Sterk in de schoenen
Inheemse volkeren staan op voor hun design

© Thomas Nolf

© Thomas Nolf
Steeds meer gemeenschappen wapenen zich tegen culturele toe-eigening. Westerse merken zoals Prada, Adidas en Max Mara mogen niet zomaar inheemse ontwerpen gebruiken als gratis inspiratiebron. ‘We willen gerust delen, maar geef ons iets in ruil.’
In niet mis te verstane woorden zoals ‘culturele diefstal’, ‘toe-eigening’ of ‘koloniale couture’ verontwaardigden de Indiase en de internationale pers zich over het Italiaanse luxemerk Prada en zijn directie, waartoe ook de Belgische topontwerper Raf Simons behoort. Toen hij en Miuccia Prada de voorjaarscollectie voor 2026 voorstelden op het defilé in Parijs van juni, liep een leren slipper in de kijker. Die bleek gebaseerd op een inheems ontwerp van de Kolhapurigemeenschap in Maharashtra en Karnataka, twee zuidelijke deelstaten in India. Daar kan je de sandaal kopen voor zo’n 1000 rupee, grofweg 10 euro. Een plastic variant koop je al voor 70 rupee ofwel 70 eurocent. Prada wil hem verkopen voor 100.000 rupee (977 euro).
Een Indiaas mannenblad ziet er de mop van in: ‘Die oude slipper van je papa is op de catwalk beland.’ Maar de reactie van Devika Krishnan, directrice van de Good Earth Heritage Foundation, is van een andere orde: ‘Beeld je in dat een merk een ontwerp dat al eeuwenlang bestaat op een catwalk plaatst. Daarmee impliceert het dat zíȷ, en niet de inheemse gemeenschap die het ambacht van generatie op generatie doorgeeft, het design bedacht hebben. Alsof zij de rechtmatige uitvinder zijn. Dat is te gek voor woorden, toch?’
‘Bedrijven zouden beter samenwerken met inheemse gemeenschappen en een deel van hun winst afstaan.’Devika Krishnan, directrice Good Earth Heritage Foundation
De Good Earth Heritage Foundation ondersteunt ambachtslieden uit inheemse gemeenschappen in India. Zo houdt Krishnan nauw contact met de Kolhapuri in Karnataka, al reist ze even vaak naar Kasjmir of Gujarat. Van opleiding is Krishnan zelf ontwerpster. ‘Mijn oorspronkelijke focus lag op keramiek’, duidt ze. ‘Hoewel India een eeuwenlange traditie heeft van kleren en schoenen maken, bleek modeontwerp geen afstudeerrichting.’
Prada gaf later zijn inspiratiebron toe, sloeg mea culpa en bezocht de Kolhapuri. ‘Een delegatie van Prada reisde naar Maharashtra om lokale ambachtslieden te ontmoeten’, ertelt Krishnan. ‘Maar of hun engagement verder gaat dan marketing, daar hebben we nu nog het raden naar.’ Ze spreekt zelf van culturele toe-eigening: ‘Het komt erop neer dat bedrijven andermans identiteit overnemen, door ze te gebruiken in hun eigen producten. Als je iets op de markt brengt zonder erkenning voor de bedenker ervan, doe je aan toe-eigening. Bedrijven zouden beter samenwerken met inheemse gemeenschappen en een deel van hun winst afstaan. Een ontwerp erkennen is de eerste, minimale stap.’
Dat heeft Prada aanvankelijk niet gedaan. Toch geeft Krishnan het luxemerk het voordeel van de twijfel. ‘De toeleveringsketen voor textiel is lang, er komen veel tussenhandelaars bij kijken. Misschien wisten ze het echt niet?’ Raf Simons en Prada wensten niet te reageren.

De leren slipper van Prada en de inspiratiebron daarvoor, de Kolhapurislipper uit India.
© Alessandro Garofalo via Reuters / David Willems
Geven en nemen
Het probleem ligt niet alleen bij Prada, vindt Krishnan, maar bij álle bedrijven die eerder een commercieel model van de Kolhapurislipper op de markt brachten. Of ze voegen gouden of zilveren details toe, daar houden veel Indiërs van. ‘Het ontwerp is nochtans bedoeld voor boeren, niet voor binnenshuis.’
De Kolhapurislipper is niet het enige inheemse ontwerp dat kledingbedrijven inspireert. In augustus ging Adidas door het stof met zijn ‘Oaxacasneaker’, een idee van de Mexicaans-Amerikaanse ontwerper Willy Chavarria in samenwerking met het sportmerk. Chavarria verwees wél naar de huarache bij de inhuldiging van de gevlochten sneaker, die bijzonder veel weg heeft van het oorspronkelijke inheemse ontwerp. Dat temperde de kritiek niet. De Mexicaanse presidente Claudia Sheinbaum legde de vinger op de wonde: ‘Grote bedrijven nemen vaak producten, ideeën en ontwerpen over van inheemse gemeenschappen.’
Steeds meer ngo’s zetten zich in om culturele toeeigening de wereld uit te helpen. Een daarvan is de Future Footwear Foundation, met als opzet om inheemse ontwerpen, zoals de Kolhapurislipper, te beschermen en ervan te leren. Die stichting is opgericht door designantropologe Catherine Willems, verbonden aan het KASK & Conservatorium (HOGENT-Howest) in Gent. Willems werkt al jarenlang samen met schoenmakergemeenschappen over de hele wereld, waaronder de Kolhapuri en dus ook met Krishnan.
Alle schoenen die Willems bestudeert, zijn ‘minimale schoenen’: de zolen zijn zodanig dun dat ze ons amper ondersteunen. Dat blijkt geen nadeel maar juist een voordeel te zijn, want het helpt de voetspieren beter te ontwikkelen. Ook de Kolhapurislipper heeft die. ‘De zoolis dun, maar zo stevig dat je er iemand mee kan slaan’, zegt Krishnan. ‘De Kolhapurislipper is gebaseerd op de dorre ondergrond in de regio en op maat van brede voeten’, legt Krishnan uit. De kopies waar Krishnan naar verwijst, zijn gemaakt van andere materialen, voor smallere voeten.
De Indiase regering onderneemt een poging om de originele slipper te beschermen. Alleen in een beperkt aantal dorpen in het zuiden van Maharashtra en het noorden van Karnataka mag de slipper nog gemaakt worden. Werkt dat? ‘Duidelijk niet’, verwijst Krishnan naar het slippertje van Prada. ‘Vergelijk de sandaal gerust met een fles champagne. Heel wat bedrijven uit andere regio’s brengen wijn met bubbels op de markt. Zolang ze het niet champagne noemen, is dat hun goed recht.’
De Future Footwear Foundation wil inheemse schoenontwerpen beter beschermen. Samen met enkele gemeenschappen werkt het daarvoor aan een online platform. Via een applicatie zullen de ontwerpen van de gemeenschappen opgeslagen worden. Merken die geïnspireerd raken door een bepaalde schoen, kunnen toestemming vragen om het archief in te kijken. Maar dan moeten ze wel vanaf het begin hun intenties duidelijk maken. Ze moeten openstaan voor een samenwerking en er moet een eerlijke compensatie zijn, zoals het terugvloeien van een deel van het geld naar de oorspronkelijke bedenkers. ‘Waaruit die compensatie precies bestaat, is een deel van de onderhandeling’, zegt Willems.
De data die Future Footwear Foundation verzamelt, beschermt inheemse groepen op meerdere manieren. ‘Als we weten waar de schoenmakers zich bevinden, kunnen we hun landrechten vrijwaren’, meent Willems. “Mapping is een vorm van legal empowerment, een juridische slag onder de arm om aan te tonen dat de gemeenschap wel degelijk al jarenlang op dat grondgebied woont.’
Ook Krishnan dacht na over een bijkomend voordeel. ‘De stichting brengt inheemse gemeenschappen rechtstreeks in contact met de bedrijven die door hen geïnspireerd raken. In toeleveringsketens blijft doorgaans bij elke tussenhandelaar een deel van de winst plakken. Daarom zijn schoenmakers zo slecht betaald: tegen de tijd dat zij eraan beginnen, blijft er amper geld over. Het platform heeft naast beschermen nog een duidelijk doel: cut out the middle men.’
Willems is actief op meerdere continenten. In Namibië staat ze in contact met Festus Soroab, het departementshoofd onderwijs van de San-scholen in het noordoosten van het Afrikaanse land. ‘Samenwerkingen? Daar staan we zeker voor open’, vertelt hij. Samen met Willems en haar collega Anca Ușurelu schreef Soroab een boek, Tju/ho: Thoughtful Ways of Making and Walking. Het resultaat verschijnt in twee talen, het Engels en het Ju/’hoan, een van de zes San-talen, en werd plechtig voorgesteld in de British Library. ’s Anderendaags spreken we het trio via videoverbinding.
‘De sandaal die onze voorouders bedacht hebben voor de jacht, mag gerust met anderen gedeeld worden’, benadrukt Soroab, die als leraar veel contact heeft met lokale schoenmakers. ‘De San geloven niet dat je land kan bezitten. Zo kon de kolonisator veel ruimte innemen. Een deel van het territorium van hun voorouders ligt nu in een safaripark. De mensen worden eruitgeduwd, de dieren mogen blijven’, voegt Willems daar later aan toe. Op een vraag over culturele toe-eigening reageert Soroab onwennig. ‘Delen vinden we écht belangrijk. Maar het is altijd goed om er iets voor terug te krijgen.’

Drie San-zussen in Nhoma, Namibië, passen een 3D-geprint prototype van een traditionele sandaal die ontworpen werd voor de jacht.
© Chadia Guerti
Gevaarlijk precedent
De Roemeense advocate Monica Boţa Moisin is een groot voorvechtster van zo’n teruggave aan inheemse gemeenschappen. Zij ontwikkelde haar eigen platform al in 2018: het Cultural Intellectual Property Rights Initiative®, kortweg CIPRI, dat niet enkel schoenen maar ook andere ontwerpen in bescherming neemt. Boţa Moisin werkte mee aan de Oma Traditional Textile Design Database©, een auteursrechtelijk beschermde collectie van textiel, motieven en technieken.
In 2019 liep immers ook het Italiaanse modebedrijf Max Mara tegen de lamp, nadat het traditionele stoffen van de Laotiaanse Omagemeenschap zonder toestemming of vergoeding gekopieerd had. Het ging om digitale prints van traditionele weefsels die de Oma gebruiken tijdens begrafenisrituelen en die alleen op het hoofd mogen worden gedragen. Max Mara bracht het patroon aan onder aan de kledingstukken, vlak bij de voeten, wat het extra oneerbiedig maakte.
‘Doe je huiswerk voor je een ontwerp produceert. Pinterest is níét de bron. Dat zijn wij!’Advocate Monica Bota Moisin
Het databestand is in handen van de Omagemeenschap zelf, de ‘hoeders’ (in het Engels: custodians) van hun ambacht. De ontwerpen zijn niet publiekelijk toegankelijk: merken die interesse hebben om samen te werken, moeten daar toestemming voor vragen. De toekomstige app van Future Footwear Foundation past hetzelfde principe toe. ‘Al zijn schoenen minder gevoelig dan kleren,’ ondervindt Willems, ‘omdat je ze vooral gebruikt om praktische redenen.’
‘Ambachten zoals schoenen maken zijn immaterieel erfgoed, daar bestaan geen wetten voor’, zet Boţa Moisin uiteen. ‘Alleen Unesco vermeldt het, sinds 2003, maar de organisatie biedt geen gerechtelijk kader.’ Een probleem waar gemeenschappen tegen aanlopen, is dat intellectueel eigendomsrecht individueel is. Vakmanschap is daarentegen collectief en intergenerationeel. ‘Daarom kunnen gemeenschappen geen aanspraak maken op auteursrecht, terwijl zij wel degelijk de eigenaar zijn van hun kennis en kunde’, aldus de Roemeense advocate.
Ze verwijst naar de traditionele klederdracht van haar eigen gemeenschap, de Țara Beiușului in Roemenië. ‘Het textiel bestaat uit motieven die we geërfd hebben van onze voorouders. Dit vakmanschap heeft mijn familie generatieslang in leven gehouden. Dat men hier zonder toestemming financieel gewin uit wil halen, is hallucinant. Bedrijven moeten hun bronnen leren aantonen en erkennen. Ze kunnen niet zomaar zeggen dat ze een moodboard opgesteld hebben en daarvoor inspiratie zochten op Pinterest. Doe je huiswerk voor je een ontwerp produceert. Pinterest is níét de bron. Dat zijn wij!’ Boţa Moisin vindt het een gevaarlijk precedent dat bedrijven andermans identiteit commercialiseren. ‘Ze gaan uit van het principe dat ze alles mogen nemen wat ze willen. Dat moet veranderen.’
Toch wijst de Belgische advocaat Michaël De Vroey, specialist intellectueel eigendomsrecht, erop dat bedrijven in theorie auteursrecht kunnen proberen te claimen op een bestaand ontwerp dat ze zichzelf hebben toegeëigend. Wettelijk gezien kunnen bedrijven dat niet maken, reageert Boţa Moisin. ‘IP-bescherming (intellectual property of intellectuele eigendom, red.) kan je alleen inroepen in het geval van een nieuw ontwerp. De Kolhapurislipper bestaat al honderden jaren.’
Mocht er een concrete samenwerking met Prada in de pijplijn zitten, dan zou die ‘vermoedelijk niet eerlijk verlopen’, waarschuwt Boţa Moisin. ‘De machtsverhoudingen tussen een inheemse gemeenschap en een westers bedrijf zijn niet in balans. Inheemse mensen zijn kwetsbaar. Daarom willen ze bijleren over rechtspraak. Steeds meer gemeenschappen organiseren zich. Maar in de praktijk kloppen bij CIPRI vooral gemeenschappen aan die al ervaringen hebben met kopies.’
Eén jaar per paar
Het minimale schoeisel dat de Sámi in het hoge noorden van Scandinavië gebruiken om rendieren te hoeden, nuvttohat, is nog niet gestolen. ‘Toch voor zover ik weet’, zegt Virpi Jääskö, een schoenontwerper uit Finland, die eerder Willems vergezelde als gastdocent aan KASK. Vandaag belt ze vanuit haar dorp, Inari, waar het net geregend heeft. ‘In deze weersomstandigheden draag ik geen traditionele laarzen maar sneakers’, geeft ze toe.
Toch wil Jääskö zeker deel uitmaken van het nieuwe platform van Future Footwear Foundation. ‘Wat wij maken, is puur erfgoed. Hoewel niet alle Sámi het met me eens zijn, zou ik het persoonlijk geweldig vinden mocht een ethisch bedrijf interesse tonen in onze laarzen.’

Een traditionele en een eigen, moderne interptretatie van de traditionele schoen van de Sámi.
© Virpi Jaasko / David Willems
Zelf gebruikt Jääskö rubber voor de zolen in plaats van rendierbont. Dat past beter bij het moderne leven. ‘De traditionele nuvttohat bestaat volledig uit rendierbont, ook de zolen. Die dragen we enkel buiten in putje winter. De sneeuw moet kurkdroog zijn. Als je naar kantoor moet of met de auto de baan op gaat en de verwarming aanzet, dan kan je ze niet gebruiken. De zool mag niet te nat of te warm worden. Snel laten drogen tegen de radiator is geen oplossing: dat maakt de schoenen kapot.’
De Sámi gebruiken elk deel van het rendier. Voor de schoenen blijkt vooral het haar op de poten belangrijk. ‘Het materiaal heeft het ontwerp bepaald, niet omgekeerd. In totaal duurt het meer dan een jaar om de laarzen te maken. We slachten rendieren in de herfst. We onthuiden de poten, zouten de vacht en laten ze de hele winter lang drogen. Pas de volgende herfst komen we toe aan het looiproces, en dan moet je de schoen nog maken.’
Stel je voor dat een bedrijf in een handomdraai een kopie maakt, van minderwaardige materialen? Daar wil Jääskö niet aan denken. ‘Ethische bedrijven zijn welkom. Maar merken als Temu? Die moeten niet bij ons aankloppen.’
‘Sociale media maken het makkelijker voor dat soort bedrijven om ontwerpen te zoeken om te kopiëren’, meent Krishnan. ‘Maar wij zitten ook op Instagram en WhatsApp. Op onze beurt houden wij ook hen in de gaten.’
Deze analyse werd geschreven voor MO*158, het winternummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.
Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox
Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld.

