Van Craen: ‘Toon de belegger dat hij met zijn geld de wereld kan veranderen!’

Analyse

Doet het nieuwe duurzaamheidslabel van de financiële sector genoeg voor het klimaat?

Van Craen: ‘Toon de belegger dat hij met zijn geld de wereld kan veranderen!’

Van Craen: ‘Toon de belegger dat hij met zijn geld de wereld kan veranderen!’
Van Craen: ‘Toon de belegger dat hij met zijn geld de wereld kan veranderen!’

Hoe leg je uit dat een energiebedrijf dat al zijn inkomen uit fossiele brandstoffen haalt anno 2019 nog het gloednieuwe duurzaamheidslabel van de Belgische banksector krijgt? We spraken met iemand die het kan uitleggen en met iemand die dat niet uit te leggen vindt.

© Richard Law (CC BY-SA 2.0)

De Haverigg Windfarm, een Joint venture van Triodos Renewables en The Wind Company in het noordoosten van Engeland

© Richard Law (CC BY-SA 2.0)

Plannen kan je zoiets niet. Maar toen Febelfin, de Belgische federatie van de financiële sector, haar nieuwe duurzaamheidslabel bekend maakte, net op de dag van de vierde scholierenmars voor een krachtiger klimaatbeleid, wekte dat de indruk dat de sector inspeelde op de noden van deze tijd. Dat label wil immers spaarders en beleggers de zekerheid bieden dat hun geld belegd wordt in activiteiten die beantwoorden aan bepaalde sociale en ecologische normen, en helpen in de strijd tegen klimaatverandering.

Triodos Bank liet evenwel meteen weten dat het label tekort schiet omdat het olie en gas, en zelfs steenkool niet uitsluit. De kritiek wekte enige wrevel bij anderen in de sector omdat Triodos Bank betrokken was geweest bij de onderhandelingen over het label.

‘Dat klopt,’ zegt Thomas Van Craen, directeur van Triodos Bank in België. ‘En we hebben tijdens die onderhandelingen meteen aanvaard dat onze minimumnormen niet de norm van de sector zouden kunnen worden. En dat onder meer kernenergie niet zou worden uitgesloten. Maar er zijn ook grenzen. De hele sector was het eens over de doelstelling dat onze economie koolstofneutraal moet zijn tegen 2050. We zijn het evenwel niet eens over hoe snel je daartoe de nodige stappen moet zetten.’

© Marco Mertens

Thomas Van Craen, CEO van Triodos bank België

© Marco Mertens

‘Men verwijt ons, en de hele divestment beweging naïviteit, een gebrek aan realiteitszin. “Je kan de mensen morgen toch niet doen stoppen om met hun auto te rijden”, horen we dan alsof je van de ene dag op de andere alle fossiele brandstoffen uit de economie zou halen. Wat natuurlijk totaal niet het geval is. Maar dat de toekomst fossielvrij is, moet je tonen met dit label. Maar je moet beseffen dat de duurzame beleggingen maar gaan over vijf tot tien procent van alle beleggingen. Je hebt dus nog negentig procent om te investeren in fossiele brandstoffen. Welke boodschap geef je aan de burger die met zijn geld iets wil veranderen, als je niet kiest voor hernieuwbare energie in de afdeling duurzame beleggingen. Je moet de burgers een duidelijke richting geven, en de veranderkracht van geld erkennen.’

Het label = Operatie schoonmaak

In de afgelopen jaren is het geïnvesteerde volume in duurzame beleggingsproducten in ons land verdrievoudigd tot 24 miljard euro. Het marktaandeel is zo bijna verdubbeld maar bedraagt nog altijd maar twaalf procent. Er bestaat daarenboven geen duidelijke definitie van wat wel of niet duurzaam is, stelt Fairfin, dat al decennia de financiële sector kritisch onderzoekt. ‘De financiële instellingen bieden een brede waaier aan beleggingsproducten met verschillende ambitieniveaus, waarvan een deel zich veel groener en socialer voordoet dan ze in werkelijkheid zijn.’

Volgens Febelfin zouden zo’n 150 van de momenteel 346 als duurzaam gepromote fondsen aan de nieuwe norm voldoen.

Daarin moet het nieuwe duurzaamheidslabel dat tabak, wapenhandel of steenkool zegt uit te sluiten (zij het niet helemaal), verandering brengen. Volgens Febelfin zelf, zouden zo’n 150 van de momenteel 346 als duurzaam gepromote fondsen aan de nieuwe norm voldoen. Dat betekent dat de ergste greenwashing uit de wereld zal worden geholpen door de sector zelf, maar volgens Fairfin zullen er nog heel wat bedrijven met twijfelachtige credentials onder het label vallen. Er zijn immers allerlei uitzonderingen voorzien. Ondanks een schijnbare uitsluiting, mogen duurzame fondsen volgens het nieuwe label bedrijven opnemen die tot tien procent van hun inkomsten halen uit tabak of wapens (inclusief kernwapens). ‘Dit betekent’, aldus Fairfin, ‘dat een bedrijf zoals Safran in een fonds met het Belgische duurzaamheidslabel kan opgenomen worden, terwijl het een van de twintig grootste kernwapenproducenten van de wereld is.’

‘De tanker is aan het keren’

Luc Van Liedekerke, professor economie aan Universiteit Antwerpen, die al een half leven nadenkt over ethiek en economie, begrijpt de kritiek van Triodos maar wijst ook op een andere kant. Hij was samen met een aantal andere stakeholders betrokken bij een externe adviesgroep die mee nadacht over het duurzaamheidslabel. ‘Over negentig procent van het duurzaamheidslabel was er geen discussie, maar rond de klimaatproblematiek, en de energiesector in het bijzonder, was het moeilijker om consensus te vinden. Bij een aantal grote financiële spelers leefde het gevoel dat ze geen toegang meer zouden hebben tot de grote internationale duurzaamheidsfondsen als het Belgische label te streng is. Dat zou dan tot gevolg hebben gehad, dat ze wellicht niet zouden mee doen met het label.’

Van Liedekerke: ‘De tanker is aan het keren. Als je de grote spelers mee hebt, gaat het immers niet om miljoenen maar om miljarden.’

© Febelfin

Luc Van Liedekerke, professor economie aan de Universiteit Antwerpen en KULeuven

© Febelfin

Van Liedekerke wijst erop dat bij elk duurzaamheidslabel een evenwicht moet worden gezocht tussen de strengheid van de na te leven criteria en het bereik, de mate waarin je de actoren van de sectoren weet te betrekken. ‘Die twee dingen moeten kloppen. Mijn aanvoelen is dat dit hier het geval is. Ik heb het natuurlijk niet onderzocht maar ik denk dat we in vergelijking met veel andere landen goed scoren. We zullen een groot bereik hebben. Ik stel vast dat het nu al werkt. Er wordt al gewerkt aan tweehonderd producten die zullen voldoen aan het label. Ook grote spelers zoals Amundi, dat 1.700 miljard dollar beheert, of Blackrock, ’s werelds grootste fonds 6.500 miljard dollar, zullen mee doen. Je zorgt dus al voor verandering. De tanker is aan het keren. Als je de grote spelers mee hebt, gaat het immers niet om miljoenen maar om miljarden.’

Van Liedekerke vindt het label goed als een eerste stap. ‘De grote vraag is: hoe dynamisch wordt dat ding? Dit is niet het ultieme label, het is een ondergrens, een verzekeringspolis voor de burger dat hij niet bedrogen wordt. Je kan die grens stap voor stap optrekken. De nieuwste generatie van indexen voor maatschappelijk verantwoord investeren werken niet meer louter met bepaalde sectoren die worden uitgesloten, maar werken in de richting van de transitie naar een meer duurzame economie. Het stap voor stap verstrengen van het duurzaamheidslabel zou in die richting gaan.’

De sector kan meer verantwoordelijkheid nemen

Van Craen ontkent niet dat het duurzaamheidslabel een stap vooruit is. ‘Die stap is alleen niet groot genoeg. De maatschappelijke kost van het uitstellen van sterke actie wordt niet in rekening gebracht. Daarom zeg ik dat de sector onvoldoende zijn verantwoordelijkheid opneemt tegenover de klimaatverandering.’

Van Craen vraagt zich af hoe je aan de consument kan uitleggen dat een energiebedrijf dat zestig procent van zijn inkomsten uit olie haalt en veertig procent uit aardgas, kan opgenomen worden in een fonds dat het duurzaamheidslabel krijgt. Dat is immers mogelijk omdat het label eist dat energiebedrijven minstens veertig procent van hun inkomens uit hernieuwbare energie én aardgas moeten halen. De overige zestig procent kan dus van olie komen.

Van Craen: ‘Eigenlijk is het nog erger: voor vijf procent van het fonds gelden zelfs die normen niet, en mogen energiebedrijven worden opgenomen die meer dan tien procent van hun inkomen uit kolencentrales halen. We hebben het daarbij dan enkel over de tien procent van de beleggingen die we het label duurzaam zouden geven, terwijl de overige negentig procent van de beleggingsproducten nog geheel en al voor het fossiele kunnen gaan.’

Van Craen: ‘Je kan vanuit ons land een signaal geven aan die internationale duurzaamheidsfondsen dat ze te weinig doen.’

Van Craen vindt dat de financiële sector zelf meer verantwoordelijkheid moet opnemen en een motor van verandering kan zijn. ‘De sector neemt immers als financier een cruciale positie in. Wij bepalen immers het aanbod en wat je in een financieel product steekt of niet. Op die manier stuur je waar het geld van onze klanten wordt in geïnvesteerd.’

Dat betekent voor hem dat België niet teveel moet wachten op het buitenland maar zelf een koploper moet zijn. ‘Je kan vanuit ons land een signaal geven aan die internationale duurzaamheidsfondsen dat ze te weinig doen.’ Van Craen is er bovendien van overtuigd dat er voldoende volume aan echt duurzame projecten is om een groot volume aan financiering te absorberen.

Van Craen wijst erop dat Triodos de hele financiële sector transparant en duurzaam wil zien worden. ‘Let wel: er is al een hele weg afgelegd. De kwaliteit van de gesprekken die we met de sector voeren, is al veel rijker dan enkele jaren geleden. We hoeven niet telkens meer uit te leggen wat duurzaamheid is, maar op termijn moet elke belegging transparant en duurzaam zijn.’

Betekent dit dan niet meer concurrentie voor Triodos Bank als ze hun unieke positie verliezen, als de duurzame bank? ‘Ik bekijk dat zo niet. Uiteindelijk worden onze producten op die manier meer dan ooit bekrachtigd als waardevol. En je toont de belegger dat hij met zijn geld de wereld kan veranderen.’