Westerse inlichtingendiensten betrokken bij terroristische aanslagen in Noord-Afrika

Een nieuw rapport onthult de betrokkenheid van westerse inlichtingendiensten bij aanslagen van terreurgroepen en terroristische trainingskampen in Noord-Afrika.

  • © Reuters Algerijnse troepen bewaken de gasinstallatie van Tiguentourine, na de bloedige aanval en bezetting van de site door terroristen © Reuters
  • Rainer Voegeli (CC BY-NC-SA 2.0) De Toeareg hadden traditioneel een goede relatie met Kadhafi en velen van hen streden aan zijn zijde tot het einde. Rainer Voegeli (CC BY-NC-SA 2.0)
  • © Jeremy Keenan Jeremy Keenan, gastprofessor aan de School of Law van de Queen Mary University of London, voert al jaren onderzoek naar de precieze omstandigheden van de mislukte gijzeling in In Amenas. © Jeremy Keenan
  • habib kaki (CC BY 3.0) habib kaki (CC BY 3.0)
  • Bron: Youtube / France 2 Screenshot van Amari “El Para” Saifi bij zijn gevangenneming in 2004 (een reportage van France 2 Bron: Youtube / France 2

16 januari 2013. Kort na zonsopgang naderen 32 gewapende mannen het gasveld van Tiguentourine in het oosten van de Algerijnse woestijn. Ondanks de hoge militarisering en de alomtegenwoordigheid van leger en geheime diensten is het terreurcommando er probleemloos in geslaagd om de site te bereiken. Op het moment dat ze aan het External Vehicle Checkpoint van de fabriek opdraaien, zijn er zowat 800 werknemers aanwezig, waarvan 130 niet-Algerijnen uit 30 verschillende landen.

Om 05u47 openen de terroristen het vuur op een bedrijfsbusje dat twaalf werknemers naar het nabijgelegen vliegveld van In Amenas rijdt. De gewapende gendarmes van het beveiligingskonvooi beantwoorden het vuur en dwingen de aanvallers zich te verschansen in de woonblokken van het kilometers grote terrein. Omstreeks 7 uur omsingelt het Algerijnse leger het complex en begint het een drie dagen durend vuurgevecht.

© Jeremy Keenan

Jeremy Keenan, gastprofessor aan de School of Law van de Queen Mary University of London, voert al jaren onderzoek naar de precieze omstandigheden van de mislukte gijzeling in In Amenas.

Pas op 19 januari kan het de site heroveren. Opvallend: het leger en de Algerijnse geheime dienst DRS (Département du Renseignement et de la Sécurité) ondernemen geen enkele poging om de veiligheid of vrijlating van de gijzelaars te onderhandelen, zoals de internationale procedure het nochtans voorschrijft. De eindbalans is zwaar: 80 doden, waaronder 39 niet-Algerijnen en 29 terroristen. In Amenas is de zwaarste aanval op westerlingen sinds de terroristische aanslagen in Londen van juli 2005.

Een in maart te verschijnen rapport toont aan dat de DRS de voorbije 25 jaar de spil was van zowat alle terroristische groeperingen en aanslagen in de regio.

Jeremy Keenan, gastprofessor aan de School of Law van de Queen Mary University of London, voert al jaren onderzoek naar de precieze omstandigheden van de mislukte gijzeling in In Amenas. Het resultaat, een in maart te verschijnen rapport van 283 pagina’s, is niet mals voor de betrokkenen. Het toont aan dat de DRS de voorbije 25 jaar de spil was van zowat alle terroristische groeperingen en aanslagen in de regio én dat westerse inlichtingendiensten op de hoogte, zo niet betrokken waren.

Keenan is een energieke zeventiger met vijftig jaar veldwerk in de Sahel op de teller. In zijn eerdere boeken The Dark Sahara (2009) en The Dying Sahara (2013) ging hij al uitgebreid in op de clandestiene samenwerking tussen westerse en Algerijnse inlichtingendiensten.

‘Algerije is één van de meest gesofisticeerde, duivelse regimes ter wereld,’ zegt hij. ‘De westerse regeringen en inlichtingendiensten zijn zeer goed op de hoogte van de corruptie, de mensenrechtenschendingen en de maffiapraktijken, maar ze durven het regime niet tegen de haren in te strijken. Een land als Frankrijk weet maar al te goed wat er gebeurt wanneer Algerije implodeert: een zoveelste burgeroorlog in het Middellandse Zeegebied en duizenden Algerijnen op een boot naar Marseille.’

habib kaki (CC BY 3.0)

Een gedroomd huwelijk

Algerije heeft op korte tijd een lange weg afgelegd: van pariastaat tot geprivilegieerde partner van het Westen in de wereldwijde strijd tegen terreur. In de jaren negentig stond het land nog voor een morele en financiële afgrond. Het Algerijnse leger annuleerde de verkiezingen van 1991-’92, die de eerste democratisch verkozen islamitische regering aan de macht zou hebben gebracht.

De daaropvolgende “vuile oorlog” tegen binnenlandse salafistische groeperingen eiste al naargelang de bron tussen 50.000 en 200.000 slachtoffers. Naarmate de rol van het Algerijnse leger in het bloedbad steeds duidelijker werd, onder andere door zelf opgezette bomaanslagen in de schoenen van islamisten te schuiven, schortten westerse regeringen hun wapenleveringen aan en diplomatieke betrekkingen met het land op.[1]

De verkiezing tot president van de intelligente diplomaat Abdelaziz Bouteflika in 1999 deed het tij keren. De Amerikaanse president Bill Clinton bewaarde nog enige afstand – ondanks Bouteflika’s mediatieke pogingen om Clintons Israëlisch-Palestijns vredesproces te steunen – maar George W. Bush nodigde hem kort na zijn intrede in het Witte Huis al uit in Washington.

Bush wist dat Algerije op zoek was naar een wapenleverancier om het oude materiaal van haar leger te vervangen door nieuw hoogtechnologisch materiaal.

Bush wist dat Algerije op zoek was naar een wapenleverancier om het oude materiaal van haar leger te vervangen door nieuw hoogtechnologisch materiaal. Op zijn beurt wist de president van het olie- en gasrijke Algerije dat Bush op zoek was naar een strategische partner in Noord-Afrika. Een Energy Task Force onder leiding van vicepresident Dick Cheney had net een rapport uitgebracht over een nakende energiecrisis in Amerika. Eén van de conclusies luidde dat Afrika het Midden-Oosten als olie-exporteur zou overtreffen.

‘Bush speelde de vraag door naar het Pentagon,’ zegt Keenan. ‘Hoe kunnen we ons militair verzekeren van toegang tot die Afrikaanse brandstoffen? Dit was een kwestie van groot nationaal belang. Tussen de inhuldiging van George Bush en de aanslagen van 9/11 organiseerden de Verenigde Staten en Algerije minstens 6 ontmoetingen op het allerhoogste niveau.’

De uitzonderlijke aard van de nieuwe romance werd duidelijk in de onmiddellijke nasleep van 9/11. Slechts twee burgervluchten kregen die dag de toestemming om het Amerikaanse luchtruim te verlaten: één met leden van de Saoedische koninklijke familie, een ander met Generaal Mohamed “Toufik” Mediène, het hoofd van de Algerijnse DRS.

Mediène, van wie slechts een paar wazige foto’s bekend zijn, is niet de eerste de beste. Na een KGB-training in de Sovjet-Unie kwam hij aan de top van de Algerijnse veiligheidsdiensten te staan. Technieken als infiltratie, spionage en de inzet van agents provocateurs zijn zo oud als de straat, maar onder zijn bewind pasten de Algerijnse veiligheidsdiensten en zijn tienduizenden agenten ze op haast industriële schaal toe. Als iemand ervaring had in de strijd tegen extremistische moslims, dan wel Mediène. Al in 2001 overhandigde hij Bush een lijst met namen van 1350 Algerijnse islamisten die mogelijk een connectie hadden met Osama Bin Laden.

De Algerijnse link met de Afghaanse kliek van Osama Bin Laden dateert van de Afghaanse Oorlog in de jaren tachtig.

De Algerijnse link met de Afghaanse kliek van Osama Bin Laden dateert van de Afghaanse Oorlog in de jaren tachtig. De Russische bezettingsmacht slaagde er maar niet in om de weerstand van de Afghaanse moedjahedien te breken.

In zijn zoektocht om hulp kwam de U.S.S.R. in Algerije terecht, een land waarmee de Sovjet-Unie sinds de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 goede relaties onderhield. Algerije zond leden van haar eigen geheime dienst als spionnen in de rangen van de door het Westen gesteunde vrijheidsstrijders.

Veel haalde het voor de Russen niet uit – in 1989 trokken ze zich finaal uit Afghanistan terug – maar het bepaalde wel de strategie die de Algerijnse inlichtingendienst in de binnenlandse strijd tegen de politiek machtige islamisten zou volgen. De infiltratie verliep zelfs zodanig succesvol dat DRS-agent Djamel Zitouni in 1994 de leiding overnam van de GIA (Groupe Islamique Armé),[2] één van de meest beruchte terreurgroepen uit de twintigste eeuw.

Bin Laden’s man in de Sahara

Op 31 juli 2002 kreeg de US Senate Select Committee on Intelligence van de Amerikaanse inlichtingendiensten groen licht om een samenwerking met de Algerijnse DRS op poten te zetten. Minister van Defensie Donald Rumsfeld broedde al een tijdje op ideeën om de Global War on Terrorism van Bush in de praktijk om te zetten.

‘Hoe kon men een strijd tegen extremistische moslims in West-Afrika rechtvaardigen als er in West-Afrika geen extremistische moslims waren?’

De haviken in zijn regering drongen er bovendien op aan om meer Amerikaanse troepen op Afrikaans grondgebied te ontplooien en om in navolging van overzeese militaire commandoposten als EUCOM, CENTCOM en PACOM, ook een AFRICOM op te zetten. ‘Maar hoe kon men een strijd tegen extremistische moslims in West-Afrika rechtvaardigen als er in West-Afrika geen extremistische moslims waren?’ zegt Keenan.

Dezelfde week nog herinnerden leden van het Defense Science Board[3] Rumsfeld aan het Northwoods Project[4]. Rumsfeld was voor het idee gewonnen en richtte de Proactive, Preemptive Operations Group op (P2OG). Dit orgaan zou wereldwijd geheime operaties opzetten (black operations) om terroristische groeperingen en staten “tot reacties te stimuleren”, opdat ze zich zouden blootgeven aan “quick-response attacks” van Amerikaanse eenheden.

Het clandestiene project trad in de Sahel een eerste keer succesvol in werking in februari 2003, met de kidnapping van 32 voornamelijk Duitse en Oostenrijkse toeristen in de Algerijnse Sahara, onder het commando van DRS-agent Amari “El Para” Saifi.[5] Het voorval kreeg internationale aandacht.

Bron: Youtube / France 2

Screenshot van Amari “El Para” Saifi bij zijn gevangenneming in 2004 (een reportage van France 2

In de daaropvolgende mediacampagne noemde de commandant van EUCOM de Sahara ‘een terreurmoeras’ dat ze moesten “droogleggen”. George Bush omschreef El Para als ‘Bin Ladens man in the Sahara’. De westerse pers pikte het verhaal op en deed precies waarop de Bush-administratie had gehoopt: de noodzaak van een nieuw front in de strijd tegen terreur benadrukken.

Kort daarop streken de eerste Amerikaanse troepen neer in Tunesië, Algerije, Marokko, Senegal, Nigeria, Tsjaad en Niger. In 2007 ging de United States Africa Command (AFRICOM) van start. Volgens de cijfers van het Internationaal Energieagentschap steeg de Algerijnse olie-export naar de Verenigde Staten tussen 2002 en 2007 van 264.000 naar 670.000 vaten per dag. Het plan verliep perfect.

Al-Qaeda en westerse inlichtingendiensten: een vruchtbare samenwerking

‘Het overleven van het Algerijnse regime is gebaseerd op het destabiliseren van haar buurlanden’

‘Ook het Algerijnse regime zag alleen maar voordelen in P2OG,’ zegt Keenan. ‘Haar eigen overleven is gebaseerd op het destabiliseren van haar buurlanden. Een democratisch succes in Tunesië[6], Libië of Mali zou de Algerijnen wel eens kunnen inspireren tot een eigen revolutie. Zolang er in de rest van Noord-Afrika chaos heerst, neemt de Algerijnse bevolking vrede met de toestand in eigen land.’

In zijn boek The Dying Sahara beschrijft Keenan tot in detail hoe de Verenigde Staten en de DRS een Toearegrebellie in Noord-Mali opstartten. In februari 2006 stegen drie Amerikaanse transportvliegtuigen vanuit AFRICOM-hoofdkwartier Stuttgart op met bestemming Tamanrasset, de Zuid-Algerijnse garnizoenstad en DRS-bolwerk.

Het honderdtal Amerikaanse Special Forces beperkte zich tot de rol van logistieke ondersteuning in de Adrar des Ifoghas, een berggebied in de Malinees-Algerijnse grensstreek. De hoofdrol was weggelegd voor Iyad ag Ghaly, DRS-agent en drugssmokkelaar.

In de ochtend van 23 mei 2006 voerde hij met een klein leger twee aanvallen uit op de Malinese militaire bases van Kidal en Ménaka. Een kort vuurgevecht en vier doden later trokken de aanvallers zich terug. Zoals gepland kwam de Algerijnse regering met veel bombarie tussen om de Malinese regering te sussen. In de internationale media werd het voorval geframed als het zoveelste incident in het jihadistische broeinest dat de Sahel geworden was.

Dankzij de getuigenissen van Al Qaeda-strijders kon Keenan niet alleen een AQMI-trainingskamp lokaliseren in het zuiden van Algerije, maar ook de betrokkenheid van westerse inlichtingendiensten vaststellen.

Maar Keenan ontdekte nog meer. Dankzij de getuigenissen van drie naar Europa gevluchte Al Qaeda-strijders kon hij niet alleen een AQMI-trainingskamp lokaliseren in Tamouret[7] in Zuid-Algerije, maar ook de betrokkenheid van westerse inlichtingendiensten vaststellen.

De DRS had het ingedommelde GIA in 1998 al omgedoopt tot GSPC (Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat). Om meer internationale weerklank te krijgen, veranderde het in 2007 haar naam naar AQMI (Al-Qaeda au Maghreb Islamique) en plaatste het de Algerijn Abdelhamid Abou Zaïd aan het hoofd.

De getuigen identificeerden lui als Abou Zaïd, Belmokhtar en Bouchneb (de latere bevelvoerders over het commando van In Amenas) en andere hooggeplaatste officieren uit de DRS en het Algerijnse leger als regelmatige bezoekers aan het kamp. Deze verzamelden vingerafdrukken, foto’s en andere gegevens van jihadi's en gaven die in Algiers door aan westerse inlichtingendiensten,[8] of ze voerden lesmateriaal aan.

De terroristen-in-opleiding oefenden er onder andere het oversnijden van de keel op levende Algerijnse gevangenen. Nader onderzoek op het terrein legde tal van graven bloot. Keenan noemt dit Al Qaeda-kamp ‘één van de grootste geheimen van de westerse strijd tegen terreur’.

De weg naar chaos

De verstandhouding tussen de westerse grootmachten en Algerije gleed na 2009 af naar een dieptepunt. De nieuwe presidenten Obama en Sarkozy waren al koele minnaars van de door Rumsfeld geïnstalleerde overeenkomst en bovendien hadden de Verenigde Staten dankzij de eigen schaliegaswinning steeds minder nood aan Algerijnse olie.

De oorlog in Libië brak niet alleen de relaties met het Westen, maar leidde uiteindelijk ook de neergang van de almachtige DRS in.

De oorlog in buurland Libië zette de gespannen relaties pas echt op scherp. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk waren ervan overtuigd dat ze Muammar al-Kadhafi in geen tijd van het toneel konden verdrijven, maar dat bleek een grove misrekening.

Later kwam aan het licht dat zijn lange overlevingsstrijd met wapens en geld was gesteund door het Algerijnse regime. De oorlog in Libië brak niet alleen de relaties met het Westen, maar leidde uiteindelijk ook de neergang van de almachtige DRS in.

Rainer Voegeli (CC BY-NC-SA 2.0)

De Toeareg hadden traditioneel een goede relatie met Kadhafi en velen van hen streden aan zijn zijde tot het einde.

De Toeareg hadden traditioneel een goede relatie met Kadhafi en velen van hen streden aan zijn zijde tot het einde. Na zijn val keerden die honderden zwaarbewapende en goedgetrainde strijders terug naar hun gemeenschappen in Niger en Mali.

Tegen oktober 2011 was deze groep aangegroeid tot een tweeduizendtal strijders. Haar nom de guerre: MNLA (Mouvement National pour la Libération de l’Azawad[9]). De Algerijnen, die weinig of geen controle hadden over de teruggekeerde Libiëstrijders, hielden de ontwikkelingen argwanend in het oog. De Toearegbevolking van Zuid-Algerije zou zich maar eens laten inspireren door haar Malinese broeders en de binnenlandse orde gaan verstoren.

Het zwakke Malinese leger was geen partij voor de MNLA. Om haar opmars richting hoofdstad Bamako te stoppen, richtte de DRS in het najaar van 2011 op enkele weken tijd twee nieuwe “islamistische terreurgroepen” op: Ansar Dine en MUJAO (Mouvement pour l’Unicité et le Jihad en Afrique de l’Ouest). De strategie bestond erin om de MNLA ‘te hulp te schieten’.

Eind 2012 zag het ernaar uit dat Algerije de controle over haar eigen chaos was kwijtgeraakt.

Omdat de Toeareg zowel in getal als in vuurkracht onderlagen, werd de rebellie tegen april 2012 overgenomen en uiteindelijk aan de kant geschoven. Maar het plan liep goed uit de hand. De drie DRS-leiders – Abou Zaïd van AQMI, Sultan Ould Badi van MUJAO en Iyad Ag-Ghali van Ansar Dine – voerden steeds meer een eigen koers, installeerden een sharia-schrikbewind, vernielden het UNESCO Werelderfgoed Timboektoe en rekruteerden in groten getale nieuwe extremistische strijders. Eind 2012 zag het ernaar uit dat Algerije de controle over haar eigen chaos was kwijtgeraakt. Frankrijk vond de tijd eindelijk gekomen om in te grijpen.

Algerije verzette zich in de vergaderingen van de VN-Veiligheidsraad fel tegen een militaire tussenkomst in Mali, maar kon ze niet verhinderen. Frankrijk zette unilateraal Operation Serval op en verbrak daarmee de oude overeenkomst met haar voormalige kolonie dat de aanpak van terreur in de regio de exclusieve bevoegdheid van Algerije was. Door deze zet kwam ook de interne strijd tussen Bouteflika en zijn inlichtingendienst bloot te liggen. De Algerijnse president en zijn leger, al jaren in een machtsstrijd met zijn veiligheidsdiensten verwikkeld, zetten in weerwil van de DRS het luchtruim open voor de Franse jets.

De aanval op In Amenas was een duidelijke boodschap aan het Westen én aan Bouteflika: ‘Don’t mess with us. Wij zijn de baas in de Sahel.’

Op 11 en 12 januari 2013 ging Operation Serval van start. De aanval op de gasfabriek van In Amenas begon vier dagen later. Toeval? Volgens Keenan niet. ‘De DRS voelde zich steeds meer in het nauw gedreven en greep terug naar een beproefd recept: de operatie onder valse vlag. De aanval op In Amenas was een duidelijke boodschap aan het Westen én aan Bouteflika: ‘Don’t mess with us. Wij zijn de baas in de Sahel.’ Alleen liep de operatie in In Amenas grondig fout.

De beruchte éénogige bandiet Mokhtar Belmokhtar en zijn schoolvriend, beroepsjihadi en cocaïnesmokkelaar Mohamed Lamine Bouchneb leidden de aanval. Wat in principe een klassieke DRS-operatie moest worden – een groep westerlingen ontvoeren, enkele maanden vasthouden en na een mediashow terug vrijlaten – werd gedwarsboomd door het onverwachte weerwerk van de lokale security en het ongemeen brutale optreden van het Algerijnse leger.

Dat bleek ook toen de Japanse krant Nikkan-Gendai, die een eigen onderzoek voerde naar de dood van de tien werknemers van het Japanse ingenieursbedrijf JGC Corp, in december 2015 uitpakte met audio-fragmenten van de aanval op de gasfabriek. ‘Ze hebben onze afspraak verraden!’ riep één van de terroristen. Een andere: ‘De Algerijnse regering houdt haar woord niet!’

Drie van de 32 terroristen die uit In Amenas konden ontsnappen, werden later opgepakt door het Algerijnse leger. Zij zouden bekennen dat ze werden bewapend door DRS-topman Generaal Hassan. Toeval of niet, op de dag van Hassans arrestatie vliegt het hoofd van de Amerikaanse inlichtingendiensten James Clapper van Washington naar Algiers voor een blitzbezoek. Volgens Keenan repte Clapper zich naar Algerije om te vermijden dat de geheime samenwerking tussen het Westen en DRS in de openbaarheid zou komen.

Crimineel succes

Het débacle van In Amenas betekende het einde van de almacht van de DRS. Bouteflika zag zijn kans schoon om de inlichtingendienst te onthoofden en verschillende DRS-officieren in de gevangenis te gooien of onder huisarrest te plaatsen. De vele agenten kwamen onder het rechtstreekse bevel van legercommandant Saleh te staan.

‘De voormalige beroepsjihadi's zijn warlords geworden en krijgen steeds meer affiniteit met de échte jihad-bewegingen.’

Toch is deze afwikkeling niet noodzakelijk goed nieuws voor het Westen. ‘Men is de controle over gangsters als Belmokhtar kwijt,’ zegt Keenan. ‘De voormalige beroepsjihadi's zijn warlords geworden en krijgen steeds meer affiniteit met de échte jihad-bewegingen. Het is steeds duidelijker dat de IS-ideologie aan terrein wint in de Sahel.’

‘De conclusie is dan ook cynisch,’ besluit Keenan. ‘Dankzij het Al Qaeda-trainingskamp in Tamouret kwam het Westen in het bezit van namen, vingerafdrukken, DNA en biometrische gegevens van 2 à 3000 terroristische strijders. Het kamp bestond tussen 2005 en 2009. In die periode was er geen enkele terroristische aanslag op westerse bodem. Dat is volgens mij geen toeval.

Hoe onwettelijk, crimineel en immoreel ze ook was, de samenwerking tussen het Westen en de DRS zou wel eens de meest succesvolle antiterreuractie uit de geschiedenis kunnen zijn.’

***

Voetnoten

[1] Dat betekende niet dat het grote geld het land schuwde. Het boek Imaginative geographies of Algerian violence van Jacob Mundy gaat dieper in op de miljardenleningen van het IMF en de investeringen van Total, BP, Repsol en andere westerse energiereuzen in de jaren negentig.

[2] De gevluchte DRS-officier Mohammed Samraoui omschrijft in zijn boek Chronique des Années de Sang zorgvuldig hoe de Algerijnse geheime dienst ‘islamitische terreurgroepen’ manipuleerde en aanzette tot het organiseren van bloedbaden. Ander werk van de DRS: de gijzeling en onthoofding van 7 monniken uit de trappistengemeenschap van Tibhirine, de kaping van een Air France-vliegtuig in 1994 en de bommencampagne in Parijs een jaar later.

[3] Een aan het Pentagon verbonden denktank van gepensioneerde officieren en industriëlen. De voornoemde vergadering wordt ook uitvoerig beschreven in het boek Counter-Terrorism and State Political Violence van Scott Poynting en David Whyte.

[4] Dit geheime document uit 1962 werd in 2002 vrijgegeven. Na het débacle in de Varkensbaai stelde de militaire top voor om een inval in Cuba te rechtvaardigen door terreurdaden op Amerikaanse bodem op te zetten en de verantwoordelijkheid ervan in Cubaanse schoenen te schuiven. President Kennedy stelde zijn veto en het plan werd afgevoerd.

[5] Jeremy Keenan, die ten tijde van de ontvoering in de regio was, gaat uitgebreid in op de precieze omstandigheden van deze gijzeling in zijn rapport op pagina’s 44-45, 50-51, 132 en 158. Na zijn onderzoek speelde hij alle informatie door aan Britse en Duitse diensten, maar daar stuurden ze hem wandelen.

[6] De gevluchte Algerijnse legerofficier Habib Souaïdia, auteur van het boek La Sale Guerre, beschuldigt Algerije van de aanslagen in het Bardomuseum in Tunis op 18 maart 2015 (24 doden) en het toeristisch resort in Sousse op 26 juni 2015 (39 doden)

[7] Aangezien officiële documenten ontbreken, noemde Keenan het kamp naar de regio.

[8] Keenan beschrijft zijn onderzoek naar de Algerijnse ‘killing fields’ in zijn rapport (pagina 53-57)

[9] Azawad is de Toearegnaam van een territorium in Noord-Mali dat al sinds de Malinese onafhankelijkheid in 1958 naar autonomie streeft.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift