Migratiemanagementsmallemolen

Tachtig jaar vluchtelingen in Europa: is er eigenlijk iets veranderd?

© Reuters / Yannis Behrakis

 

Eind februari verscheen het boek Niemand wil ze hebben van de Nederlandse journaliste Linda Polman.
Haar verhaal over het Europese “vluchtelingenmanagement” begint, onverwacht misschien, in de zomer van 1938 in het statige Franse kuuroord Evian, bij de eerste internationale top over de vluchtelingencrisis in Europa.

Het aantal Joden dat uit nazi-Duitsland probeerde te ontkomen was in 1938 enorm gestegen: er waren dringend opvangplaatsen nodig. Alle argumenten van West-Europese regeringen om de vluchtelingen níét binnen te laten waren dezelfde als nu: de “migranten” zouden niet stroken met nationale normen en waarden, banen en huizen willen afpakken en de cohesie in de samenleving bedreigen. Het enige wat de conferentie opleverde was de hoon van het Hitlerdom: ‘Niemand wil ze hebben’, kopte een Duitse krant triomfantelijk.

Via de naoorlogse kampen in West-Europa voor vluchtelingen van achter het IJzeren Gordijn, de “veilige enclaves” op de Balkan en de megavluchtelingenkampen op het Afrikaanse continent, waar Europa zijn “inkapselingsbeleid” implementeert, eindigt Polmans reis op het Griekse Lesbos, het epicentrum van de grootste Europese vluchtelingencrisis sinds 1938.

Wat is er terechtgekomen van de belofte ‘Nooit meer’ waarop het VN-vluchtelingenverdrag in 1951 was gebaseerd? Tachtig jaar Europees vluchtelingenbeleid en nog steeds wil niemand ze hebben.

Europa sluit akkoorden

In 1992 tekenden de (op dat moment twaalf) EEG-lidstaten het Verdrag van Maastricht om van de Europese Economische Gemeenschap de Europese Unie te maken. De bestaande, voornamelijk economische afspraken moesten uitgebreid worden met verdragen over een gezamenlijk Europees buitenland- en veiligheidsbeleid, want interne grenzen zouden verdwijnen. Waarop Europese leiders, bevreesd voor een ongehinderde instroom van ongewenste elementen, eisten dat de buitengrenzen van de EU werden dichtgemetseld en er daaromheen een bufferzone zou komen. Akkoorden met landen in en om die zone moesten ertoe leiden dat visumlozen dáár werden tegengehouden.

Met die overeenkomsten zit het zo: landen die Europa helpen migranten en vluchtelingen op afstand te houden worden beloond met (meer) ontwikkelingshulp, militaire samenwerking, investeringen, handel en expertise. Landen die niet aan een migratieroute naar Europa liggen hebben geografische pech: de meeste Europese hulpfondsen gaan tegenwoordig aan ze voorbij.

De Ethiopische regering veroorzaakt jaar in jaar uit tienduizenden vluchtelingen, maar voor Europa is het van groter belang dat Ethiopië in Afrika de op een na grootste bedwinger van vluchtelingenstromen is.

“Migratiemanagement” noemt Europa dit beleid. Er zijn inmiddels zoveel overeenkomsten van kracht, bilateraal en vanuit Brussel, dat niemand meer precies weet wie afspraken maakte met wie, waarover precies, of de legaliteit ervan wordt gecontroleerd en wie dat dan doet.

Antimigratieakkoorden werden lang voor de geboorte van de EU al gesloten, ook met militaire dictaturen. Zo’n “eerstegeneratieakkoord” bestaat al sinds de jaren tachtig met Ethiopië. Door militair geweld, onderdrukking van bevolkingsgroepen en opzettelijk gecreëerde hongersnoden veroorzaakt de Ethiopische regering jaar in jaar uit tienduizenden vluchtelingen (in 2016 in totaal zo’n 37.000), maar voor Europa is het van groter belang dat Ethiopië in Afrika de op een na grootste bedwinger van vluchtelingenstromen is: in 2017 bivakkeerden meer dan 800.000 vluchtelingen in circa 26, grotendeels door Europa via de UNHCR gefinancierde kampen. (Alleen Oeganda heeft er meer.)

In ruil voor het “inkapselen” van al die mensen krijgt Ethiopië bovenop de gebruikelijke drie tot vier miljard dollar internationale ontwikkelingshulp jaarlijks circa 100 miljoen euro via het EU Emergency Trust Fund, een fonds voor de bestrijding van migratie. Daarbovenop ontvangt Ethiopië nog een bonus: de EU onthoudt zich van kritiek op oorlogsmisdaden en schendingen van mensenrechten.

© Reuters / Alkis Konstantinidis

 

Orgie

Decennialang sponnen de Europese landen een steeds fijnmaziger web van Afrikaanse bondgenoten in Europa’s “Oorlog tegen migratie”. In 1995, de EU bestond krap anderhalf jaar, kwamen er via de Barcelona-verklaring de eerste migratieafspraken met Algerije, Marokko en Tunesië. In 1998 maakte de EU van grenscontroles en deportaties zijn absolute prioriteit en breidde Brussel de overeenkomst uit naar alle landen aan de Afrikaanse kust van de Middellandse Zee via de EMAA (European Mediterranean Association Agreements).

Daarna volgde een ware orgie van akkoorden, gaande van de European Neighbourhood Policy (ENP) in 2003, een antimigratiesamenwerking met zestien zuidelijker gelegen Afrikaanse landen, en AENEAS (2004), een ontwikkelingsprogramma dat de oorzaken van migratie moest aanpakken, over onder meer het Rabat Process, een “dialoog” tussen de EU en 55 landen langs de westelijke migratieroute (2006), tot het Valetta Action Plan, een uitbreiding van de ENP met 23 Afrikaanse landen, en het Emergency Trust Fund, beide in 2015, in 2016 het European Investment Plan for Africa en in 2017 het Africa-EU Partnership, dat de “samenwerking in grensmanagement” versnelde.

EU-lidstaten sluiten zelfs akkoorden met zichzelf en keren een deel van hun ontwikkelingshulp aan zichzelf uit.

Ook kwamen er meer en meer bilaterale akkoorden voor de bouw van “humanitaire opvangfaciliteiten” voor vluchtelingen, werkverschaffingsprojecten en landbouwontwikkelingsprogramma’s voor gedeporteerde migranten en opleidingen voor grensbewakers. Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje helpen Tsjaad en Niger bij hun grensbewaking, Britse militairen patrouilleren langs grenzen in Tunesië en Italië en Libië patrouilleren samen op zee. In sommige landen draaien soms een paar honderd grote en kleine projecten tegelijkertijd.

EU-lidstaten sluiten zelfs overeenkomsten met zichzelf: ter compensatie van de opvang van asielzoekers in eigen land keerden landen als Nederland, Zweden en Italië 25 tot 30 procent van hun ontwikkelingshulpbudget, eigenlijk bedoeld voor arme landen, aan zichzelf uit.

‘Realistisch’

Europa maakt de bereidheid van “partnerlanden” om in Europa ongewenste migranten en vluchtelingen terug te nemen steevast tot onderdeel van de akkoorden. Daarvoor moeten die partners wel bekendstaan als veilig voor die mensen, anders zijn deportaties in het internationale vluchtelingenrecht verboden.

In maart 2016 beloofde Turkije de EU om in ruil voor drie miljard euro groepen vluchtelingen vanuit Griekenland terug te nemen. Mensenrechtenverenigingen protesteerden: Turkije zou onveilig zijn. Om het tegendeel te demonstreren wandelden Angela Merkel, Frans Timmermans (EU-vicevoorzitter) en Donald Tusk op 22 april 2016 wuivend en handenschuddend door het opvangkamp Nizip bij de Turks-Syrische grens. ‘Turkije is nu het beste voorbeeld voor de hele wereld voor hoe we met vluchtelingen moeten omgaan. Niemand heeft het recht Turkije de les te lezen’, sprak Tusk tegen meegereisde journalisten.

De Syrian Observatory for Human Rights documenteerde in één jaar 176 Syrische burgers, onder wie 31 kinderen, die bij de muur waren doodgeschoten door automatische machinegeweren.

Maar Turkije legde op dat moment de laatste hand aan een drie meter hoge betonnen muur op de Turkse grens, over een lengte van een paar honderd kilometer. Als sensoren beweging ontdekken, gaan machinegeweren uit zichzelf schieten. De Syrian Observatory for Human Rights documenteerde in één jaar 176 Syrische burgers, onder wie 31 kinderen, die bij de muur waren doodgeschoten.

Die zelfde maand, april 2016, vergaderde de Europese Raad van ministers over een akkoord met Soedan en Eritrea, twee van Afrika’s gewelddadigste dictaturen. De Raad beaamde kritiek dat de miljoenen euro’s die beide landen voor antimigratiebeleid zouden ontvangen ‘misbruikt kunnen worden voor repressieve doeleinden’.

Maar het was nu eenmaal tijd voor een ‘realistisch buitenlandbeleid’, legde de minister van Buitenlandse Zaken van toenmalig EU-voorzitter Nederland, Halbe Zijlstra, uit. Dictators die zich aan de randen van Europa bevinden moeten we niet meer met geheven vinger tegemoet treden, vond Zijlstra. ‘In plaats van dat je zegt: u handelt niet volgens onze standaard, dus we vinden u slecht, moet je toch veel meer de coöperatie zoeken met het regime, omdat het in ons veiligheidsbelang is.’

Soedanezen waren de vijfde, zesde en zevende grootste groep vluchtelingen die in respectievelijk 2015, 2016 en 2017 de EU in kwamen. In de eerste helft van 2016, toen de Raad vergaderde, telde de UNHCR al ten minste 138.000 vluchtelingen. Behalve dat Soedan vluchtelingen produceert, is het ook een doorgangsland voor jaarlijks tienduizenden Eritrese en Ethiopische vluchtelingen. Van de EU ontving Soedan 200 miljoen euro om zijn grensbewaking te verbeteren.

Er zijn aanwijzingen dat Soedan, ondanks EU-steun voor antimigratiebeleid, juist samenwerkt met smokkelnetwerken.

Internationale waarnemers, waaronder het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, betwijfelen of het Soedan menens is met zijn antimigratiebeleid en of het de Europese fondsen volgens afspraak gaat besteden: er zijn aanwijzingen dat het Soedanese regime juist samenwerkt met smokkelnetwerken.

Bij Libië als veilig land om vluchtelingen en migranten aan land te zetten zet de hele wereld behalve Europa vraagtekens. In februari 2011 brak de opstand tegen Khadaffi uit. Op 5 maart trad een nieuwe, zelfbenoemde Libische regering aan, de Transitional National Council (TNC). Het duurde niet lang voor Brussel de dialoog met de TNC opende, en trouwens met elke gewapende militie die bereid was om vluchtelingen op weg naar Europa te onderscheppen en op te sluiten.

Een onbekend aantal “detentiecentra” werd uit de Libische grond gestampt: de EU financierde er al snel 29. Zowel de VN-mensenrechtencommissie als de Europese Commissie stuurden afgezanten om er een paar te bekijken. ‘Duizenden uitgemergelde en getraumatiseerde vrouwen, kinderen en mannen op elkaar gestapeld in loodsen zonder toegang tot zelfs de elementairste voorzieningen en ontdaan van hun menselijke waardigheid’, constateerden de VN- waarnemers. Er was gebrek aan álles: licht, eten, drinken, medicijnen, zelfs aan zuurstof. Een EU-afgevaardigde verklaarde dat de centra ‘het dichtst in de buurt komen van concentratiekampen van alles wat we in de 21ste eeuw hebben gezien’. Maar de akkoorden bleven overeind.

Westelijke Sahara

De betaling voor antimigratiebondgenoot Marokko intussen bestaat behalve uit ontwikkelingshulppakketten, militaire hardware en handelsvoordelen vooral uit het Europese zwijgen over de Marokkaanse bezetting van de Westelijke Sahara. Die duurt al sinds 1975, toen Spanje zijn koloniale bestuur beëindigde en Marokko het gebied met 20.000 militairen binnenmarcheerde.

Ongeveer de helft van de lokale bevolking, de Sahrawi, 165.000 mensen, vluchtte naar UNHCR-opvangkampen in de woestijn net over de grens met Algerije. Sindsdien vecht de onafhankelijkheidsbeweging Frente Polisario daarvandaan terug. In 1991 ging Marokko nog wel akkoord met het plan voor een referendum waarin de Sahrawi zouden mogen kiezen tussen onafhankelijkheid en aansluiting bij Marokko, maar meer dan honderd nooit uitgevoerde VN-Veiligheidsraadsresoluties verder is alle hoop dat het referendum ooit nog gaat plaatsvinden verdampt.

‘De Marokkanen hebben geen olie, maar ze hebben negers.’

Het stukje Westelijke Sahara dat de Sahrawi mochten houden is een smalle, kurkdroge strook zand met wat acacia’s, geiten en kamelen erop en verder niks. Voedsel en water moeten door het World Food Programme met vrachtwagens aangevoerd worden. In het driekwart dat Marokko inpikte bevinden zich uiteraard alle steden, vliegvelden, fosfaatmijnen, landbouwbedrijven en zowat de hele kust met havens en visrijke wateren.

In 2012 kwamen Marokko en de EU overeen dat Marokko groenten en fruit uit het bezette gebied naar de EU mag exporteren. Eind 2013 kwam daar een visserijovereenkomst bij. In ruil deed Marokko een poosje zijn best zoveel mogelijk migranten richting Spanje te onderscheppen, maar in december 2015 gooide het Europees Gerechtshof roet in het eten: de handel in producten uit de bezette Westelijke Sahara werd in de EU verboden. De EU ging in beroep en verloor die zaak in december 2016.

Op 6 februari 2017 verscheen de Marokkaanse minister van Landbouw op tv: juridische belemmeringen voor export vanuit de Westelijke Sahara naar de EU zullen resulteren in een voor Europa ‘gevaarlijke’ nieuwe migrantenstroom, dreigde hij. ‘Europese landen kunnen niet verwachten dat wij Afrikaanse en zelfs Marokkaanse emigranten blijven tegenhouden als Europa niet met ons wil samenwerken.’ Waarop in het zicht van Marokkaanse televisiecamera’s eerst 497 migranten ongehinderd over het grenshek bij Ceuta de EU binnenklommen, en daarna nog eens 356.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Nieuwe antimigratieakkoorden kan de EU op zijn buik schrijven, zei daarna de Marokkaanse ambassadeur bij de EU, Ahmed Réda Chami. Nu wringt de EU zich in bochten. Het vonnis van het gerechtshof ten spijt staat Brussel handel toe als de Sahrawi van de winst meeprofiteren. Europa nodigde groeperingen uit de Sahrawi-gemeenschap uit voor overleg, het Polisario uitgezonderd. Marokko houdt de druk op de ketel: het aantal migranten vanuit Marokko naar Spanje is momenteel het hoogste van de hele EU. De burgemeester van het Spaanse Algeciras klaagde al dat zijn stad aan het veranderen is in een nieuw Lampedusa.

José Palazón, een mensenrechtenactivist in Melilla, vatte de analyse van Marokko’s superieure onderhandelingspositie samen in een treffende oneliner: ‘De Marokkanen hebben geen olie, maar ze hebben negers’, zei hij in 2016 tegen de Volkskrant.

Dit artikel werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift