Een reconstructie van het testproces dat GSR (Deme) liever zoveel mogelijk stilhoudt

Belgisch bedrijf doet stiekem testen voor diepzeemijnbouw op Thorntonbank

© Fotografie Dos Winkel

 

Het Belgische bedrijf Global Sea Mineral Resources (GSR) heeft deze zomer twee testen uitgevoerd om eventueel aan diepzeemijnbouw te kunnen doen. Het bleef daarover opvallend stil, ondanks dat GSR hiervoor ook met overheidsgeld werkt. MO* kon een deel van de chronologie van het testproces achterhalen.

De race naar de grondstoffen in de diepzee is volop bezig, en Belgische bedrijven lopen mee voorop. Het Belgische Global Sea Mineral Resources (GSR) koestert al een tijd plannen om de diepzeebodem te exploiteren. Het wil zogenaamde metaalnodules uit de oceaanbodem halen: knollen die mangaan bevatten maar ook andere metalen zoals nikkel, koper en kobalt.

GSR werkt verder aan zijn plan om dat doel te realiseren. In juli voerde het bedrijf twee testen uit met eigen apparatuur: één in de Atlantische Oceaan, en één in de Noordzee aan de Thorntonbank. De vergunningen voor die tweede test waren wel in orde, maar milieuorganisaties wisten van niets en spreken van een zorgwekkend precedent. Dat GSR opereert zonder alle stakeholders daarover te informeren, ligt gevoelig.

NOAA Office of Ocean Exploration and Research, 2019 Southeastern U.S. Deep-sea Exploration

De zeebodem is bedekt met metaalknollen (polymetallic nodules) op de locatie die Deep SeaVentures claimde in 1974.

De testen zijn een voorbereiding op het echte werk. GSR wil uiteindelijk aan diepzeemijnbouw gaan doen in een gebied in de Stille Oceaan, de Clarion-Clippertonzone.

Een voorloper van GSR, Deepsea Ventures, claimde dat gebied in het verleden al als privéterritorium. Maar vandaag staat het onder internationaal beheer en is het gebied publiek domein. Wie er wil werken, moet procedures en afspraken volgen.

In België bouwde de overheid bovendien een praktijk van overleg met andere actoren op, waaronder milieuorganisaties. GSR lichtte die andere spelers deze zomer niet in. Dat belooft niet veel goeds voor de toekomst, als GSR ver weg van België de bodemrijkdommen in internationale wateren zou gaan exploiteren.

Waar blijft het overleg?

Ondernemers delen publiek informatie wanneer hen dat uitkomt, anders blijven ze liefst discreet. GSR, gevestigd in Zwijndrecht, demonstreerde dat deze zomer met de bewuste testen. Het bedrijf ontwikkelt en test eigen apparatuur en voerde de twee tests uit. Het berichtte daar eind juli publiek over. ‘Dit baant de weg,’ aldus GSR, ‘naar een expeditie in de Clarion-Clippertonzone in de Stille Oceaan’.

International Seabed Authority

De Clarion-Clipperton Zone. De eilandengroep linksboven is Hawaï.

Bij een aantal milieuorganisaties vielen ze van hun stoel toen ze het nieuws over de testen hoorden. ‘Waarom werden wij niet verwittigd?’, vraagt An Lambrechts van Greenpeace zich af. Sinds 2018 was er verschillende keren overleg over diepzeemijnbouw met verschillende spelers: GSR, overheidsdiensten, onderzoekers en milieuorganisaties. ‘Deze informatie had perfect gedeeld kunnen worden via de mailinglist van de stakeholders, zegt An Lambrechts. Dat gebeurde dus niet.

Lambrechts zegt dat er ‘er een rem lijkt te staan op het delen van informatie, telkens wanneer het over de tests van DEME gaat’. DEME is de Belgische baggerfirma die eigenaar is van GSR.

GSR had nóg een mooie gelegenheid om de testen van juli aan te kondigen. Op 24 juni was er in het federale parlement een digitale, publieke hoorzitting over diepzeemijnbouw, met GSR als één van de spilfiguren. Maar ook toen liet GSR het brede publiek in het ongewisse over de testplannen.

Ook na de testen bleef GSR zuinig met informatie. ‘Alles staat in het persbericht’, antwoordde Kris Van Nijen, managing director van GSR, op onze vraag naar details.

Dat persbericht vermeldt wat GSR precies testte in de Noordzee: er zijn proeven uitgevoerd met de wendbaarheid van de collector, de machine die op grote diepte vanop de oceaanbodem de metaalknollen (nodules) zal oprapen. Bij de test in de Atlantische Oceaan werd de ‘umbilical’ aan een proef onderworpen; dat is een streng van leidingen en kabels waarmee de collector bestuurd wordt van op een oppervlakteschip. ‘Missie geslaagd’, besloot GSR in het persbericht.

Reconstructie van het testproces

In het bewuste persbericht stond veel ook niét vermeld. Niet waar en wanneer precies de testen plaatsvonden, niet of er vergunningen aangevraagd waren en niet of het publiek grondig geïnformeerd zou worden.

Dat zijn nochtans geen futiliteiten. GSR werkt ook met overheidsgeld, publiek geld, en het publiek heeft het recht om te weten wat er met dat geld gebeurt.

Bovendien is mijnbouw in de diepzee een bijzonder gevoelig dossier. Want wie in de diepzee woelt, haalt onherroepelijk dat fragiele milieu en de hele Oceaan overhoop. Dat daar geheimzinnigheid over hangt, voorspelt mogelijk weinig goeds.

MO* kon toch een deel van de chronologie van het testproces achterhalen.

Midden mei kondigde GSR in een persbericht een nieuwe proef aan met de umbilical en met de lier waarmee die streng vanop het schip wordt neergelaten in zee. Data werden daarbij niet vermeld, enkel dat ‘meer informatie volgt wanneer het nieuwe lanceerplan voor de Patania II bevestigd is’. (Patania II is de naam die GSR gaf aan zijn collector, daarmee verwijzend naar patania ruralis, de snel rollende rups van de parelmoermot.)

Op datzelfde moment in mei verhuurde de Noorse rederij Solstad het schip de Normand Energy aan ‘een anonieme klant’, zo staat te lezen in een perscommuniqué van Solstad over twee nieuwe contracten. Lars Peder Solstad, baas van de rederij, wil op onze vraag daarover geen informatie geven.

© NOAA

 

Het schip werd in juni opgemerkt in de Sloehaven in Vlissingen, die niet ver van de Thorntonbank in de Noordzee ligt. Baggerfirma DEME (eigenaar van GSR) heeft daar verscheidene terminals… en daar staat de Patania II-collector in een loods. Dat laatste vertelde GSR-managing director Kris Van Nijen ons tijdens een interview dit voorjaar.

Daarna deed de Normand Energy twee keer Vlissingen aan: van 21 juni tot 2 juli en van 17 juli tot 6 augustus. Spotters in Vlissingen maakten foto’s van het schip. Hun observaties stemmen overeen met data die het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) ons doorspeelde. Deze dienst bevestigt dat er testen met de Patania II voorzien waren op 10 juli en opnieuw ‘tussen 16 en 21 juli’.

Koppelen we die gegevens aan elkaar, dan kunnen we vermoeden dat de Normand Energy in Vlissingen opgetuigd is, vervolgens bij een terminal van DEME de Patania aan boord genomen heeft en daarna, eind juni én eind juli, naar de Atlantische Oceaan en de Noordzee voer.

Octrooiaanvraag 2012579 door OceanflORE BV in Kinderdijk, Nl (ingediend bij Octrooicentrum Nederland)

Schematische weergave van een onderwater mijnbouwvoertuig voor het op grote dieptes verzamelen van minerale afzettingen op de zeebodem

De test in de Noordzee gebeurde op 16 en 17 juli, op de westelijke helft van de Thorntonbank, waar zand en grind gewonnen mogen worden. De zone was voor de test afgebakend. Het KBIN en de bevoegde dienst van Leefmilieu hadden hun toestemming gegeven. Groen licht van de federale overheidsdienst Economie was niet nodig, omdat GSR aan “wetenschappelijk onderzoek” zou doen.

Het bedrijf moet de verzamelde gegevens wel rapporteren aan de bevoegde diensten, waaronder het KBIN. Dat is nu, drie maanden na de tests, nog altijd niet gebeurd.

Deze gebeurtenissen kunnen niet als een fait divers worden afgedaan. Ann Dom van de milieuorganisatie Seas At Risk noemt de recente testen van GSR ‘een zorgwekkend precedent’, dat andere ondernemingen zouden kunnen volgen.

GSR werkt immers in de internationale wateren en die staan onder beheer van de Verenigde Naties. De internationale wateren hebben een specifiek statuut: ze zijn gemeengoed van de mensheid, en private mijnbouwbedrijven mogen er niet zomaar doen wat ze willen. De regels worden afgesproken binnen de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA). Ann Dom vraagt zich af in welke mate GSR de Zeebodemautoriteit inlichtte over de testen, en waarom die ISA er ook niet meer ruchtbaarheid aan gaf.

Bovendien stelt GSR de situatie niet correct voor. Het bedrijf schrijft in zijn persbericht dat de proeven in de Stille Oceaan gemonitord worden door wetenschappers van 28 Europese instellingen, in het kader van het Europese researchproject Mining Impact. Maar de coördinator van Mining Impact benadrukt keer op keer dat zijn project niet instaat voor die onafhankelijke monitoring. Toch blijft GSR dat herhalen.

Internationale strijd om zeeterritorium

Het doel van Global Sea Mineral Resources is om zoveel mogelijk nodules weg te halen uit een gebied in de Stille Oceaan. Andere firma’s, mogelijk partners, zouden er dan de metalen uithalen en die verkopen als grondstof.

Als dat niet gebeurt, zo beweren GSR en andere zeemijnbouwers, dan zijn er te weinig metalen om een omschakeling naar hernieuwbare energie te doen slagen.

ROV team , GEOMAR (CC BY 4.0)

Een robotarm met mangaanknol

GSR heeft sinds zes jaar een concessie voor de verkenning van mijnbouwactiviteiten in de Grote Oceaan. Daar mag het voorlopig alleen aan exploratie doen, om te zien waar er nadien echte exploitatie kan gebeuren.

Dit gebied tussen Hawaï en Mexico staat bekend als de Clarion-Clippertonzone. Het behoort tot het publieke domein dat door de VN beheerd wordt, maar dat was niet een tijdlang anders. De vroegere Belgische mijnbouwgroep Union Minière (vandaag Umicore) was er in de jaren 1970 al actief.

In de jaren 1970 was er een eerste ‘goudrush’ naar wat toen nog de mangaanknollen van de diepzee in de Stille Oceaan werd genoemd. Grote olie- en mijnbouwondernemingen waren in een race verwikkeld om zich velden toe te eigenen waarvan ze deze metaalknollen zouden ophalen. Om sterker te staan vormden ze consortia met andere ondernemingen.

Deepsea Ventures, in 1974: ‘We hebben het gebied in bezit genomen (…) . Het ligt voorbij de grenzen van eender welke staat en dus in de internationale wateren.’

Union Minière stapte zo in oktober 1974 in een Amerikaans consortium onder leiding van de Amerikaanse petroleumfirma Tenneco. Een dochterbedrijf van Tenneco, Deepsea Ventures (DVI), had ervaring met exploraties en zou nieuwe apparatuur ontwikkelen. Amper een maand na de oprichting van het consortium, in november 1974, ging Deepsea Ventures al tot actie over. De privéfirma legde officieel beslag op een gebied met metaalknollen in de Stille Oceaan.

In een brief aan Henry Kissinger, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken in de VS, meldde Deepsea Ventures het volgende: ‘We hebben het gebied in bezit genomen (…) . Het ligt voorbij de grenzen van eender welke staat en dus in de internationale wateren.’

Brief van Deepsea Ventures in 1974 aan toenmalig minister van Buitenlandse Zaken in de VS, Henry Kissinger.

Een detail van de zeekaart die Deepsea Ventures in 1974 bij een brief aan Kissinger voegde, met in detail de geclaimde zone (‘deposit’) aangeduid.

Deepsea Ventures wilde de complete zeggenschap over het gebied en vroeg dat de Amerikaanse regering de zone én zijn investeringen diplomatiek zou beschermen.

De Belgische mijnbouwgroep Union Minière behoorde in de jaren 1970 tot de keur van de Belgische industrie. Het was toen een internationaal geduchte producent van koper, kobalt, zink en tin. Begin jaren 2000 schakelde het over van mijnbouw naar de productie van hightech metalen en veranderde het zijn naam naar Umicore (in 2001).

Union Minière was in de jaren 1970 eigendom van de Generale Maatschappij en bevond zich in de sfeer van de haute finance. Het zocht in die periode naar veiliger oorden om aan mijnbouw te doen. Het bedrijf had fortuin gemaakt in het koloniale Belgisch Congo, maar in het Congo van ná de onafhankelijkheid (vanaf 1960, dus) was de relatie met het regime van maarschalk Mobutu gespannen.

De groep vond die nieuwe oorden begin de jaren 1970 onder meer in de Verenigde Staten. Union Minière investeerde er in zink- en koperexploitaties, maar raakte er ook betrokken in de race naar de polymetallische nodules, als partner van Tenneco dus.

Het consortium waar Union Minière mede-oprichter van was, heette Ocean Mining Associates (OMA). De samenstelling van OMA wisselde; Tenneco stapte er al snel uit, maar Union Minière bleef en behield ook de directe link met het gebied dat Deepsea Ventures had geclaimd. Die claim stond echter ter discussie. De Verenigde Naties wilden namelijk formele afspraken over de internationale wateren.


Vanaf 1973 liepen er moeizame onderhandelingen om een VN-Conventie voor een Law of the Sea te schrijven, wetgeving voor de zeeën en oceanen.

Tijdens deze onderhandelingen botsten de rijke industriestaten frontaal met armere ontwikkelingslanden. Het rijke Westen wilde dat zijn ondernemingen (en militairen) onbelemmerd in de internationale wateren konden opereren. De ontwikkelingslanden stonden erop dat de internationale wateren als gemeengoed worden beheerd. Dat betekent dat privéondernemingen er niet zomaar de natuurlijke rijkdommen kunnen weghalen, en dat de uitbating van die rijkdommen de hele mensheid ten goede komt.

De kwestie kwam herhaaldelijk ter sprake in de top van Union Minière en van Ocean Mining Associates.

De onderhandelingen bij de VN gingen uiteindelijk voor de rijke landen de verkeerde kant op. De Verenigde Staten wachtten het einde van de VN-conferentie niet af en namen in 1980 een nationale wet aan, die regelde hoe hun ondernemingen wél de ertsen uit de diepzee konden aanspreken. Twee jaar later, in 1982, werd bij de VN het zeerechtverdrag UNCLOS aangenomen, met specifieke bepalingen over de exploitatie van de grondstoffen van de diepzee in de internationale wateren.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Belgische toekomst verzekerd

Het consortium Ocean Mining Associates (met Union Minière) wilde zekerheid voor de toekomst. Het vroeg in 1982 formeel een feitelijke concessie aan de Verenigde Staten. En de VS kenden in augustus 1984 daadwerkelijk een concessie (‘license area’) toe aan OMA.

Ook drie andere consortia die gelinkt waren aan Amerikaanse multinationals kregen zo’n concessie. De gebieden werden aangeduid als USA-1, USA-2, USA-3 (voor OMA) en USA-4. Die liggen allemaal in de huidige Clarion-Clippertonzone in de Stille Oceaan.

Wetenschappers bestempelden de USA-3-concessie van OMA toen als een van de rijkste knollenvelden van de oceaan. Daarom had Ocean Mining Associates eerst aan de VS-instanties gevraagd om de precieze coördinaten van USA-3 geheim te houden.

Maar nog in 1984 kwam OMA daarop terug. De coördinaten werden ook meegedeeld aan de Verenigde Naties, die op dat moment de nieuwe UNCLOS-zeewet in de praktijk begonnen om te zetten. Deze instantie zette de gegevens over USA-3 in 1986 in haar bulletin.

Wat opvalt is dat USA-3 bovenop de oorspronkelijke Amerikaanse claim van Deepsea Ventures ligt maar ook stukken groter is. De eerste claim was ongeveer 60.000 km2 groot, maar USA-3 heeft ineens een oppervlakte van 156.000 km2.

© IPISresearch / MO* (kaart gemaakt op verzoek van MO*/Raf Custers)

Kaart van de concessie van GSR (USA-3) in de Stille Oceaan, vergeleken met de concessie die Deepsea Ventures in de jaren 1970 claimde. USA-3 ligt bovenop de oorspronkelijke Amerikaanse claim van Deepsea Ventures, maar is stukken groter. De eerste claim was ongeveer 60.000 km2 groot, maar USA-3 heeft een oppervlakte van 156.000 km2.

Vanaf de jaren 1980 viel de rush naar de metaalknollen van de Clarion-Clippertonzone stil. De wereldeconomie was in crisis.

Rijke landen slaagden er in de jaren negentig in om de regels voor mijnbouw in de internationale wateren af te zwakken, in hun voordeel.

Omdat de prijzen van de grondstoffen laag bleven, waagden de mijnbouwondernemingen zich niet meer aan avonturen zoals met de nodules uit de diepzee. Diepzeemijnbouw zou hen teveel kosten, en wanneer zou het iets opbrengen? De vooruitzichten op rendement waren slecht en, zo meenden de experts, dat zou nog decennia zo blijven.

Maar in de jaren 1990 veranderde de politieke context. De Sovjet-Unie, die een bondgenoot van de Derde Wereld was, implodeerde. Talrijke ontwikkelingslanden gingen door een schuldencrisis. En bij de Verenigde Naties verzwakte de stem van het niet-Westerse kamp. De rijke landen in het Westen slaagden erin om de UNCLOS-regels voor de grondstoffenwinning in de internationale wateren in hun voordeel af te zwakken.

Ocean Mining Associates gaf in 1997 de licentie om in de USA-3-concessie te exploreren terug aan de VS. Maar wat er tussen 1997 en 2012 gebeurde met de concessie, moet nog opgehelderd worden.

© Fotografie Dos Winkel

 

In 2012 vroeg de voorloper van GSR, de Belgische firma G-Tec, expliciet de licentie voor het USA-3-gebied. Het vroeg dat niet aan de Amerikaanse regering, maar aan de Internationale Zeebodemautoriteit van de VN. Die kende de licentie het jaar nadien ook effectief toe aan GSR.

De vraag is: hoe en wanneer werd de Amerikaanse concessie overgeheveld naar de bevoegdheid van de ISA? Speelde Belgische mijnbouwgroep Union Minière een rol in dit verhaal, en welke rol dan precies?

Een aanwijzing is deze zin, in de aanvraag van GSR in 2012: ‘GSR, een Belgische onderneming, doet de aanvraag voor het gebied in de diepzee waar de vroegere Union Minière de Belgique, nu Umicore, actief was met een vroegere VS-licentie (USA-3) die was toegekend aan Ocean Mining Associates (OMA).’ Umicore sponsorde in 2012 nadrukkelijk de aanvraag van GSR bij de Zeebodemautoriteit. Zou Union Minière/Umicore in de blinde tussenperiode soms hebben gelobbyd, zodat USA-3 in handen van de Belgische industrie zou komen?

Die hypothese is niet uit de lucht gegrepen. De Amerikaanse firma Lockheed Martin, vooral bekend als wapenfabrikant, deed GSR dat al eens voor. Lockheed nam de concessies voor de zones USA-1 en USA-4 over van de nalatenschap van de Ocean Minerals Company (OMCO), een ander consortium waarvan Lockheed van bij het begin lid was.

Een Amerikaanse milieuorganisatie vocht dat in 2015 via het gerecht aan, specifiek omdat de concessies aan Lockheed waren toegekend zonder dat de milieu-effecten grondig waren onderzocht. Maar de concessies van Lockheed werden in 2017 toch met vijf jaar verlengd.

In deze dossiers staat het goed beheer van het publieke domein op het spel, ook al ligt dat publieke domein dan ver weg van ons bed, midden in de Stille Oceaan. Veel vragen blijven onbeantwoord, en net daarom is het nodig dat de betrokken bedrijven vasthouden aan de procedures én overleg. Anders dreigt dit gemeengoed exclusief in privéhanden te komen.

© NOAA

Een naaldvis zwemt langs de zeebodem op de locatie die Deepsea Ventures in 1974 claimde.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos. Het is onderdeel van het transmediaproject ‘Re-Pulse’ over diepzeemijnbouw van Greet Brauwers en Raf Custers.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver, journalist en onderzoeker

    Raf Custers is schrijver, historicus en journalist en publiceerde onder andere Grondstoffenjagers (2013) en De uitverkoop van Zuid-Amerika (2016).