Een jaar na 22 maart: Ieder zijn angst, ieder zijn strijd

Analyse

Een jaar na 22 maart: Ieder zijn angst, ieder zijn strijd

Een jaar na 22 maart: Ieder zijn angst, ieder zijn strijd
Een jaar na 22 maart: Ieder zijn angst, ieder zijn strijd

In de schaduw van de aanslagen in Zaventem en Maalbeek: jongeren spreken zich uit over hun angsten. Sommigen zijn directer geraakt door “22 maart” dan anderen, en er zijn wel meer verschillen. Van ‘We hebben geen emoties meer. We leven van dag tot dag’ tot ‘In Leuven zal heus niks gebeuren’.

© Fatinha Ramos

© Fatinha Ramos​

‘Ik hoop dat ze niet naar hier komen’, hoor ik op de achtergrond uit de keuken. ‘Wie?’ vraag ik. ‘Ja, IS!’ zegt mijn dochter en ze is geen kind meer. ‘Hoe kom je erbij? Alsof IS een leger is dat België zou aanvallen!’ antwoord ik lichtjes verontwaardigd. ‘Ja, maar toch!’ hoor ik haar grommen.

De aanslagen van Brussel zijn al maanden achter de rug. Het leven gaat door. En zo ook oorlogen en aanslagen, elders, op andere plaatsen in de wereld. Bij ons is IS niet uit het nieuws weg te branden. Angst heeft zich blijkbaar in de geesten genesteld. Zo wordt het onderwerp aan het begin van het schooljaar weer op tafel gegooid. Mijn dochter vertelt over haar vriendinnen die bang zijn en over dat jonge stel dat zijn kinderwens uitstelt – uit angst voor IS.

Hoe groot is de angst bij kinderen en jongeren, vraag ik me af. En wat is het voor angst precies? Gaat het om angst voor aanslagen, voor oorlog of voor een apocalyps?

Na de aanslagen in Brussel duurde de piek van extra gesprekken met de jongerentelefoon maar enkele weken.

Een telefoontje naar Awel, de vroegere jongerentelefoon, leert dat er de voorbije twee jaar dubbel zoveel gesprekken over angst werden gevoerd als in 2014. ‘Na de aanslagen van Parijs duurde het maanden voor de trend daalde. Maar na de aanslagen in Brussel duurde de piek maar enkele weken’, zegt Sibille Declercq, coördinator van Awel. ‘Wat ook opvalt, is dat we na de aanslagen van Brussel voor het eerst gebeld werden door moslimjongeren die bang waren om gepest te worden’, zegt ze.

Angst zit nu in mijn hoofd. Ik zie het woord overal opduiken. Het valt me op hoe vaak de term uitgesproken wordt en hoeveel artikels erover worden geschreven. ‘Maar over welk soort angst gaat het precies en wiens angst is prioritair?’ vraagt sociologe Sarah Bracke van de Universiteit Amsterdam als ik in een informeel gesprek het onderwerp aanhaal. Meteen blijkt de complexiteit en de gevoeligheid van het onderwerp. Wiens angst krijgt aandacht en wiens angst wordt naar de achtergrond geduwd? Ga je graven naar diepe angsten of hou je het bij angst voor aanslagen? Ga je ook in gesprek met kinderen en jongeren die trauma’s hebben opgelopen, en hoe pak je dat aan?

Vol angst ben ik aan mijn onderwerp begonnen. Het gaat uiteindelijk om kinderen en jongeren en het laatste wat ik wil is een gevoel van angst aanwakkeren. Drie scholen, een lagere en twee middelbare scholen hebben hun medewerking verleend. Ik mocht met de leerlingen in gesprek gaan.

‘Ik wil president worden’

‘Ik wil president worden.’ Kevin (tien jaar) kijkt niet naar mij, hij kijkt de andere kant op en is bloedserieus. ‘President van België?’ vraag ik hem stomverbaasd. ‘Nee’, zegt hij met dezelfde vastberaden toon. ‘Van de Democratische Republiek Congo.’

Ik ben in een klas van het vijfde leerjaar in Schaarbeek. Martina Luxen, de leerkracht Nederlands die mij naar de klas begeleidt, geeft me een stukje geschiedenis. ‘Dit was vroeger een heel goede school. Klein en gezellig, met een mooie speelplaats. Echt een charmante school. Maar kijk!’

Ik hou mijn adem in, bang dat Martina, die ik al heel lang ken en die een vroegere collega van me is, nu gaat zeggen dat het schooltje niet meer is wat het was na de komst van migranten en vluchtelingen.

‘De muren worden met stalen pilaren gestut. Het schooltje is nooit onderhouden’, zegt ze. ‘Maar er wordt nu volop gewerkt aan een nieuw gebouw, en dat is bijna af. Volgend jaar verhuizen we naar de nieuwe school.’

‘Kijken jullie naar het nieuws?’ vraag ik. De meesten steken hun hand op. Ze kijken bijna allemaal naar de Franstalige commerciële zender RTL. France 2 wordt genoemd, en ook TV5 en de Marokkaanse 2M. ‘Want 2M heeft een journaal in het Frans’, zegt een van de leerlingen.

Het is een klas met een twintigtal kinderen, van diverse afkomst. Hier zitten zowel kinderen van de derde generatie als nieuwkomers. Zowel kinderen van gevestigde gemeenschappen, voornamelijk uit Marokko, als vluchtelingen uit Bosnië, Macedonië of Syrië. Kinderen die hier geboren zijn en anderen die in Spanje geboren werden en wier ouders een complex migratieparcours achter de rug hebben.

‘Ik ben bang als ik soldaten op straat zie. Want dan denk ik dat er misschien een bom zal ontploffen.’

Eén ding valt op. Ze zijn erg bezorgd over wat er in de wereld gebeurt. Of ze soms bang zijn? Natuurlijk, en ze hebben geen probleem om erover te praten. Twee zaken springen eruit. Ze zijn bang van bommen en bang om ontvoerd te worden. ‘Want Dutroux is in de gevangenis, maar hij leeft nog’, zegt een van meisjes. ‘Misschien komt hij vrij. Dat heeft de buurvrouw verteld.’

‘Ik ben bang als ik soldaten op straat zie’, zegt Essam. ‘Want dan denk ik dat er misschien een bom zal ontploffen.’ Van de politie is Essam niet bang. Zijn oom is politieagent, en hij komt vaak op bezoek bij hem thuis. Bakr is bang wanneer zijn ouders te lang wegblijven. ‘Wanneer ze naar het shoppingcenter gaan en ze drie of vier uur wegblijven, ben ik bang dat er iets met hen is gebeurd, dat er een bom is ontploft of zo’, zegt hij. ‘En wat doe je als je bang bent?’ vraag ik. ‘Ik bel hen op.’

© Fatinha Ramos

© Fatinha Ramos​

‘Gewoon slecht’

‘Het is in deze buurt dat de daders van de aanslagen van 22 maart een appartement gehuurd hadden’, legt leerkracht Latifa uit. ‘Toen er hier huiszoekingen waren, werd de hele buurt omsingeld. De kinderen konden een paar dagen niet naar school gaan.’

‘Mijn ouders waren in de luchthaven toen de bommen ontploften’, zegt een meisje afkomstig uit Macedonië. ‘Ik was bang voor mijn broertje. Toen ze thuis waren, was ik blij, maar ik ben nu banger om naar de luchthaven te gaan.’

‘Als ik naar buiten ga, ben ik bang om de weg naar huis niet meer te vinden’, fluistert Kojar. Kojar is een van de drie Syrische meisjes van de klas. Ze is uit Aleppo afkomstig en woont nu twee jaar in België. Een ander Syrisch meisje is bang dat het in België slecht zal gaan. Wat ze met “slecht” bedoelt, weet ze niet precies. ‘Gewoon slecht.’

‘Wat zijn jullie wensen?’ vraagt de juf. ‘Een tablet’, zegt een van de leerlingen. ‘Een smartphone’, zegt een andere. ‘Ik wil dat mijn familie rijk wordt’, zegt Mohamed. ‘Ik wil PlayStation 4’, zegt Mehdi, en ‘ik wil me inschrijven in de paardrijclub’. ‘Ik wil mijn familie in Spanje bezoeken,’ zegt Asma, ‘en ik wil dat de oorlog in Syrië ophoudt.’

Kevin die president van Congo wil worden, moet vooral goed zijn best doen op school. Dat heeft zijn papa verteld, terwijl Omer, wiens ouders afkomstig zijn uit Guinée, niets liever wil dan dat er vrede in de wereld komt. Yasmine maakt zich zorgen over het klimaat. En Ines denkt aan het onrecht dat een visverkoper in Marokko aangedaan werd. De man werd vermorzeld in een vuilniskar toen hij wilde verhinderen dat zijn partij vis, die daarin was gegooid, vernietigd werd.

Werk en geld

‘Ik woon in Molenbeek en ik ben niet bang.’ Medine leunt op de jongen naast haar. Ze is van Albanese afkomst en het enige meisje in haar groep. Ik ben in het Imelda Instituut, een katholieke Nederlandstalige middelbare school (TSO-BSO-KSO) in hartje Brussel.

‘Bang? Welnee. Als de dood komt, kun je die toch niet tegenhouden.’

Ook hier is de achtergrond van de leerlingen erg divers. De eerste groep, zevende jaar beroepsonderwijs, volgt Kantoor, of ‘Business Support’, zoals de richting nu heet. De andere groep, allemaal meisjes en één jongen, zijn zesdejaars TSO Secretariaat-Talen. Of ze bang zijn van IS of voor nieuwe aanslagen? Nee, natuurlijk niet. Waarom zouden ze? Als de dood komt, kun je die toch niet tegenhouden.

‘Helpt het geloof om niet bang te zijn?’, vraagt de leerkracht. Er wordt niet met enthousiasme gereageerd. ‘Hoe lang we leven is in ieder geval op voorhand bepaald. Wij kunnen daar niets aan veranderen’, zegt Yassine. ‘Ik ga me toch niet opsluiten zeker’, zegt Ali. ‘De aanslagen blijven elkaar opvolgen. We hebben geen emoties meer’, zegt Loubna. ‘We leven van dag tot dag.’ ‘Ik neem alvast de metro niet meer’, zegt Fenesssa. Haar vader werkt op de luchthaven, haar moeder was op de dag van de aanslag in metrostation Maalbeek. Haar zus zat in de metro.

‘De autochtone leerlingen gaan meestal apart zitten. Dat is altijd zo geweest, ze sluiten zich niet bij ons aan.’

Waar ze zich zorgen over maken is de grote kloof tussen de gemeenschappen. ‘Elke groep leeft nu apart’, zegt Jenny. ‘Was dat niet al lang zo?’ vraagt de leerkracht. ‘De autochtone leerlingen gaan meestal apart zitten’, zegt Adil. ‘Dat is altijd zo geweest, ze sluiten zich niet bij ons aan. Terwijl wij moslims open staan voor iedereen. Onze groep is toch heel divers.’

Wat ze willen bereiken? Geld verdienen natuurlijk, zeggen de jongens. Werk vinden, daar maken ze zich grote zorgen over. Ook meisjes denken dat dat een moeilijke opdracht zal zijn. ‘Als wij nu al geen studentenbaantje vinden, hoe gaan we dan later aan de bak komen?’ beargumenteert Jenny. ‘Waaraan zou dat liggen?’ vraagt de leerkracht. ‘Aan mijn uiterlijk. Ik zie er toch als een Arabier uit’, zegt Ali.

‘Of je nu studeert of niet, het maakt allemaal niets uit. Je vindt toch geen werk’, zegt Ali. ‘Ik heb een vriend die management heeft gestudeerd, maar hij werkt van tien uur ’s avonds tot zes uur ’s ochtends als magazijnier bij DHL. Wat heeft het voor zin om een diploma te behalen als je helemaal onder aan de ladder moet beginnen? Waar je ook gaat vragen ze ervaring. Tenzij je voor dokter of architect studeert, dan is dat natuurlijk iets anders’.

‘Het bedrijf waarvoor ik eerst wél in aanmerking kwam, wilde sinds de aanslagen geen mensen van vreemde herkomst meer.’

‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik benadeeld werd vanwege mijn afkomst’, zegt Sibel, die een Turkse vader heeft. En ze vindt het helemaal fout om te denken dat diploma’s er niet toe doen. ‘Juist omdat het zo moeilijk is om aan werk te raken, moeten we extra ons best doen op school.’

‘Mij werd duidelijk gezegd dat het bedrijf waarvoor ik eerst wél in aanmerking kwam sinds de aanslagen geen mensen van vreemde herkomst wilde. Ik woon in Vilvoorde. In Vlaanderen dus. Misschien is de situatie in Brussel anders’, repliceert Fenessa.

Molenbeek

Veel leerlingen wonen in Molenbeek en ze vinden de aandacht die hun wijk te beurt valt niet prettig. ‘Veel toeristen komen naar de straat waar Salah Abdeslam zich schuil hield’, getuigt Fatima. ‘En onlangs waren er opnieuw huiszoekingen. Het zal niet ophouden, zegt mijn mama, daarom wil ze dat we verhuizen.’

‘Ze komen zelfs uit Rusland om onze wijk te bestuderen’, zegt Adil. ‘Ik zag ze en vroeg hen wat ze aan het doen waren. Ze zeiden dat ze aan het werken waren.’ Adil is verontwaardigd. Terwijl hij over het incident vertelt, raak ik gefascineerd door die grote identificatie met zijn buurt. Zijn uitgesproken Franstalige accent doet me aan de ouders van al die leerlingen denken, die op een bepaald moment bewust voor het Nederlandstalig onderwijs hebben gekozen. Zouden ze nu tevreden zijn? Heeft het Nederlandstalig onderwijs in Brussel de verwachtingen ingelost? De leerlingen vinden het in ieder geval een voordeel dat ze Nederlands kunnen spreken.

‘Molenbeek?’ vraag ik. ‘Zie, ook u denkt dat alle terroristen uit Molenbeek komen. Ik heb het over mijn wijk, Neder-Over-Heembeek’, zegt Adil. Oei! Betrapt.

© Fatinha Ramos

© Fatinha Ramos​

Geen soldaten

De jongedame tegenover mij in de bus geeft een uitvoerige uitleg over de te nemen weg, want de bus rijdt niet tot aan het Sint-Pieterscollege in Leuven. En het is een beetje ingewikkeld.

Het klasgesprek begint moeizaam. Slechts een paar leerlingen nemen het woord. De rest volgt met aandacht de discussie en reageert af en toe met goedkeuring of gegniffel. Dit is de zesde klas Latijn-wiskunde. Of ze weten wat ze volgend jaar gaan doen? ‘Geneeskunde’, zegt de een, ‘burgerlijk ingenieur’, een ander, ‘bio-ingenieur’, zegt een meisje, ‘het wordt geneeskunde of drama’, zegt een vierde. De rest weet het nog niet of wil het niet verklappen.

‘Ik weet wat er gebeurt, maar ik kom niet te weten waarom het gebeurt.’

Wat ze van hun situatie vinden? Euh, het kan altijd beter, maar slecht is het niet. ‘De wereldoorlog is al lang voorbij’, zegt een van de leerlingen. Gegniffel. Zijn ze geïnteresseerd in wat er in de wereld gebeurt? ‘Ik hoor en lees over problemen in andere plaatsen, in Burundi bijvoorbeeld, maar wat ik mis, is achtergrondinformatie’, zegt Shelly. ‘Ik weet wat er gebeurt, maar ik kom niet te weten waarom het gebeurt.’

Zijn ze bang voor mogelijke aanslagen? Nee, daar is niemand mee bezig. ‘Wij wonen in Leuven’, zegt een van de leerlingen. ‘Als er toch iets gebeurt, dan zal dat in een stad als Brussel of Antwerpen zijn.’ ‘We zien hier ook geen soldaten bijvoorbeeld’, merkt een andere leerling op. ‘Ik neem aan dat als je soldaten op straat ziet, je die angst wel krijgt.’

Zijn ze bang voor iets anders, voor moslims bijvoorbeeld? Waarom zouden ze? Bang om in Brussel rond te lopen zijn ze ook niet. ‘Ik ben wel bang als ik in het Noordstation kom’, zegt Marie. ‘Ik kan het niet uitleggen. Het geeft me gewoon een onveilig gevoel.’

‘Er zijn twee dingen waar ik me zorgen over maak’, zegt Jorgen. ‘De vluchtelingenkwestie en het klimaat. Ik ben niet bang voor vluchtelingen, ik vind juist dat er niet genoeg aandacht gaat naar deze problematiek.’ Veel andere leerlingen vinden dat het klimaat meer aandacht zou moeten krijgen.

IJskoud, maar zonnig

‘U gaat hier niet veel over onze diepe angsten te weten komen’, merkt Stien op. ‘Wat ons wel zorgen baart is de druk die op ons gelegd wordt om altijd maar goed en altijd beter te scoren. Men gaat ervan uit dat we het aankunnen, maar niemand vraagt ons of het wel gaat.’ Dat beamen andere leerlingen. ‘Inderdaad, de druk is groot en de lat ligt hoog. Maar dat komt niet omdat anderen het mij opleggen. Ik leg het mezelf op’, zegt Aron.

‘Het klimaat, of Trump: je denkt eraan, maar ligt er niet wakker van, want je hebt er niet persoonlijk mee te maken.’

‘Er zijn veel dingen die zorgen baren, het klimaat bijvoorbeeld of Trump. Je denkt eraan, maar je ligt er niet wakker van, omdat je er niet persoonlijk mee te maken hebt. Mijn cijfers en mijn imago, daar maak ik me veel meer zorgen over dan over dingen die in de grote wereld gebeuren’, zegt een leerling. ‘Imago’, opnieuw gegniffel.

Het is ijskoud, maar de zon schijnt. Op weg naar het station laat ik mijn blik over de Sint-Pieterskerk glijden. Sommige uitspraken blijven nazinderen. De angsten van de tienjarigen vertalen voor een groot deel de angsten van hun ouders. Hun belangstelling voor specifieke wereldproblemen vloeit ook voort uit die van hun ouders.

Ik loop verder richting station en denk terug aan Loubna, die het erg vindt dat kinderen nu in een negatieve sfeer opgroeien, aan Fenessa, die naar London wil verhuizen, aan Jaweed, die naar het leger wil, stoer wil overkomen en, ik weet niet of hij het meent of plagend zegt, niet bang voor oorlog beweert te zijn omdat hij uit Afghanistan afkomstig is en al oorlog heeft meegemaakt. Ik denk ook aan Yassine, die politieagent wil worden. Aan Jeffrey, die later wil gaan doen wat zijn ouders doen, mosselen verkopen op kermissen, en die zich nu al zich zorgen maakt over het pensioenstelsel.

De Leuvense studenten willen zeker naar Brussel om er te werken, of zelfs naar het buitenland. Ze willen de wereld ontdekken. De diversiteit van de grote stad schrikt hen niet af. Het internationale karakter van Brussel vinden ze juist aantrekkelijk. De angst waarvan de voorbije maanden in de media sprake was, heb ik in deze school niet gevonden. Toch zijn er tussen een richting kantoor of talen in een Nederlandstalige school in Brussel en Latijn-wiskunde in Leuven grote verschillen. Het zijn twee werelden die elkaar misschien zullen kruisen, maar elkaar waarschijnlijk nooit zullen ontmoeten. Ieder zijn angst, ieder zijn strijd.

__Dit artikel werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!