Dossier: 

Van Kinshasa over Panama naar de echte Congolese goudmijnen

De Congolese ondergrond is beroemd en berucht om zijn rijkdom. Koper, kobalt, diamant en olie spelen ook een hoofdrol in de Congolese #PanamaPapers. De politieke elite in Kinshasa speelt onder een hoedje met enkele buitenlanders die economisch actief zijn de Democratische Republiek Congo. Het echte goud zit offshore.

  • Sasha Lezhnev (CC by-nc-nd 2.0) Een goudmijn in de Democratische Republiek Congo. offshore-constructies bieden ook de autochtone Congolese elite de kans om zich te verrijken, door met de impliciete goedkeuring van de regering Kabila de grondstoffen van het land te plunderen. Sasha Lezhnev (CC by-nc-nd 2.0)

De Panama Papers, die sinds begin april gepubliceerd worden door MO*, Knack, De Tijd en Le Soir, onthullen niet enkel de oprichting van offshore-venootschappen voor 732 Belgen en van buitenlanders die in België verblijven. Ze brengen ook de offshore-constructies aan het licht van de Belgen en de andere buitenlanders die in de Democratische Republiek Congo wonen.

Vanuit Belgisch standpunt is niet duidelijk of deze offshores verwerpelijk zijn: voor bijvoorbeeld de families Damseaux, Moerloose en Rawji vormt Congo al geruime tijd de fiscale woonplaats. Men kan zich wel ernstige vragen stellen bij het fiscale beleid in de Democratische Republiek Congo: Kinshasa lijkt de offshore-venootschappen van zijn inwoners te tolereren, ook al verminderen daardoor de fiscale inkomsten van het land. Een beter fiscaal beleid zou ongetwijfeld de behoeften van Congo inzake ontwikkelingshulp doen afnemen – in 2014 ging vanuit België alleen al 113 miljoen euro aan financiële steun naar Congo.

Koper en kobalt binnen de offshore-wereld

De Panama Papers maken een naïeve kijk op de zaken echter onmogelijk: offshore-constructies bieden ook de autochtone Congolese elite de kans om zich te verrijken, door met de impliciete goedkeuring van de regering Kabila de grondstoffen van het land te plunderen. Meer bepaald leren de documenten uit het archief van het advocatenbureau Mossack Fonseca ons hoe de concessies van Kabolela et Kipese, (een bedrijf dat koper, kobalt en goud ontgint) met veel winst werden doorverkocht, volledig buiten het blikveld van de Congolese bevolking.

De transactie is maar gedeeltelijk aan het licht gekomen en de details blijven onduidelijk: Mukeba Kanumubadi, een Congolese zakenman, had via het Luxemburgse bedrijf Cofiparinter SA (Compagnie financière de participations internationales SA) het volledige kapitaal van La Société minière de Kabolela et Kipese SPRL (SMKK) in zijn bezit. Het Luxemburgse bedrijf Cofiparinter SA was sinds 2006 dan weer eigendom van Cofiparinter Limited, het offshore-bedrijf dat Mukeba op de Britse Maagdeneilanden had opgericht.

Na een reeks betalingen ten voordele van Cofiparinter SA (Luxemburg) en een ultieme storting op een bankrekening bij de Kredietbank in Monaco – ten voordele van Soparinter, een schermbedrijf van Mukeba -, wisselden in maart 2007 het bedrijf SMKK en de ontginningsrechten die haar waren toegekend voor de eerste keer van eigenaar en gingen naar Southgate Resources Ltd., eveneens een offshore-bedrijf gevestigd op de Maagdeneilanden. Samen met de concessies komen ook de Cofiparinter bedrijven in het bezit van Southgate Resources Ltd.

In oktober 2008, 19 maand later, verkocht Southgate Resources Ltd zowel Cofiparinter als de ontginningsrechten aan Kara Enterprises Limited, een derde offshore-bedrijf op de Maagdeneilanden, dat de aankoopprijs op een rekening bij Barclays Banks in Gibraltar laat storten. Uit het contract van de doorverkoop blijkt echter dat de directeur en de secretaris van Kara Enterprises en Southgate Resources in beide gevallen dezelfde twee personen zijn.

Wie zit er achter Kara Enterprises? Schermbedrijven – zogenaamde “trustees” – die de echte doorverkoop voorbereiden. De echte doorverkoop vindt 17 dagen later plaats op 23 oktober 2008: na drie keer te zijn veranderd van eigenaar in slechts 20 maanden, komen Cofiparinter Ltd en de mijnen van Kabolela en Kipese terecht in de handen van het bedrijf ENRC Management (Congo) Limited, gevestigd in Londen en deel van de Chodiev groep. Twee van de drie aandeelhouders van de Chodiev groep hebben de Belgische nationaliteit.

De olie van Dan Gertler

Maar de Panama Papers bevestigen dat het altijd erger kan: uit de verwevenheid tussen de Congolese regering – president Kabila en zijn ministers - en de Israëlische diamantair Dan Gertler, blijkt de minachting voor de transparantie en de regelgeving omtrent offshore-constructies. Het advocatenbureau Mossack Fonseca zal zich uiteindelijk zelf distantiëren van de offshores van Gertler.

Opnieuw is het verhaal op het eerste gezicht gekend. Congo kende tweemaal dezelfde olievoorraden toe die zich in het oosten van het land bevinden, aan de grens tussen Congo en Oeganda, en die Blok I en II van de streek Albertine Graben worden genoemd.

Het toekennen van de Congolese olievoorraden leverde Kabila en de zijnen royale tekenpremies van 6 miljoen dollar op.

Hoewel deze olievoorraden al in 2006 werden toegekend aan het Zuid-Afrikaanse bedrijf Tullow, heeft de regering Kabila in 2010 dezelfde olievoorraad opnieuw toegekend, ditmaal aan twee mysterieuze offshore-bedrijven, CapriKat Ltd en Foxwhelp Ltd, beide gevestigd op de Britse Maagdeneilanden. Het toekennen van de voorraden leverde Kabila en de zijnen royale tekenpremies van 6 miljoen dollar op.

Deze zaak, die alle schijn heeft van oplichting aangezien het de verkoop van een goed waarover men niet meer beschikt betreft, haalde reeds de internationale financiële pers en heeft geleid tot gerechtelijke acties, die door de Panama Papers worden gedocumenteerd. Tot op heden was er echter nog geen antwoord op de volgende vraag wie achter Caprikat Ltd en Foxwhelp Ltd zat. Dat is van belang aangezien ze de overheid omkochten en aan de politie van Bunia zelfs tientallen moto’s en jeeps cadeau gaven.

Op het moment van het ondertekenen van de olieconcessie in mei 2010 werd Caprikat Ltd vertegenwoordigd door Zuma Khulubuse Clive, de neef van de Zuid-Afrikaanse president Jacob Zuma. Dat is op zich al intrigerend, maar er is meer aan de hand. In september 2010 probeert het financieel onderzoeksagentschap van de Britse Maagdeneilanden zelf ook te weten te komen wie er achter Zuma, Caprikat Ltd en Foxwhelp Ltd zit en het vraagt aan het advocatenbureau Mossack Fonseca, dat voor deze bedrijven blijkt de werken, om dit binnen de zeven dagen kenbaar te maken.

Een financieel tussenpersoon, gevestigd in Gibraltar, probeert wanhopig de echte rol van Gertler en zijn echtgenote te verbergen.

De daaropvolgende correspondentie van Mossack Fonseca zal uiteindelijk uitkomen bij de Israëlische diamantair Dan Gertler en zijn echtgenote Anat: de Panamese advocaten zijn op dat moment reeds in een strijd verwikkeld met het echtpaar Gertler omdat het koppel weigert om het bureau van een minimum aan legale informatie te voorzien die inzicht kan verschaffen over de echte begunstigden van twee Panamese offshores. Gedurende deze periode probeert een financieel tussenpersoon, gevestigd in Gibraltar, wanhopig de echte rol van Gertler en zijn echtgenote te verbergen.

Wanneer het financieel onderzoeksagentschap op de Maagdeneilanden aandringt op informatie over Zuma, Caprikat Ltd en Foxwhelp Ltd, leidt dit opnieuw tot bij Gertler, niet zozeer omdat Gertler persoonlijk als eigenaar wordt gezien – iets wat op dat moment nog onzeker is – maar omdat precies dezelfde verdachte tussenpersoon uit Gibraltar opnieuw opduikt.

Hoewel de wettelijke termijn om te antwoorden op de vraag van Mossack Fonseca zeven dagen bedraagt, zal het een jaar duren vooraleer in juni 2011 de aap uit de mouw komt: zowel de offshore-constructies op Panama als die op de Maagdeneilanden zijn wel degelijk het werk van de Gertlers.

In een e-mail van 2 juni 2011 neemt Jennifer Mossack, directrice klantrelatiebeheer bij het advocatenkantoor, akte van de verhullingen van een “niet-coöperatieve”, “geheime” en “oneerlijke” tussenpersoon: ‘Ze hebben de identiteit van hun cliënt verborgen gehouden (…) Dan Gertler is een Israëlische tussenpersoon in de diamantensector waarnaar een onderzoek loopt vanwege corruptie in Congo en een aandeel in de verhandeling van “bloeddiamanten” (…) We zijn in het bezit van enkele entiteiten die hem toebehoren en die door ons bureau in de Maagdeneilanden worden beheerd en waarnaar op dit moment een onderzoek vanuit de financiële commissie van de Maagdeneilanden loopt (…) Ik dring erop aan om onmiddellijk afstand te nemen van de twee Panamese bedrijven en van de bedrijven op de Maagdeneilanden die gelinkt zijn aan dhr. Gertler.’

Dit advies wordt ook effectief opgevolgd maar de maatregel komt te laat: de olievoorraden zijn reeds verkocht aan offshore schermbedrijven en de regering in Kinshasa heeft de tekenpremies opgestreken. Drie jaar later, in februari 2014, zullen de financiële autoriteiten van de Kaaimaneilanden een ander schermbedrijf uit hun register schrappen omwille van de rol die het heeft gespeeld bij het verhullen van de identiteit van de ‘kopers van Blok I en II van Albertine Graben’. Het enige wat tot op heden onbekend is, zijn details over de beloningen die de leidinggevende families uit Zuid-Afrika en Congo hebben ontvangen.

Alain Lallemand is lid van ICIJ en journalist bij Le Soir. Dit artikel werd uit het Frans vertaald door Bart Vereecke

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift