Dossier: 
Over het activistische verlangen naar een Afrikaans land en verhaal

De honderd jaar oude droom van de Black Star Line: ‘Ik geloof dat iets als een gedeelde Afrikaanse culturele basis bestaat’

© Reuters / Nicholas Roberts

Marcus Garvey is een inspiratie voor activisten omwille van zijn pan-Afrikaanse droom: de hereniging van de Afrikaanse diaspora met het continent. (foto: spelend kind in het Marcus Garvey-park in Harlem, New York).

Marcus Garvey had een droom, lang vóór die andere zwarte activist in de Verenigde Staten, Martin Luther King. Garvey droomde honderd jaar geleden van één onafhankelijk Afrikaans land, bevrijd van de kolonisator, waar de Afrikaanse diaspora van over de hele wereld zou thuiskomen. Hij stuurde zelfs zijn eigen vloot richting pan-Afrikaanse droom. Vandaag inspireren zijn successen en zijn falen nog steeds.

In 2014 dook een vlag met een rode, groene en zwarte band op in het straatbeeld van de Amerikaanse stad Ferguson. De Afro-Amerikaanse student Michael Brown werd eerder met zes kogels gedood door de witte politieagent Darren Wilson. Een onrechtmatige dood voor Brown, maar geen veroordeling voor Wilson.

Het leidde tot betogingen en rellen in de stad. Voor het universiteitsgebouw van Ferguson haalden betogers de Amerikaanse Stars and Stripes neer. Even wappert de voor velen onbekende driekleur voor het universiteitsgebouw, de honderd jaar oude pan-Afrikaanse UNIA-vlag.

De pan-Afrikaanse driekleur, die na Ferguson ook elders opduikt bij Black Lives Matter-betogingen, herinnert ons eraan: de internationale verbondenheid en de band tussen heden en verleden zijn niet nieuw. Honderd jaar geleden al ging strijd tegen rassendiscriminatie hand in hand met die voor de bevrijding van gekoloniseerd Afrika. Al meer dan een eeuw overstijgt dat verzet de landsgrenzen en net zo goed generaties.

Activisten putten vandaag nog steeds inspiratie uit het verleden: uit successen, maar ook uit het falen. Zoals uit het falen van The Black Star Line.

Garveys droom

Het einddoel van Marcus Garvey was een Afrika voor de Afrikanen, ook die uit de diaspora.

Exact honderd jaar geleden, in 1920, stelde de Jamaicaanse activist Marcus Garvey (foto hieronder) in New York de pan-Afrikaanse bevrijdingsvlag voor. De vlag was voor hem een signaal, dat de zwarte bevrijdingsbeweging volwassen was geworden. Het was zijn kers op de taart, na een indrukwekkend parcours als bruggenbouwer tussen de Afrikaanse diaspora en het Afrikaanse continent.

Garvey werd in 1887 in Jamaica geboren en kwam als jonge drukker al snel in de arbeidersbeweging terecht. Hij ging reizen door Zuid- en Centraal-Amerika, waar het hem opviel hoe de zwarte bevolking ook daar het slachtoffer was van onderdrukking en discriminatie. Garvey ging studeren in Londen, maar keerde na twee jaar terug naar Jamaica om de nodige steun te verzamelen om de Universal Negro Improvement Association (UNIA) op te richten, in 1914.

Marcus Garvey verenigde twee bewegingen: de emancipatiestrijd van de Afrikaanse diaspora op het Amerikaanse continent en in de Caraïben, en de antikoloniale strijd op het Afrikaanse continent. Zijn einddoel was een Afrika voor de Afrikanen, ook die uit de diaspora. Hij bracht de universele emancipatiestrijd samen in de droom van een onafhankelijk Afrikaans land, bevrijd van de kolonisator, waar de Afrikaanse diaspora zou thuiskomen.

Twee jaar later verhuisde hij naar New York en richtte daar een UNIA-afdeling op. Zijn wervende toespraken en de lancering van zijn krant Negro World zou een beweging van Afro-Amerikanen op gang brengen. Op korte tijd sloten honderdduizenden leden zich aan, en ook in de Britse kolonies in West-Afrika werden UNIA-afdelingen opgericht.

Associated Press / Wikimedia (CC0)

‘Garveys einde is helaas een waarschuwing dat tegenstanders er alles aan zullen doen om dergelijke projecten neer te halen’, zegt de Belgische activist Patrick N’Siala Kiese.

De woorden van de activist wakkerden bij vele anderen het vuur aan. Volgens Martin Luther King was hij ‘de eerste gekleurde man in de VS die op grote schaal miljoenen zwarten een gevoel van waardigheid en toekomst kon geven’.

De ouders van Malcolm X zouden elkaar ontmoet hebben tijdens een bijeenkomst van Garvey en zich lang actief geëngageerd hebben in de beweging. Ook de invloedrijke activiste Queen Mother Moore werd begeesterd door een van zijn toespraken, verhuisde naar New York en werd actief lid van UNIA.

Maar de naam Marcus Garvey doet vandaag in ons land slechts bij een handvol mensen een belletje rinkelen. Voor activisten die zich al jarenlang inzetten voor de strijd tegen racisme en discriminatie is Garvey een belangrijke pionier van de zwarte emancipatiebeweging.

Anne Wetsi Mpoma en Patrick N’Siala Kiese, twee geëngageerde Belgen met Congolese wortels, bevestigen dat ze bij het begin van hun activisme inspiratie zochten bij Afro-Amerikaanse rolmodellen zoals Garvey. Al zoekt Anne Wetsi vandaag net zo goed naar feministische, afro-Europeaanse en Congolese inspiratie, Garveys verhaal was geen onlogische stap in haar persoonlijke vorming. ‘De Verenigde Staten hebben een langere geschiedenis van strijd voor gelijkheid, dus kijk je graag naar wat je van hen kan leren.’

Black Star Line

Een eeuw later zijn het niet UNIA, de pan-Afrikaanse vlag en de droom van een pan-Afrikaanse staat die het meest tot de verbeelding spreken, maar wel het project dat Garvey naar de ondergang zal leiden: de Black Star Line, een eigen rederij.

Garvey zag zijn UNIA niet als een vereniging, maar als een natie zonder land. Een rederij leek hem het economische vehikel dat tot een moderne, geïndustrialiseerde, pan-Afrikaanse natiestaat zou leiden.

Het initiatief kon bovendien snel op veel steun rekenen, omdat het een antwoord bood op de economische achterstelling van zwarte Amerikanen. Zo werden Afro-Amerikanen in de scheepvaart bijna uitsluitend ingeschakeld bij het vuilste en zwaarste werk. En zelfs in die banen moesten ze na het einde van de Eerste Wereldoorlog weer plaatsmaken voor witte soldaten die terugkeerden van het front. De nieuwe rederij zou wie zwart was ook eindelijk gelijke toegang geven tot mobiliteit en toerisme.

Van 1919 tot 1920 haalde UNIA maar liefst 800.000 dollar op voor de Black Star Line bij leden en sympathisanten.

Een belangrijke factor in het succes was de laagdrempeligheid van het financiële model. Een aandeel kostte slechts vijf dollar (in een tijd dat een brood gemiddeld 0,10 dollar kostte) en kon bovendien op afbetaling worden gekocht. De aandelen konden gekocht worden op massabijeenkomsten en werden aangeprezen via de ondertussen razend populaire UNIA-krant Negro World.

Op amper tien maanden tijd kocht UNIA drie schepen. Het eerste, de Yarmouth, bleek al snel met ernstige problemen te kampen. Het schip voer drie keer naar de Caraïben maar bleek een financiële aderlating te zijn. Fouten werden gemaakt bij de aankoop van de vloot, waardoor de rederij al snel in de problemen kwam. De schepen waren te oud en het onderhoud van de hele vloot bleek veel duurder dan gedacht.

© Alamy / Science History Images

De SS Yarmouth, een van de drie schepen waarmee Marcus Garvey een lijn wilde leggen tussen Afro-Amerikanen en het continent van hun afkomst. Maar de rederij kwam al snel in de problemen. De Black Star Line zou nooit naar Afrika varen.

De hele onderneming wekte ook van bij de start het wantrouwen van de Amerikaanse en Britse regering. De Britten wilden “hun goudkust” in West-Afrika beschermen tegen andere spelers. Maar ze vreesden ook dat de politieke agenda van de initiatiefnemers de Caraïbische kolonies zou destabiliseren.

UNIA beschouwde zichzelf als een eigen staat en hield zich niet strikt aan de regels waar Amerikaanse verenigingen aan onderhevig waren, en zo vond men al snel de achillespees om de werking te gaan bemoeilijken.

Uiteindelijk werd Marcus Garvey aangeklaagd en veroordeeld voor postfraude, omdat op een brochure van The Black Star Line een afbeelding prijkte van een schip dat niet in het bezit was van de rederij. Op het moment van publicatie stond UNIA op het punt het vaartuig te kopen, maar de verkoop ging niet door. Een kleine fout, zo leek het. Maar Garvey kreeg er een celstraf van vijf jaar voor.

De onderhoudsproblemen, samen met het verdwijnen van de charismatische leider, deden de legendarische rederij in 1922 finaal stranden. Na het uitzitten van zijn straf werd Garvey in 1927, op bevel van de Amerikaanse president Coolidge, gedeporteerd naar Jamaica.

New York Public Library / public domain (CC0)

Advertentie uit 1925 in de krant Negro World

In het kielzog

Ondanks de snelle neergang bleef de Black Star Line inspireren. Toen Ghana in 1957 als eerste Afrikaans gekoloniseerd land de onafhankelijkheid uitriep, richtte de nieuwe natie niet toevallig onmiddellijk een nationale rederij op, onder dezelfde naam. Een zwarte ster kwam centraal in de vlag te staan; een vlag die ook twee van de drie kleuren van de pan-Afrikaanse UNIA-vlag zou dragen.

Verschillende Afrikaanse landen zouden na hun onafhankelijkheid het rood, groen en zwart een plaats geven in hun nieuwe vlag.

Verschillende Afrikaanse landen zouden na hun onafhankelijkheid het rood, groen en zwart een plaats geven in hun nieuwe vlag. De Black Star Line werd ook door tal van reggae- en hiphopartiesten vereeuwigd in hun teksten. ‘Dat een Afro-Amerikaan in die periode economisch zo machtig kon zijn, spreekt tot de verbeelding’, vindt de Belgische activist Patrick N’Siala Kiese.

‘Zijn einde is helaas ook een waarschuwing dat tegenstanders er alles aan zullen doen om dergelijke projecten neer te halen.’ Dat heeft volgens N’Siala te maken met Garveys strategie om geen verandering binnen het bestaande economische kader te beogen, maar om voluit voor een nieuw kader te gaan. ‘Daarmee verschilde hij van zijn tijdgenoot en mensenrechtenactivist William Du Bois.’

Garvey ondervond daardoor misschien wel sneller weerstand, maar toch is het afwegen van deze twee strategieën steeds leerrijk, vindt N’Siala.

Hij wijst naar een bepaalde strekking binnen de hiphop die van de grote platenlabels en muziekzenders niet de kansen kreeg die het verdiende, naar de Brusselse artiest TiiwTiiw bijvoorbeeld.

De Garvey-strategie bleek, zo vindt N’Siala, de juiste weg. ‘Enkel de erg beladen gangsterrap kreeg een kans, maar dit Afrikaanse muziekgenre niet. Het is toch op eigen kracht groot geworden en er werd geld mee verdiend. Met de komst van nieuwe media en nieuwe platformen konden rappers los van de traditionele kanalen carrières uitbouwen. Integreren in de traditionele kanalen is geen voorwaarde meer.’

Het dilemma Garvey-Du Bois is ook herkenbaar voor Anne Wetsi Mpoma, die recent haar eigen kunstgalerij opende in Brussel. Met Wetsy Art Gallery wil ze zwarte hedendaagse kunst op de radar zetten. ‘Mijn ouders zijn wel Congolees, maar ik heb mezelf als kind nooit als minder Belgisch beschouwd. Pas op latere leeftijd, toen ik een woning en een baan zocht, werd ik geconfronteerd met het feit dat anderen mij niet zo zagen.’

‘Voor ons, Afrikanen die nog niet lang in Europa zijn, is Afrika een realiteit en mag het geen Wakanda-droom zijn.’

Ook Wetsi’s liefde voor de cultuursector bleef onbeantwoord. ‘Ik klopte op alle deuren, maar nooit ging er een open. Ik zette me als vrijwilliger bij tal van culturele organisaties in en als reporter voor Radio Campus volgde ik de culturele sector.’

Ze ijverde er ook steeds voor om zwarte artiesten kansen te geven, maar zag geen verandering. ‘Dus ja, er was maar één oplossing: zelf iets uit de grond stampen. Als 19-jarige werd me op het hart gedrukt dat je het systeem beter van binnenuit verandert, maar dat geloof is met de jaren helaas weggesmolten.’

Anderzijds is Brussel New York niet, vervolgt ze. ‘Ik geloof in een onafhankelijke werking in de marge. Maar de Belgische cultuursector is zo klein dat ik eerder bruggen wil bouwen tussen de gevestigde culturele instellingen in ons land.’

De hobbelige Garvey-weg hoeft volgens haar niet iedereen in te slaan. ‘Er zijn jonge zwarte vrouwen die erin slagen om hun plaats te vinden in het systeem, en ik volg hen met interesse. In de politiek, zoals parlementair medewerker Primrose Ntumba, of Melat Gebeyaw Nigussie, artistiek directeur bij De Beursschouwburg.’

De pan-Afrikaanse droom

Voor Garvey waren de zoektocht naar identiteit en naar de banden met het Afrikaanse continent belangrijk; de grote hereniging stond centraal in zijn pan-Afrikaanse droom. N’Siala ziet vandaag een heropleving van die verbondenheid met het continent in het Afro-Amerikaanse activisme.

De populaire Black Panther-actiefilms van Marvel, met de zwarte acteur Chadwick Boseman als koning van de fictieve Afrikaanse natie Wakanda (zie filmpje hieronder), hebben die verbondenheid volgens hem recent versterkt. ‘Dat Wakanda is een sterk verlangen voor Afro-Amerikanen, wier historische band meestal al eeuwenlang verwijderd is van dat Afrikaans continent. Het maakt deel uit van een zoektocht naar het eigen verhaal.’

‘Voor ons, Afrikanen die nog niet lang in Europa zijn, is Afrika een realiteit en mag het geen Wakanda-droom zijn.’

N’Siala kent zijn geboorteland Congo nog. En ook Wetsi voelt zich nog nauw verbonden met het geboorteland van haar ouders. ‘Ik identificeer me niet noodzakelijk als pan-Afrikanist, maar ik geloof wel dat er iets bestaat als een gedeelde culturele basis van Afrikanen en de afstammelingen van Afrikanen. Maar ik heb zelf geen hiërarchie tussen die twee identiteiten.’

Voor de Frans-Congolese activist Mwazulu Diyabanza, die zichzelf een echte pan-Afrikanist noemt, is die eengemaakte Afrikaanse natie een actief streefdoel. Diyabanza vergaarde dit jaar faam met zijn verschillende pogingen om Afrikaanse roofkunst uit Europese musea te verwijderen. Hoewel hij in Congo werd geboren, voelt hij zich evenzeer geroepen een kunstwerk uit West- of Oost-Afrika mee naar huis te nemen.

Diyabanza ging met zijn organisatie Unité Dignité Courage recent zelfs een stap verder in zijn ambitie om de droom van Marcus Garvey na te jagen: ‘In Lomé (de hoofdstad van het West-Afrikaanse Togo, red.) openden we recent een pan-Afrikaanse herberg en cultureel centrum. Net als The Black Star Line is het een economisch project, maar net zo goed een plaats waar de Afrikaanse diaspora kan thuiskomen.’

Deze analyse werd geschreven voor het winternummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3100   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift