*) Joachim Spangenberg Alma De Walsche (MO*)

Alma De Walsche

MO*redactrice
29 september 2010

Het meten van biodiversiteit in geldwaarde is een van de centrale thema’s op de VN-conferentie in Nagoya. De benadering is bijzonder actueel sinds het VN-rapport Millennium Ecosystem Assessment (2005). Tegelijkertijd is ze erg omstreden, volens critici is ze soms totaal naast de kwestie.

MO* vroeg Spangenberg of het een goed idee is de natuur in geldwaarde om te zetten en aan de markt toe te vertrouwen. ‘Het is zoals de lengte van een liter water bepalen’, vindt Spangenberg. De meetinstrumenten kloppen niet, de uitgangspunten zijn fout en de invalshoek veel te eng –om maar enkele punten van kritiek te noemen. ‘Je kan best een prijs plakken op een liter water. Maar wat is de prijs van water als er zonder water geen leven mogelijk is op deze planeet?’

Spangenberg is vice-directeur van het Sustainable Europe Research Institute, een pan-Europese denktank met zetel in Keulen. MO* ontmoette hem op een zomerse ochtend in de Kempense bossen van Geel, waar hij te gast was op de Europese Jongerenconferentie over Biodiversiteit.

Waarom is biodiversiteit zo belangrijk?

Joachim Spangenberg: Veertig procent van alle farmaceutische producten is gebaseerd op informatie van natuurlijke planten. Jaar na jaar krijgen we af te rekenen met plagen in de landbouw en moeten we op zoek gaan naar variëteiten die daartegen resistent zijn. Maar door het landbouwbeleid dat we voeren, elimineren we die variëteiten. De basis van ons voedsel en de producten waarmee we in ons onderhoud voorzien –vezels voor natuurlijke materialen, kleding, papier, brandstof– hangt af van de biodiversiteit van het leven. Als een soort buffer maakt die ons bestaan op de planeet mogelijk. Je kan ook geen stabilisering van het klimaat krijgen zonder een herstel van de biodiversiteit –en omgekeerd. De twee hangen samen.

Wat is de grootste bedreiging voor biodiversiteit?

Joachim Spangenberg: De menselijke dwaasheid. Als we ons echt zouden realiseren dat biodiversiteit de basis is van ons overleven, dan zouden wel om aandacht schreeuwen. De manier waarop mensen met het landschap omgaan –overmatig gebruik van de ecosystemen en een steeds verdergaande fragmentering ervan– is de belangrijkste drijvende kracht achter het verlies van biodiversiteit. Sommige soorten hebben een minimum aan habitat nodig om zich te kunnen voortplanten. Een andere factor is de invasie van vreemde soorten, die lokale soorten overwoekeren. Vrijhandel brengt die soorten binnen en ondermijnt de basis van het leven in de eigen streek. Er moet meer controle komen om indien nodig grenzen te stellen aan het overbrengen van goederen.

De Internationale Unie voor Natuurbehoud, het grootste milieunetwerk ter wereld, hoopte met de campagne Countdown 2010 dit jaar een einde te maken aan het verlies van biodiversiteit. Waarom is dat niet gelukt?

Joachim Spangenberg:
Het is geen kwestie van politieke onwil. Beleidsmakers realiseren zich gewoon niet hoe ernstig het probleem is. Ze beseffen onvoldoende hoe moeilijk en tijdrovend het is om de situatie goed aan te pakken.
 
Heeft het zin om biodiversiteit uit te drukken in geldwaarde?

Joachim Spangenberg: Er zijn een paar situaties waarin economische waardering absoluut zinvol is. Een boer die zijn oogst op de markt brengt bijvoorbeeld, krijgt op die manier een economische waardering voor zijn gewas. Zijn inkomen is een economische vertaling van wat op zijn akker groeit. Het gaat dus om reële goederen, verkocht op reële markten. Een andere zinvolle benadering is de potentiële schade te berekenen van een plaag die de oogst dreigt te vernielen. Die –hypothetische– kosten kan je vergelijken met de prijs van de bestrijding om te beslissen of je iets onderneemt.
Beide voorbeelden slaan op mogelijke of reële kosten in reële markten. Iets anders wordt het wanneer je het hebt over hypothetische kosten in hypothetische markten. Je kan bijvoorbeeld aan mensen vragen wat ze zouden willen betalen voor een schoon landschap. Dat gaat over imaginaire markten met hypothetische prijzen. Niemand wil voor zoiets betalen, dat werkt niet.

Schoonheid laat zich moeilijk in economische termen vatten.

Joachim Spangenberg: Dat klopt. Men wil biodiversiteit een prijs geven opdat politici hun beleid daarop zouden afstellen. Het klopt dat politici hun beslissingen laten beïnvloeden door economische overwegingen, maar alleen wanneer het gaat over reële markten. Niet over hypothetische prijzen op hypothetische markten. En er is nog een ander gevaar. Wanneer je op alles een prijs zet en stelt dat de markt alles zal regelen, dan moet je die logica doortrekken en het principe van marktefficiëntie volgen. Je gaat produceren met zo weinig mogelijk input –in dit geval: zo weinig mogelijk biodiversiteit voor een bepaalde ecosysteemdienst. De rest van de natuur kan je dan gebruiken voor iets “nuttigs”.  En dat is weer precies het omgekeerde van conservatie, ruimte creëren voor de natuur. Het uiteindelijke probleem is dat op die manier de intrinsieke waarde van de biodiversiteit wordt genegeerd.
Een verrekijker is belangrijk om naar een vogel te kijken. Maar de verrekijker heeft instrumentele waarde –je kan hem eventueel vervangen door een andere. De vogel heeft een inherente waarde, die is uniek. Ook bij de biodiversiteit gaat het om de unieke en onverhandelbare waarde.

Hoe kan je zo’n unieke waarde meten?

Joachim Spangenberg: Als je iets op de markt wil brengen, moet je de prijs bepalen. Daarvoor heb je een maateenheid en een meetinstrument nodig. Maar biodiversiteit is niet aangepast aan de instrumenten en methodes van de markt. Het is zoals de lengte van een liter water bepalen. Theoretisch kloppen alle onderdelen, maar in de praktijk werkt het niet.

Je wil iets meten dat moeilijk te meten is...

...met meetinstrumenten die niet aangepast zijn, om het “product” vervolgens aan te bieden op een hypothetische markt. De bevindingen van die benadering zijn bovendien zeer uiteenlopend. De prijs van een lokaal ecosysteem in China werd volgens de ene methode berekend op tien miljoen yuan, terwijl een andere methode uitkwam op het honderdvoudige daarvan. “Om evidente redenen opteren we dan voor die 1000 miljoen”, redeneerden de onderzoekers vervolgens –niet echt een wetenschappelijk argument als je het mij vraagt. Nog een voorbeeld: wat is de waarde van te kunnen gaan vissen? Volgens sommigen wordt die bepaald door wat je investeert om er naartoe te gaan, de tijd van het vissen en wat het “opbrengt”. Anderen vinden dan weer dat je het hele ecosysteem moet bij rekenen dat het vissen mogelijk maakt. Economen hebben een hele waaier technologieën en methoden ontwikkeld om de natuur in geld uit te drukken maar op het vlak van harmonisatie moet nog een lange weg afgelegd worden. Bovendien is het de foute weg. Het is zoeken naar de beste manier voor iets dat beter niet zou gebeuren.

Welk alternatief stelt u voor?


Joachim Spangenberg: De Duitse filosoof Immanuel Kant stelde dat alles wat geruild kan worden een prijs heeft. Alles wat zo uniek is dat het niet geruild kan worden, heeft geen prijs maar een waardigheid. Milieu-economen willen biodiversiteit een prijs, een “economische waarde” toekennen omdat ze denken dat die dan beter zal beschermd worden, hetzij door de markt, hetzij door het beleid. Maar dat loopt vaak faliekant af.

In een experiment rond een uitstervende vissoort in Japan werd lang gedebatteerd over de economische waarde van het visbestand: hoeveel willen mensen betalen om het uitsterven tegen te gaan? Uiteindelijk bleek de prijs die mensen wilden ophoesten niet zo hoog als het kostenplaatje van de bescherming. Gevolg? De soort ging verder achteruit. Maar hoe schaarser de vis werd, des te meer de mensen bereid waren toch een hoge prijs te betalen. Op het ogenblik dat de prijs zo hoog was dat bescherming de moeite loonde, was de soort echter al te ver uitgestorven om opnieuw te kunnen aangroeien.

We moeten ervan uitgaan dat mensen ook gemotiveerd kunnen worden door andere dan economische waarden. Biodiversiteit hoort niet in het rijtje van de zaken waarop je een prijs kan zetten. Ze heeft een waardigheid.

Wat staat op het spel tijdens de VN-conferentie in Nagoya?


Joachim Spangenberg: De doelstellingen van Countdown 2010 zijn mislukt. Je zou diezelfde doelstellingen kunnen herhalen tegen 2020 of 2030. Of je zou strengere doelstellingen kunnen formuleren, met een striktere en meer nauwkeurige strategie. Dat is wat in Nagoya voorligt: harder werken om tegen 2020 het verlies te stabiliseren en vervolgens aan herstel en revitalisering te werken.

De conferentie zal zich ook buigen over de studie Economie van Ecosystemen en biodiversiteit, een initiatief van het VN-Milieuprogramma. Mijn vrees is dat in de bespreking van die studie te veel de nadruk zal liggen op de de ecosysteemdiensten en de utilitaire waarde van de natuur. De ontwerpversie doet vermoeden dat biodiversiteit erg gereduceerd wordt tot ecosysteemdiensten. Daar zijn veel risico’s aan verbonden. Toch vormt de conferentie ook een kans om het belang van de biodiversiteit te onderlijnen.

Biodiversiteit is niet aangepast aan de instrumenten en methodes van de markt. Het is zoals de lengte van een liter water bepalen.

De (vrije) markt van biodiversiteit

De soortenrijkdom op aarde gaat schrikbarend achteruit. Dat heeft een directe impact op de menselijke leefomgeving –denk maar aan zuivere lucht, drinkwater of medicijnen. Om het verlies aan biodiversiteit tegen 2010 drastisch af te remmen, lanceerde de Internationale Unie voor Natuurbehoud tien jaar geleden de campagne Countdown 2010. Europa wilde het verlies zelfs helemaal een halt toeroepen –ambitieus, maar het is niet gelukt.

Een op de vijf zoogdieren, een op de drie amfibieën en een op de zeven vogels zijn uitgestorven of met uitsterven bedreigd. Er komen voortdurend soorten bij, maar ook die sterven uit voor ze goed en wel geïnventariseerd zijn. Menselijke bewoning heeft een derde van de habitats op de planeet ernstig aangetast. Door de klimaatverandering komen sommige ecosystemen onder extreme druk te staan en sterven soorten uit. 

Ook het recente rapport Global Biodiversity Outlook toont hoe ernstig de situatie is. Het rapport wijst op drie tipping points in de ecosystemen, ingrijpende veranderingen met een ongekende impact. Eén is de verdere ontbossing van de Amazone die door bosbranden, droogtes en verandering in weerspatronen voor een grondige omslag in de ecosystemen en het klimaat kan zorgen. Een ander tipping point is de toename van fosfaten en nitraten in zoetwaterreservoirs, veroorzaakt door overvloedige stromen van afvalwater en bemesting uit de landbouw. Ten slotte zijn er de koraalriffen, die dreigen af te sterven door verzuring van de oceanen. Ze vormen op zich een ecologisch en economisch systeem waar honderden miljoenen mensen van afhangen voor hun overleven en zijn een buffer tegen orkanen en overstromingen. 

‘We beseffen maar niet hoe afhankelijk we zijn van wat de natuur en de ecosystemen ons geven’, zegt de Indiër Pavan Sukhdev. ‘Niet alleen voor goederen en diensten maar ook voor het stabiliseren van het klimaat en voor menselijke bescherming tegen schokken en extreme weersomstandigheden.’ Sukhdev coördineert het rapport De economie van ecosystemen en biodiversiteit (TEEB), dat op de VN-conferentie in Nagoya wordt voorgesteld. Het is opgesteld in opdracht van het VN-Milieuprogramma en mee gerealiseerd onder impuls van de Europese Commissie en Duitsland.

Het TEEB-rapport komt tot de conclusie dat het sociaal en economisch veel rendabeler is geld uit te trekken voor natuurbescherming, dan niet aan natuurbescherming te doen. Verlies van natuur heeft immers ook directe economische en sociale gevolgen, denk maar aan het verlies van visbestanden of akkers, de vervuiling van bodems of het verdwijnen van bossen en alle producten van de bosbouw.

LEES OOK

De Srisailamdam in India
De grootste dammen ter wereld hebben een nadelig effect op de waterkwaliteit en de globale biodiversiteit.
Het ongereguleerd verbranden van afval is veel vervuilender dan de officiële cijfers doen vermoeden. Amerikaans onderzoek schat dat wereldwijd meer dan 40 procent van het afval wordt verbrand.
NASA (CC BY-NC 2.0)
Amerikaanse onderzoekers hebben honderden methaanlekken ontdekt op de oceaanbodem voor de Oostkust van de VS.
Beau Rogers (CC BY-NC 2.0)
De aanhoudende droogte in het westen van de Verenigde Staten heeft niet alleen gevolgen voor de watervoorziening. Uit onderzoek blijkt dat de hele regio aan het stijgen is.

Meest recent van Alma De Walsche

De barbarij die IS tentoon spreidt, is niet uitzonderlijk in de geschiedenis van de mensheid.
CC Government ZA
De Braziliaanse president Dilma Rousseff heeft een drukke agenda af te werken.
© cc Cristi Beagoe
In Roemenië is de regering van premier Victor Ponta uitgesproken voorstander van schaliegasboringen.
© gedeputeerde Vandenhove, provincie Limburg
In het oosten van België is vermoedelijk schaliegas voorhanden. De lagen vallen grotendeels samen met de vroegere steenkoolbekkens.

Laat een reactie achter

Javascript is vereist om dit formulier te gebruiken.