Een oude nieuwe president voor Algerije, het land dat nooit in het nieuws komt

Analyse

Algerijnse jongeren willen een toekomst, maar denken niet dat nieuwe president die zal brengen

Een oude nieuwe president voor Algerije, het land dat nooit in het nieuws komt

Een oude nieuwe president voor Algerije, het land dat nooit in het nieuws komt
Een oude nieuwe president voor Algerije, het land dat nooit in het nieuws komt

‘We haten het, we haten het hier echt. Je kunt hier niks en je kunt niet weg.’ Een toekomst, dat is wat Algerijnse jongeren vragen van de nieuwe president die op donderdag 12 december verkozen wordt. Meer dan twee derde van de 43 miljoen Algerijnen is jonger dan dertig. Maar de hoop dat er wat verandert, is klein.

© Anton Keuchenius

Meer dan twee derde van de 43 miljoen Algerijnen is jonger dan dertig. (noot: de personen op deze foto worden niet vermeld in de tekst)

© Anton Keuchenius

Je hoort of leest zelden iets over Algerije, en dat is omdat journalisten zelden Algerije binnenkomen.

Het is niet eenvoudig werken als journalist in Algerije. Het is een politiestaat, waar de bevolking dagelijks tegenaan botst en al maandenlang elke vrijdag massaal tegen protesteren. Journalisten zijn niet erg welkom, een persvisum krijgen is moeilijk.

Als toerist mag je wel Algerije binnen, en dat is wat journalist Anthon Keuchenius deed. Hij kon zich daardoor niet als journalist kenbaar maken. De geïnterviewden in dit artikel worden daarom niet met naam en toenaam vernoemd.

Algerije kiest een nieuwe president, en de kandidaten voor die job zijn geen radicale vernieuwers maar een vijftal oudgedienden. Ze komen van of uit de omgeving van het FLN, het Nationale Bevrijdingsfront. Dat is de partij die Algerije 57 jaar geleden uit handen van het koloniale Frankrijk bevrijdde, maar sindsdien met steeds minder succes bestuurt. De algemene verwachting is dat de bevolking daarom ook deze verkiezingen zal boycotten.

Daarmee loopt de spanning tussen het oude regime en de jonge bevolking verder op. We praatten met jonge én oude Algerijnen, over politiek, maar vooral over de stagnatie, het verzet, de uitzichtloosheid en de drang om te vertrekken uit de politiestaat die Algerije geworden is.

Hoog potentieel, lage lonen

Kort voorbij de grens met Tunesië staan mannetjes in de middenberm met stapels biljetten te wapperen. De zwarte markt blijkt vijftig procent meer dinars op te leveren dan de officiële wisselkoers. Voor de eerste benzinepomp staan lange rijen auto’s.

‘Dat mag eigenlijk niet, staatseigendommen fotograferen’, waarschuwt de pompbediende, als ik de dieselprijs met mijn camera vereeuwig. 23 dinar per liter, dat is 12 eurocent: niet duur. ‘Maar die prijs is wel het dubbele van vorig jaar!’, reageert de pompbediende verontwaardigd. ‘De lonen zijn hier heel laag, hé.’

Van de olierijkdom druppelt maar een fractie door naar beneden. Het Algerijnse minimumloon bedraagt maandelijks rond de 110 euro.

Algerije staat op de 157ste plaats (van 190 landen) op de Ease of Doing Business-ranking van de Wereldbank. Een lage score op die lijst betekent dat het wettelijk kader verre van gunstig is om een lokaal bedrijf op te richten en te doen slagen. De Algerijnse economie heeft een enorm potentieel — in de landbouw, het toerisme en de zonne-energiesector, plus een jonge en hoogopgeleide bevolking.

Maar desondanks drijft de economie nog altijd op inkomsten uit olie- en gasvelden in de Sahara. Die nemen meer dan 90 procent van de export en 70 procent van de overheidsfinanciën voor hun rekening.

Van de olierijkdom druppelt maar een fractie door naar beneden. Het Algerijnse minimumloon bedraagt maandelijks 18.000 dinar, dat is rond de 110 euro. Leraren en artsen verdienen twee tot drie keer zoveel, net als de vele gendarmes (rijkswachters) en militairen.

Echte armoede is er niet in Algerije. Toch klussen velen bij voor een extraatje. ‘Kan ik niet in Amsterdam komen werken?’, komt een rijkswachter aan het raam van de auto keuvelen, terwijl zijn collega de paspoorten controleert. ‘Want ons salaris, daar koop je geen auto voor.’

Op straat in Annaba

Honderd kilometer ten westen van de Tunesische grens – voorbij moerassen en een ooievaarsnest op elke tiende telefoonpaal – ligt de havenstad Annaba, aan de azuren kust van de Middellandse Zee. De straten hebben Franse grandeur, een erfenis van de koloniale tijd. Forse appartementengebouwen rijzen omhoog langs boulevards. Daartussen ligt een langgerekt park waar families ijsjes eten.

‘Kan ik u helpen?’, vraagt een keurige man. Hij blijkt gestudeerd te hebben in Frankrijk, maar is teruggekeerd om leiding te geven aan de familiezaak. Hij geeft een inleiding in Algerije’s woelige en bloedige recente geschiedenis.

Die begint eind jaren tachtig, wanneer het Nationale Bevrijdingsfront (FLN) de teugels viert. Het is die partij die Algerije losvocht van Frankrijk en die sindsdien het land op socialistische leest bestuurt. Vrije verkiezingen lopen in 1992 uit op grote winst voor een islamistische tegenpartij: het Front Islamique du Salut (FIS), waarna de FLN de verkiezingen annuleert en FIS met harde hand te lijf gaat.

Een decennium vol angst, terreur en meer dan honderdduizend doden volgt. En mondt via een amnestiewet uit in de gewapende vrede van een politiestaat, onder president Abdelaziz Bouteflika.

Tot het volk dit voorjaar weer de straat op ging om de corrupte kliek rond Bouteflika weg te krijgen. ‘Nu gaat het beter’, zegt de man. ‘De oude entourage is buitengegooid en gevangengezet. Maar welke nieuwe kliek het nu precies voor het zeggen heeft? Niemand die het weet.’

© Anthon Keuchenius

Ook in Annaba wordt al wekenlang geprotesteerd op vrijdag, tegen de regering, de corruptie en het gebrek aan beleid, voor meer vrijheid.

© Anthon Keuchenius

Het is vrijdag, en in de binnenstad duikt een demonstratie op, die snel groeit. Ze trekt door de straten met leuzen op brede spandoeken: tegen nieuwe financiële wetten, leggen twee jongens uit. ‘Wetten van de nieuwe regime, die toelaten dat buitenlandse bedrijven Algerijnse bodemschatten delven, zonder iets van de winst af te dragen. Ja, aan de leiders misschien, maar niet aan het volk.’

Ver van de betogende stadsgenoten staart een man over de branding: ‘In het voorjaar liep ik ook mee, nu is dat niet meer nodig. De oude president en zijn kliek zijn eruitgegooid. We hebben nu een betere leider.’

Die nieuwe leider heet Ahmed Gaid Salah, een oud-generaal en nu minister van Defensie. Hij bestuurt al zes jaar Algerije van achter de schermen. Gaid Salah’s woonhuis staat toevallig net om de hoek van het strand, waar fotograferen verboden blijkt. ‘Mag ik even zien wat er op je camera staat?’, vraagt een man die plots uit het niets opduikt.

De brug van Constantine

Constantine ligt honderd kilometer landinwaarts. De stad is vernoemd naar een Romeinse keizer, maar ademt net als Annaba anderhalve eeuw Frans kolonialisme. De omgeving is bijzonder: een ravijn deelt de derde stad van Algerije in tweeën. Spectaculaire bruggen geven de stad een dramatisch aanzien.

© Anton Keuchenius

© Anthon Keuchenius

Abd al Rahim wijst op het zwarte metaal van de Sidi M’Cid-brug, volgeschreven met witte namen van liefdespaartjes. Een brug vol liefde. ‘Maar ook van de dood,’ zegt Abd al Rahim, want maandelijks springt er wel iemand in wanhoop van een rots of brug.

Harde cijfers ontbreken, maar de Franco-Algerijnse bond van psychiaters boog zich ooit over de reputatie van de brug. De jongste sprong, eind november, werd zelfs bij toeval gefilmd vanuit een voorbijrijdende auto.

© Anthon Keuchenius

Abdel al Rahim bij de Sidi M'Cid-brug in Constantine, de brug van de liefde én van de dood.

© Anton Keuchenius

Velen zijn vertrokken uit Constantine. Door het bergachtige, agrarische achterland heeft de stad een conservatiever karakter dan de steden aan de Middellandse Zee, en blijft ze ook economisch achter. ‘De staat doet daar niks aan,’ zegt Ibtisam, een studente. Ze oefent graag haar Engels, iets wat opvallend veel jonge Algerijnen — wars van het elitaire Frans — graag doen.

Meer dan twee derde van de 43 miljoen Algerijnen is jonger dan dertig. De jeugdwerkloosheid staat op dertig procent.

‘Zodra ik een acceptabel plekje voor mijn moeder gevonden heb, ben ik weg,’ zegt Rafiq, die na een mislukte studie medicijnen in Frankrijk nu werkt als receptionist. Zijn visum voor Canada ligt klaar. ‘De corruptie is in alle lagen doorgedrongen. Het leven is gewoon niet vol te houden. Stel je voor dat je als dertiger nog bij je ouders woont, zoals veel jonge Algerijnen. Hoe moet dat dan ‘s nachts, met je vrouw?’

Meer dan twee derde van de 43 miljoen Algerijnen is jonger dan dertig. Veel jongeren wonen tot na hun dertig bij hun ouders. Ook al is de overheid bezig met een inhaalbeweging, een woningcrisis is bij zulke aantallen evident.

De jeugdwerkloosheid staat op dertig procent, mee als gevolg van de corrupte partijkliek die al veertig jaar de olie-inkomsten naar zich toe harkt. Uit angst die inkomsten te verliezen, staat ze ook elke verandering in de weg en neemt ze ondernemerszin weg.

Transparency International rankt Algerije op plaats 105 van de 183 landen in haar jaarlijkse corruptie-index. Dat is beter dan Irak (186) en Libanon (135), maar ver na buurlanden Marokko en Tunesië (beiden op plaats 75).

Djemila: waar zijn de toeristen?

Djemila, de volgende plaats op onze route, ligt op honderd kilometer van Constantine en vlak naast de ruines van Cuicul. Een Romeinse stad zo gaaf en uitgestrekt dat ze gemakkelijk duizenden toeristen per dag zouden kunnen lokken, als er geen weerbarstige politiestaat tussen zou zitten.

‘Vandaag was een goede dag, zegt Salim, gids. ‘Zestig, misschien wel zeventig toeristen.’ Die toeristen komen en gaan per bus. Er blijft geen dinar in het stadje achter.

© Anthon Keuchenius

De Romeinse ruïnes van Cuicul zouden gemakkelijk meer toeristen kunnen lokken.

© Anthon Keuchenius

Een jongeman spuwt ongevraagd zijn gal over Djemila, met zijn archeologische hoogtepunten maar zonder enig toekomstperspectief. ‘We haten het, we haten het hier echt. Je kunt hier niks en je kunt niet weg.’

De hostelmanager heeft desgevraagd wel een analyse over de ontevreden jongeren. ‘Het zijn klaplopers, werklozen, profiteurs. Ze werken niet, ze klagen alleen maar.’

“Liberté” in Algiers

In het wereldse Algiers vind je minder mensen met de drang om te vertrekken. Toch heeft de gemiddelde Algerijn ook hier in de hoofdstad moeite om zijn maandelijkse kostje bij elkaar te scharrelen.

Je verplaatsen tussen de groene, heuvelachtige delen van de stad, dat doe je met Yassir, de Algerijnse versie van vervoersapp Uber. De chauffeurs blijken veelal hoger opgeleid, zoals radiojournalist Hassan, die buiten de werkuren met zijn auto wat bijverdient. ’Zo kunnen we op vakantie.’

'Mensen met goede relaties krijgen wel achttien appartementjes toegewezen en gaan die dan weer onderverhuren.’

Het Algerije van vandaag is op socialistische leest geschoeid en biedt gratis onderwijs en gezondheidszorg. Het regime krijgt ook langzaam vat op het huisvestingsprobleem; overal verrijzen enorme betonnen slaapsteden, zodat de jeugdige bevolking toch het ouderlijk huis uit kan.

‘Vogelkooien,’ noemt Rafiq de stapels dozen. ‘Lelijk, maar goedkoop. Je betaalt alleen een symbolische huur.’ En meteen komen weer de verhalen over corruptie. ‘Mensen met goede relaties krijgen achttien van die kooien toegewezen en gaan die dan weer onderverhuren.’

Er zijn ook mensen die niets toegewezen krijgen. ’Les oubliés, de vergetenen, zo noemen ze ons’, zeggen twee vijftigers in hun krappe flatje in hartje Algiers. Het staatscomité is hun dochter, getrouwd en met twee jonge kinderen, niet vergeten: onlangs kreeg haar man een appartement toegewezen, een uur gaans buiten de stad.

Maar Algerijnen zijn gehecht aan familie. ‘Tijdens de week blijven we toch maar hier. Mijn moeder past op de kinderen en we eten gezellig samen.’

© Anthon Keuchenius

© Anthon Keuchenius

Dan wordt het opnieuw vrijdag. Rijkswachters en oproerpolitie posteren zich naast blauwe bussen langs alle invalswegen. In de binnenstad hangt een sfeer die het midden houdt tussen risicowedstrijd in het voetbal en een festival. Straten lopen vol jonge mannen, maar er zijn ook veel families, uitgedost met Algerijnse vlaggen.

Groepen gelieerd aan voetbalclubs — zoals in menig Arabisch land ontspringt in voetbalstadions het verzet — heffen liederen aan. In Algerije zingt iedereen Liberté, een hertaald voetballied en nu de hymne van Hirak: de volksbeweging die het regime uit de corrupte zetels wil duwen.

‘Il paraît que le pouvoir s’achète / Liberté c’est tout ce qui nous reste’.
Vrij vertaald: ‘Het lijkt erop dat je macht enkel kan kopen / Vrijheid is al wat ons nog rest.’

De geliefde amazigh-vlaggen zijn verboden, en je mag niet eender wat roepen in het openbaar. Jongeren spelen daarom voortdurend met de taal, zoals met de hashtag #mansotich. Dat is Algerijns voor ‘Ik spring niet’, maar je moet het lezen als het verboden 'Ik stem niet'. De hashtag had in 2017 groot succes, velen stemden niet of blanco.

Voor de verkiezingen van 12 december stuurt Hirak opnieuw aan op een boycot. ‘Het is niet alleen corruptie’, zegt Ramzi, percussionist, zanger en youtuber. ‘Het is ook een generatieconflict. Er zit een generatie laagopgeleiden al decennia op sleutelposities elke ontwikkeling te blokkeren. Wij zijn wel goed opgeleid, dus zijn ze bang voor ons. Vandaar dat we soms expres foutjes maken, anders kom je in de problemen.’

Le Sud

Een stuk relaxter is men in de palmeraie Taghit, een oasedorp tussen hoge zandduinen, duizend kilometer ten zuiden van het gespannen stadsgewoel in Algiers en co. In de oude kasba zit Salem op een steen. Hij drijft een pensionnetje. Hoeveel een bed kost hangt af van de klant zijn portemonnee, vat Salem de sfeer in Taghit.

Salem zelft komt uit Kabylië, levendig berggebied oostelijk van Algiers. ‘Daar is het helemaal niet gevaarlijk, je moet er echt eens gaan kijken. Maar er gaat niets boven Taghit, zo heerlijk rustig. Geen verkeer, geen drukte.’

© Anthon Keuchenius

Een vader en zoon in Taghit, een oasedorp tussen hoge zandduinen, duizend kilometer ten zuiden van het gespannen stadsgewoel.

© Anthon Keuchenius

© Anthon Keuchenius

(noot: de personen op deze foto worden niet vermeld in de tekst)

© Anthon Keuchenius

Voorbij Taghit willen rijkswachters in toenemende mate paspoorten vasthouden en daarover bellen met kennelijke superieuren. Ik krijg een plekje in een escorte, vóór drie vrachtwagens met transport sensible. Hier, langs de grens met Marokko, is men beducht voor aanslagen.

Geldt dat ook voor mij? ‘Wauw, buitenlanders. Ja, erg gevoelig.’

Zelf komt de rijkswachter die me aanspreekt uit Oran, de tweede stad van Algerije en in vele opzichten ver van deze plek. Hij moet nog dertien jaar werken, maar vanaf zijn 42ste lonkt een bescheiden staatspensioen van 34.000 dinar per maand. Dat kan hij aanvullen met allerlei werk. En veel vakantie.

‘Dan ga ik ook lekker reizen.’