Hoe de overheid teruggekeerde Syriëstrijders opvolgt

Hoe volgt de overheid terugkeerders uit Syrië en Irak op? Hoeksteen van de aanpak is het Plan Radicalisme. De uitvoering op het terrein wordt gecoördineerd door 23 lokale task forces. De zes kernpunten van de aanpak worden hier uit de doeken gedaan.

  • © Francois Lenoir / Reuters Syriëstrijder Jejoen Bontinck en advocaat Kris Luyckx op het proces tegen Sharia4Belgium. © Francois Lenoir / Reuters

1. Bestuurlijke maatregelen

Tijdens coördinatievergaderingen op het OCAD zitten politie, parket en inlichtingendiensten (de Staatsveiligheid en de militaire inlichtingendienst ADIV) samen over nieuwe terugkeerders. Het parket laat dan weten tegen welke individuen reeds een gerechtelijk onderzoek loopt.

Een aantal ouders van Syriëstrijders kreeg psychologische hulp toegewezen. 

Wanneer een Syriëstrijder naar België terugkeert, is een belangrijke vraag immers of hij/zij strafrechtelijk kan vervolgd worden. Niet iedereen heeft hetzelfde parcours achter de rug. Wie met het Free Syrian Army heeft meegevochten en zich aan alle internationale conventies inzake oorlogsrecht heeft gehouden, zal juridisch sterker in zijn schoenen staan dan strijders die in terroristische groeperingen meevochten, internationale conventies aan hun laars lapten en deelnamen aan geweld.

Op de coördinatievergaderingen bij het OCAD wordt, individu per individu, een eerste dreigingsinschatting gemaakt en een effectieve veiligheidsopvolging besproken. Het OCAD houdt een permanent geüpdate lijst bij met alle namen van Syriëstrijders.

Vervolgens bespreken de aanwezige diensten op de coördiantievergadering welke bestuurlijke maatregelen genomen kunnen worden tegen Syriëstrijders – op zo een manier dat ze het eventuele gerechtelijk onderzoek niet doorkruisen. Denk aan reïntegratietrajecten, psychologische maatregelen, tussenkomst van sociale diensten, het inschakelen van preventie-ambtenaren…

Zo kreeg een aantal ouders – Antwerpse moeders – intussen psychologische hulp toegewezen. Andere voorbeelden van bestuurlijke maatregelen zijn iemand de toegang tot het Belgisch grondgebied ontzeggen, huisarrest opleggen of internetmateriaal offline halen.

2. Het belang van het lokale niveau

De verdere opvolging van de teruggekeerde Syriëstrijders gebeurt niet op nationaal maar op lokaal vlak, door 23 local task forces (LTF), één per voormalig gerechtelijk arrondissment (recent zijn de gerechtelijke arrondissementen teruggebracht van 23 naar 12). Zo is er een LTF in Antwerpen, in Brussel, in Luik… Het vergaderritme – om de week, om de maand, om de drie maanden – verschilt van arrondissement tot arrondissement.

Een aantal Syriëstrijders zijn door de overheid geholpen bij de zoektocht naar een nieuwe baan.

In die lokale teams plegen de Staatsveiligheid, ADIV, geïntegreerde politie en OCAD – soms met een lokaal parket erbij – overleg over allerhande extremisme-dossiers, al ligt de focus het voorbije jaar zonder twijfel op de Syriëstrijders.

Het voorzitterschap van zo’n LTF wordt meestal waargenomen door de politie. Concreet gaat het overleg over de vraag welke maatregelen op lokaal vlak kunnen worden genomen. Sommige terugkeerders blijken niet open te staan voor de reïntegratie die de overheid aanbiedt, anderen wel.

Concreet: Een Syriëstrijder keert terug naar zijn wijk. De sociale diensten van de gemeente doen een intakegesprek waarin ze inschatten hoe de persoon in mekaar zit. Daarna volgt een diepgaander gesprek over probleemvelden zoals onderwijs, werk of huisvesting.

Vervolgens kan de lokale politie de sociale diensten advies geven. ‘Let op: als die persoon naar zijn oorspronkelijke school terugkeert, wordt hij er als een held ontvangen. Misschien is het beter hem naar andere scholen te oriënteren.’ Het is dan aan de sociale dienst om dat verder op te volgen.

In een aantal gevallen zijn teruggekeerde Syriëstrijders door de overheid ook geholpen bij het zoeken naar een nieuwe baan.

EU-antiterrorismecoördinator Gilles de Kerchove vindt die focus op het lokale niveau de juiste aanpak. ‘Ik ben er van overtuigd dat het eerste antwoord op het fenomeen moet komen van het lokale niveau –van scholen tot maatschappelijk werkers’, aldus de Kerchove in een interview met MO* in september 2013.

3. De ogen en oren van de wijkagent

De banden tussen nationaal en lokaal niveau zijn niet op één dag gesmeed. De afgelopen jaren nam de overheid verschillende initiatieven om de twee bestuursniveaus dichter bij mekaar te brengen.

De betrokkenheid van de lokale politie bij het opvolgen van Syriëstrijders is niet overal even groot. Werk aan de winkel. 

Een vierhonderdtal gemeenteambtenaren nam in december 2010 in de Brusselse Koninklijke Militaire School deel aan een colloquium over de Staatsveiligheid. Doelpubliek van de tweedaagse conferentie waren burgemeesters, gemeentesecretarissen, voorzitters en secretarissen van OCMW’s, diensthoofden van sociale diensten, de lokale politie, havenbedrijven, integrale veiligheidsambtenaren en diensthoofden burgerlijke stand en bevolking.

Uit Wallonië daagden 150 deelnemers op, uit Vlaanderen zo’n 240. De Staatsveiligheid wees hen op het belang zichtbare elementen van radicalisering te melden.

Twee maanden daarvoor organiseerde Binnenlandse Zaken een conferentie over De rol van het middenveld in de preventie van gewelddadige radicalisering. Op de conferentie werden twaalf projecten uit verschillende EU-lidstaten toegelicht waarin het middenveld – scholen, vzw’s, jeugdverenigingen, sportclubs en maatschappelijk assistenten – een rol opneemt in de preventie van gewelddadige radicalisering.

© Federale Politie

Rond dezelfde periode lanceerde de Federale Politie het CoPPra-project. CoPPRa, een Engels letterwoord, staat voor ‘gemeenschapsgerichte politiezorg om radicalisering en terorrisme te voorkomen’. Concreet ging het om een zakboekje voor wijkagenten met informatie over zichtbare elementen van terreurorganisaties zoals vlaggen of logo’s.

De rol van burgemeesters en lokale politiekorpsen bij de aanpak van Syriëstrijders vandaag is van groot belang. Al zou de betrokkenheid van de korpschefs in het ene arrondissement al groter zijn dan in het andere. Op dat vlak is er dus nog werk aan de winkel.

4. Het Plan Radicalisering

De hoeksteen van de Belgische aanpak van teruggekeerde Syriëstrijders is het Plan Radicalisme, kortweg Plan-R. Dat is in 2005 gelanceerd – in de nasleep van de terreuraanslagen in Madrid – om de verspreiding van radicale boodschappen tegen te gaan. Het plan voorziet in de mogelijkheid om allerhande bestuurlijke maatregelen te nemen.

De Syriëstrijders gaven een boost aan het operationaliseren van de lokale task forces. 

De aandacht gaat daarbij uit naar zeven manieren waarop radicale boodschappen worden verspreid: via groeperingen; via websites en het internet; via radio en televisie; door ideologische predikers en propagandisten; door moskeeën, culturele centra en vzw’s; via propagandacentra zoals boekhandels en uitgeverijen; en in gevangenissen.

Ironisch genoeg heeft Sharia4Belgium ertoe bijgedragen dat de betrokken diensten steeds beter zijn gaan samenwerken in het kader van het Plan-R. Het Syriestrijders-fenomeen betekende dan weer een boost voor het operationaliseren van de lokale task forces. 

5. De rol van de geheime diensten

Het Comité I, dat in opdracht van het parlement de Belgische inlichtingendiensten controleren, lanceert eerstdaags een onderzoek naar de informatieposities van de Staatsveiligheid en ADIV in het dossier-Syriëstrijders. Hebben de Belgische inlichtingendiensten een kijk op de rekruterings- en vertrekfase, op de activiteiten van de Syriëstrijders ter plekke, en op het reilen en zeilen van de returnees? Die vragen wil het Comité I beantwoorden. Wat zijn de sterke en zwakke punten van de aanpak?

Het Comité I onderzoekt hoe onze geheime diensten de Syriëstrijders opvolgen. © Kristof Clerix

Verschillende goedgeïnformeerde bronnen uit de wereld van politie- en inlichtingendiensten bevestigen dat anno 2014 de samenwerking met en tussen de Belgische inlichtingendiensten in het Syriëstrijders-dossier goed verloopt. Het foreign fighters-fenomeen geniet momenteel dan ook een hoge prioriteit bij de twee diensten.

Informanten binnen de lokale gemeenschap van teruggekeerde Syriëstrijders leveren vandaag de meest betrouwbare inlichtingen.

De Staatsveiligheid en ADIV hadden in het verleden al ervaring met Belgische strijders die naar Somalië, Irak, Afghanistan of Libië waren afgereisd. Het Syrië-probleem zagen ze – zeker in vergelijking met een aantal buurlanden – tijdig aankomen, maar over de snelheid en omvang van het fenomeen schrokken ze wel.

In augustus 2012 vertrokken de eerste Belgische Syriëstrijders. Inmiddels zijn ruim 150 Belgen in Syrië ter plekke, 42 zijn er gesneuveld en een negentigtal is teruggekeerd.

Inlichtingen inzamelen vòòr het vertrek van Syriëstrijders blijkt geen sinecure. ‘Op hun voorhoofd staat meestal niet dat ze naar Aleppo gaan’, klinkt het bij een insider. ‘De inlichtingendiensten moeten het vooral hebben van zij die terugkeren. De meest betrouwbare methode – eigenlijk de enige die dezer dagen nog goed werkt – is humint.’ Dat is jargon voor human intelligence –het werken met menselijke bronnen. Lees: informanten binnen de lokale gemeenschap van een teruggekeerde Syriëstrijder.

Verder wenden de Staatsveiligheid en ADIV ook een aantal bijzondere inlichtingenmethoden (BIM) aan om teruggekeerde Syriëstrijders op te volgen. Denk aan telefoontap of het inkijken van elektronische communicatie. Bovendien kan de ADIV ook communicatie uitgezonden vanuit het buitenland onderscheppen. Al zou naar verluidt een aantal Syrië-terugkeerders intussen voldoende hebben geleerd over contraspionagetechnieken om te weten dat je gevoelige dingen best maar niet over de telefoon vertelt.

Daarnaast vormt ook het opvolgen van online sociale netwerken als Twitter en Facebook of kanalen als YouTube een belangrijk aandachtspunt. Het Comité I kan erover oordelen of de Belgische inlichtingendiensten voldoende personeel personeel in huis hebben om die taak naar behoren te vervullen. De Staatsveiligheid liet recent verstaan een interne reorganisatie te hebben doorgevoerd waarbij meer personeel is ingezet op het thema Syriëstrijders.

De ADIV levert bijkomend nog informatie aan over de omgeving waarin de Syriëstrijders in het buitenland opereren, en vertaalt de evolutie van de toestand in het buitenland naar mogelijke binnenlandse dreigingen.

Ten slotte is er nog de samenwerking met buitenlandse zusterdiensten, die permanent informatie uitwisselen met de Staatsveiligheid en de ADIV. Ook voor datamining – het linken van telefoondata bijvoorbeeld – doet België onder andere een beroep op bevriende buitenlandse inlichtingendiensten.

6. De politieke spil van het Belgische veiligheidsbeleid

Wettelijk gezien moet de politieke aansturing van de inlichtingendiensten komen van het Ministerieel Comité voor Inlichtingen en Veiligheid (MCIV). Behalve de premier, die voorzitter is, zetelen in het MCIV ook de ministers van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken, Defensie, Justitie en Economie.

Het MCIV – nochtans de politieke spil van het Belgische veiligheidsbeleid – is tijdens de regering-Di Rupo echter nauwelijks samengekomen, hooguit een paar keer op het einde van de regeerperiode. Ter vergelijking: tussen 2007 en december 2011 is het MCIV 22 keer bijeengeroepen.

De zittingen van het MCIV worden in de regel voorbereid door het College voor Inlichtingen en Veiligheid (CIV). Daarin zetelen onder meer de hoofden van inlichtingendiensten en politie, het OCAD en vertegenwoordigers van kabinetten.

De federale regering kan maar best het Ministerieel Comité voor Inlichtingen en Veiligheid nieuw leven inblazen. 

Ook dat College voor Inlichtingen en Veiligheid is de voorbije jaren nauwelijks samengeroepen. Het werd de facto vervangen door maandelijkse vergaderingen, alternerend op initiatief van de voormalige ministers van Justitie (Turtelboom) en Binnenlandse Zaken (Milquet). Opmerkelijk is dat de ADIV en Buitenlandse Zaken – nochtans van belang om een zicht te krijgen op de reisbewegingen van sommige Syriëstrijders – daar niet altijd bij werden betrokken.

Dan is er nog de Task Force Syrië, die in april 2013 werd opgezet door voormalig minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet. Critici spreken van een ‘politiek orgaan’ veeleer dan een efficiënt overlegplatform, en ook het woord ‘profileringsdrang’ valt in die context al eens. De Task Force Syrië zal – via een omzendbrief die deze week de deur uitgaat – geïntegreerd worden in het Plan Radicalisme.

N-VA-voorzitter Bart De Wever pleitte begin juli dan weer voor de oprichting van een soort Belgisch Homeland Security Office, een departement voor Binnenlandse Veiligheid om jonge jihadstrijders op te volgen en aan te pakken.

Als de federale regering het overleg en de coördinatie tussen de verschillende spelers van de Belgische veiligheidswereld rond de Syriëstrijders wil optimaliseren, kan ze misschien beter het MCIV en CIV nieuw leven inblazen. Die structuren bestaan immers. Sommige ingewijden pleiten er wel voor om het College voor Inlichtingen en Veiligheid uit te breiden met een permanent secretariaat en een analysedienst die beleidsaanbevelingen kan doen, al scharen niet alle betrokken diensten zich achter die aanbeveling. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur