‘Weer een ravage in een ontwikkelingsland waar snel slecht nieuws over gemaakt wordt, maar uiteindelijk niets verandert’

Zeven jaar na instorting fabriekscomplex blijft Rana Plaza slachtoffers maken

© Jef Van Hecken/WSM

Ook vrijwilligers zochten onder het puin naar slachtoffers.

Zeven jaar na datum blijft de ramp van Rana Plaza slachtoffers maken. Toen het fabriekscomplex in 2013 instortte, kwamen 1138 kledingarbeiders en hulpverleners om het leven. Sindsdien vallen er door de ramp nog steeds doden, blijkt uit de getuigenis van vrijwilliger Tanzir (34). Ze getuigt over de impact van systematische corruptie, toen en nu, in een sector die momenteel als een kaartenhuisje in elkaar aan het storten is.

De textielindustrie ligt wereldwijd aan banden. Merken betalen hun orders niet, kledingarbeiders komen op straat om hun rechten (en hun loon) op te eisen. De machtigste spelers denken daarmee weg te komen, maar krijgen internationaal veel kritiek te slikken – net zoals toen fabriekscomplex Rana Plaza instortte, dag op dag zeven jaar geleden.

In de nasleep van die ramp in 2013 ruimde fotografe Tanzir* als vrijwilliger puin, zamelde ze bloed in en ondersteunde ze nabestaanden. Nadien ging ze aan de slag als inspecteur in de textielindustrie van Bangladesh en werd ze onder druk gezet om veiligheidsrapporten te vervalsen. Nu studeert ze antropologie in Leuven en vertelt ze over het trauma dat een van haar medevrijwilligers vorig jaar fataal werd.

‘Het bericht kwam plots. Een vriendin uit Bangladesh vertelde me dat Nawshad Hasan Himu, een vrijwilliger in de nasleep van Rana Plaza, zelfmoord had gepleegd. Nawshad had zichzelf in brand gestoken op de dag waarop die ramp elk jaar herdacht wordt. Exact een jaar geleden, zes jaar na de instorting, bleek dat hij het trauma nog steeds niet verwerkt had. Hij was amper 27.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

‘Met z’n drieën maakten we deel uit van een groep studentenvrijwilligers. Samen ruimden we puin. Ik herinner mij een man die er zeker van was dat zijn echtgenote eronder begraven lag. We hebben gezocht en gevonden. Eerst, een kledingstuk. Daarna, een hand.’

‘Op dat moment beseften we dat het niet aan ons was om dit werk te doen. Wat moet je doen als je zoiets ziet? Ik voelde me hulpeloos, schuldig zelfs. Ik wist dat er nog honderden mensen vast zaten onder het puin, maar ik kon hen niet helpen.’

Alsof hun levens er niet toe deden

Tanzir legt uit dat de hulpverlening weinig georganiseerd was. ‘Eerst deed iedereen maar wat. Het belangrijkste was dat we met veel vrijwilligers waren. Vrienden van mij die geneeskunde studeerden, stonden paraat in het ziekenhuis. Ik hielp mee waar ik kon. Eerst zamelde ik bloed in, daarna eten en geld voor de nabestaanden die wachtten op nieuws.’

Het ziekenhuis was vrij klein, weet Tanzir nog, met weinig medewerkers. ‘Overal waar ik keek, lagen mensen, tot op de vloer toe. Niemand had tijd om hun bloed op te dweilen. Dagenlang bleef dat liggen. Het bleef hangen aan schoenen. Sommige mensen liepen op blote voeten, doordrengd met bloed. Die voetafdrukken zijn me altijd bijgebleven. Voor mij kwam het over alsof het zomaar oké werd om rond te lopen op mensen hun bloed. Alsof hun levens er niet toe deden.’

© Jef Van Hecken/WSM

Een overlevende van de ramp in 2013 wordt verzorgd

‘Na vijf à zes dagen nam het leger het werk van de hulpverleners over. Ook de buitenlandse media kwam erbij. Ze smeerden het incident breed uit. Maar al snel waren ze weer weg en verscheen er niks meer. Het was alsof het gewoon een incident geweest was, weer een ravage in een ontwikkelingsland waar snel slecht nieuws over gemaakt is. Het heeft niks veranderd.’

Na de ramp gingen de vrijwilligers elk hun eigen weg. ‘Ik had niet veel contact meer met Nawshad en vernam pas toen het al te laat was dat hij niet in staat was om dat trauma te verwerken. Hij was zo enthousiast aan zijn vrijwilligerswerk begonnen. Rusteloos was hij, Nawshad wou iedereen helpen. Uiteindelijk bleek het te veel. Het was te veel voor ons allemaal.’

Niemand is voorbereid op zoveel leed

Tim Ryan (Solidarity Center in Azië) legt uit dat het moeilijk is om in Bangladesh psychologische ondersteuning te vinden. ‘In zo’n arm land zijn mensen meer bezig met de eindjes aan elkaar te knopen dan met posttraumatische stress verwerken. Er is ook een sociaal stigma. Het verbaast me niet dat veel depressies onbehandeld blijven.’

‘Het verbaast me niet dat veel depressies onbehandeld blijven.’

‘Tussen 2013 en 2016 boden sociale organisaties zoals BRAC, Centre for the Rehabilitation of the Paralysed (CRP) en Gonoshasthaya Kendra (GK) psychosociale therapie aan voor wie de ramp overleefde, families van slachtoffers en vrijwillige helpers’, vult Tuomo Poutiainen, directeur van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) in Bangladesh, aan. ‘Maar uit consultaties van CRP blijkt dat het gebruikelijk is om pas jaren na een tragedie posttraumatische stress te ontwikkelen.’

‘Niemand is voorbereid om zoveel leed te zien’, zegt Tanzir. ‘In Bangladesh is er inderdaad maar weinig psychologische ondersteuning. Als je een trauma meemaakt, moet je er zelf maar mee zien om te gaan.’

‘Ook onder vrijwilligers werd weinig gesproken over wat ons vrijwilligerswerk met ons gedaan heeft. We praatten wel over Rana Plaza en hoe de ramp verholpen kon worden. Maar hoe we dat zouden kunnen plaatsen, zwegen we dood. Tot Nawshad zelfmoord pleegde. Na alles wat hij gezien heeft, kreeg mijn vriend niet de juiste hulp. Op dat moment beseften we dat er te weinig ruimte is om ook de moeilijke onderwerpen aan te halen in onze maatschappij.’

‘De jongste generatie Bengalezen weet al iets meer over mentale gezondheid’, zegt Bangladeshexpert dr. Julian Kuttig (Conflict Research Group). ‘Het is de infrastructuur die gebrekkig blijft. Dat zien we nu ook bij de coronacrisis: het aantal bedden op de intensieve zorg is bedroevend laag. Als het virus hier echt voet aan wal krijgt, zullen er veel slachtoffers zijn.’

Dit ben ik hen verschuldigd

Tanzir blijft worstelen met de herinneringen van haar periode als vrijwilliger. ‘Ik hoor het gehuil nog steeds. Nooit heb ik zoveel volwassen mensen horen huilen als toen.’

Ze voelt zich schuldig dat ze niet meer kon doen, verantwoordelijk zelfs. Die verantwoordelijkheidszin vertaalde zich naar haar later loopbaan. Na haar vrijwilligerswerk kon ze aan de slag als ambtenaar en kwam ze terecht op het ministerie van Financiën, als inspecteur. Daar moest ze fabrieken controleren en rapporten schrijven over ‘alle dingen die fabrieksbazen juist deden’.

‘Ik wist dus maar al te goed wat voor gevolgen valse rapporten kunnen hebben.’

‘Terwijl ik het aan de slachtoffers van de ramp verschuldigd ben om zo goed mogelijk werk te leveren. Dat fabriekscomplex was nog maar pas gecontroleerd vlak voor het gebouw instortte. Ik wist dus maar al te goed wat voor gevolgen valse rapporten kunnen hebben.’

Rana Plaza was meermaals goedgekeurd door externe auditeurs, bevestigt een studie van de Schone Kleren Campagne over fraude in de auditsector. ‘Pure nalatigheid’, veroordeelt de organisatie. ‘Fabrikant Sohel Rana had illegaal twee extra verdiepingen laten bouwen. Dit soort risico’s zijn niet ongezien. Bovendien is het algemeen geweten dat inspecties door de Bengalese overheid onvoldoende zijn, gezien het gebrek aan inspecteurs.’

Mensenrechtenadvocate Aruna Kashyap (Human Rights Watch) verwijst naar die studie als ze uitlegt hoe sociale audits in hun werk gaan. ‘Overheidsinspecteurs zijn in theorie onafhankelijk. In de praktijk zijn ministeries die zo’n inspecties laten uitvoeren inderdaad vaak onderbemand en is er regelmatig, vanuit geloofwaardige bronnen, sprake van corruptie.’

© Jef Van Hecken/WSM

‘Corruptie is helaas eigen aan dit land’, zegt Bangladeshexpert Kuttig. ‘Rana Plaza is niet ingestort door slechte arbeidsomstandigheden, maar door corruptie in de bouwindustrie.’ Dat bevestigt dr. Iftekhar Zaman, directeur van Transparency International in Bangladesh. Uit cijfers van de organisatie blijkt dat Bangladesh op plaats 34 staat van de meest corrupte landen ter wereld. Van 2001 tot 2005 was het zelfs het meest corrupte land van allemaal. ‘In de textielindustrie zien we veel corrupte praktijken’, aldus Zaman. ‘Fabrikanten die betalen voor een inspectie in hun voordeel, politieke inmenging, noem maar op.’

‘Als je op een gewone dag een fabriek bezoekt, zonder te zeggen wie je bent, zie je pas hoe de vork in de steel zit.’

‘Ik ben in veel fabrieken geweest en ik heb het allemaal gezien’, vertelt Tanzir. ‘Kijk, hier is een nieuwe brandblusser. Daar, een branddeur. Dat klinkt allemaal heel positief. Maar als je op een gewone dag zo’n fabriek bezoekt, zonder te zeggen wie je bent en wat je er juist komt doen, dan pas zie je hoe de vork in de steel zit.’

Te koop: fabriekslicentie

Als ambtenaar op het ministerie stelde Tanzir rapporten op om fabrieken handelslicenties toe te kennen. ‘Die zijn interessant om leveranciers uit het buitenland aan te trekken. Pas als fabrieken zo’n licentie hebben, kunnen leveranciers met zekerheid zeggen aan hun klanten dat de fabrieken lang genoeg zullen draaien om zoveel mogelijk orders te verwerken.’

Om zo’n licentie te bemachtigen, moeten fabrieksbazen een twintigtal documenten invullen. Daarna zal er een ambtenaar, zoals Tanzir, de fabriek bezoeken om te kijken of alles wat op die documenten staat overeenstemt met de werkelijkheid. Maar die bezoeken vonden niet altijd plaats. Zeker voor Rana Plaza werden volgens Tanzir licenties aan de lopende band verkocht.

10 procent van de parlementsleden is fabrikant, tot 50 procent van de andere parlementsleden hebben familie aan het hoofd van een fabriek staan.

Dat verbaast Bangladeshexpert Kuttig hoegenaamd niet. ‘Fabrikanten moeten regelmatig politici betalen – vaak op een subtiele manier. Behalve als de fabriekseigenaars zelf in de politiek gaan.’ Uit cijfers van het International Labor Rights Forum blijkt dat 10 procent van de parlementsleden zelf fabrikant is en tot 50 procent van de andere parlementsleden familieleden hebben die aan het hoofd staan van een fabriek. ‘Veel politici hebben een enorm persoonlijk belang bij deze industrie’, bevestigt ook Ryan (Solidarity Center). ‘Dat vergemakkelijkt de regulering niet.’

‘Een politiek spel’, zo noemt dr. Kuttig het. ‘Politici gebruiken hun invloed om licenties voor zichzelf of voor hun politieke medestanders te voorzien. Een groot deel van hun inkomen hangt daarvan af.’ Ryan bevestigt dat inspecteurs ‘relatief lage salarissen’ krijgen. ‘Een job als ambtenaar is erg gegeerd: je hebt macht én je hebt de mogelijkheid om extra geld binnen te halen’, gaat Kuttig verder. ‘Ambtenaren krijgen de laatste jaren wel beter betaald en zijn dus – in theorie althans – minder geneigd om licenties te verkopen. Al twijfel ik eraan of dit systeem van jarenlange corruptie zo snel zal verdwijnen.’

© Jef Van Hecken/WSM

‘Ik herinner mij een man die er zeker van was dat zijn echtgenote eronder begraven lag. We hebben gezocht en gevonden. Eerst, een kledingstuk. Daarna, een hand.’

Een succesvolle carrière is een corrupte carrière

Ook Rana Plaza heeft de licentiefraude niet doen afnemen. Toch ziet Tanzir wel een verschil. ‘Sindsdien gaan ambtenaren altijd ter plaatse kijken.’ Dat baseert ze op haar eigen ervaring als inspecteur: op een jaar tijd bezocht ze 400 tot 500 fabrieken. Dat behoedde de fabriekseigenaars niet om licenties af te kopen.

Tanzir herinnert zich een geval nog goed. ‘De minister van Financiën zette druk om een ondernemer toch licenties te geven voor twee fabrieken die eigenlijk helemaal niet volgens de standaarden opereerden’, zucht Tanzir. ‘Het gaat om erg rijke mensen, die niet tegengesproken willen worden.’

‘Als je als ambtenaar niet meedoet met de corruptie, is het lastig om verder een carrière uit te bouwen’, zegt dr. Kuttig daarover. ‘En al zeker in deze industrie, die net zo cruciaal is voor de economie (80 procent van de export in Bangladesh hangt af van de textielindustrie, sv). De overheid kan zich geen nieuwe Rana Plaza veroorloven. Deze sector wordt wereldwijd onder een zodanig vergrootglas gehouden, dat ik denk dat de politieke elite wel klaar is voor verandering. Helaas is het moeilijk om beleid te voeren tegen de bestaande systemen van corruptie, gezien de hoeveelheid belanghebbende politici die steeds meer in alle partijrangen doorbreken.’

De impact van COVID-19 op fabrieken, arbeiders en inspecties

Bangladesh is momenteel in een nationale lockdown (die een ‘algemene vakantie’ gedoopt werd) tot 5 mei. De meeste (maar niet alle) fabrieken zijn gesloten en zullen, zoals het er nu naar uitziet, begin volgende maand gefaseerd weer openen. Volgens werkgeverskoepel BGMEA zitten ruim 2 van de in totaal 4 miljoen arbeiders zonder werk door de crisis.

Ook fabrieksinspecties kunnen moeilijk doorgaan. Het departement voor Inspecties van Fabrieken en Vestigingen (DIFE), dat deel uitmaakt van het ministerie van Werk en Werkgelegenheid (MoLE) in Bangladesh, voert momenteel ‘virtuele inspecties’ uit, meldt Tuomo Poutiainen (ILO). Die inspecties gebeuren op basis van informatie van fabriekseigenaars, wat ze allesbehalve onafhankelijk maakt. Fysieke inspecties zullen heropstarten zodra de fabrieken opnieuw opereren. In de tussentijd voert de Remediation Coordination Cell (RCC), dat het internationale Akkoord voor Brand- en Gebouwveiligheid volgende maand vervangt, technische reviews uit van ontwerpen van gebouwen.

Laura Gutierrez van Worker Rights Consortium (WRC) benadrukt dat het Akkoord zelf niet meer kan opereren door COVID-19. ‘Maar als een klacht neergelegd wordt voor grove inbreuken op de veiligheid, zal het Akkoord wel een noodinspectie regelen.’

Of kledingarbeiders de crisis zullen overleven, zal volgens dr. Kuttig afhangen van de landen die de kleren opkopen. ‘Als we geen goedkope kledij meer kopen, zullen arbeiders niet meer kunnen betalen voor voedsel of huisvesting. Het is ironisch, eigenlijk. En tragisch, want deze vicieuze cirkel kan niet zomaar doorbroken worden.’

© Jef Van Hecken/WSM

Wat moet er gebeuren om overheidsinspecties in Bangladesh te verbeteren?

Tuomo Poutiainen (ILO) benadrukt dat sinds Rana Plaza al duizenden fabrieken geïnspecteerd zijn en tienduizenden werkgevers en werknemers veiligheidstrainingen gekregen hebben. Hij verwijst ook naar een hotline, gesponsord door het ILO en beheerd door het interne inspectiedepartement DIFE, waarbij arbeiders anonieme klachten kunnen neerleggen.

‘Toch is er nog veel nodig om veiligheids- en gezondheidsrisico’s op de werkvloer uit te roeien. Daarom werken wij samen met de overheid en het departement DIFE. In de arbeidswet van 2006 staat dat DIFE verantwoordelijk is om veiligheidsinbreuken vast te stellen, maar dat is niet hun expertise. Net daarom is het RCC gecreëerd.’

Of het RCC het werk van het Akkoord voor Brand- en Gebouwveiligheid op hetzelfde elan kan verderzetten, is op zijn minst twijfelachtig. Volgens Laura Gutierrez (WRC) zijn afdwingbare overeenkomsten tussen merken en arbeiders, zoals het Akkoord, de enige mogelijke manier om onafhankelijke veiligheidsinspecties te organiseren in fabrieken. Aruna Kashyap (HRW) vult aan dat internationale donoren de Bengalese overheid zouden moeten ondersteunen om het huidige systeem van nationale fabrieksinspecties te hervormen. ‘Daarvoor is meer mankracht, meer transparantie en minder corruptie nodig.’

We lezen modebladen

‘In zo’n situatie voel ik me niet op mijn gemak.’ Tanzir aarzelt even als ze verdergaat met haar verhaal. ‘Het voelde … riskant. Ik kreeg geld aangeboden om een goed rapport te schrijven, bedreigingen als ik de inspectie negatief zou beoordelen.’ Na een jaar besloot ze ermee op te houden. Voor haar vertrek schreef ze alsnog een negatief rapport, over het bedrijf in kwestie. ‘Later hoorde ik dat mijn baas een stap opzij heeft moeten zetten door dat rapport. Twee andere collega’s kwamen ook in de problemen. Zo zit het systeem in elkaar.’

Uiteindelijk sloeg Tanzir een nieuwe weg in. Ze vroeg een beurs aan om te studeren in het buitenland – eerst ontwikkelings- en genderstudies in Nederland, later antropologie in België. ‘Beide beurzen heb ik tot mijn grote vreugde binnengehaald. Ik zie mezelf niet meer terugkeren naar het ministerie. Op dit moment voelt Bangladesh niet meer aan als mijn thuis.’

Tanzir werkt dit jaar haar tweede master af. Daarnaast verdient ze bij als fotografe. ‘Ik hoop op termijn een doctoraatsstudie te kunnen doen over genderrollen in Bangladesh. En, wie weet, ooit een fotoreportage te maken over de vrouwen achter onze kleren.’

‘Er zijn zoveel modebladen, maar daarin lezen we niet de verhalen van de vrouwen die de kleren maken. Niemand geeft om hen.’

Pas als we de mensen achter onze kleerkast leren kennen, naar hun verhalen luisteren, worden we aangespoord om iets voor hen te doen, gelooft Tanzir. ‘We kunnen druk zetten op fabrieksbazen om meer te doen voor hun werknemers. Enkel zo zal er een positief verhaal verteld worden. Door verhalen kunnen we alle betrokkenen inspireren om beter te doen.’

‘Weet je, er zijn zoveel modebladen. Die verschijnen maandelijks, wekelijks zelfs, in zoveel verschillende talen. Maar in die magazines lezen we niet de verhalen van de vrouwen die de kleren maken. Niemand geeft om hen.’

Wie vragen heeft over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het nummer 1813.

*Om de privacy van haar familie te garanderen, gebruikt Tanzir niet haar volledige naam.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Freelance journalist met focus op eerlijke mode

    Sarah Vandoorne is freelance journalist, hispanoloog, Latijns-Amerika aficionada en – voor zover die term steek houdt – een rasechte Belgisch Britse Bengalees.