DGD op bezoek in Oost-Congo

Ivan Godfroid

Ivan Godfroid

Globochtoon

Blog

DGD op bezoek in Oost-Congo

24 oktober 2015
DGD op bezoek in Oost-Congo
DGD op bezoek in Oost-Congo

Het gebeurt niet alle dagen dat je als ontwikkelingsorganisatie bezoek krijgt van je subsidiërende overheid.

Wat betreft Vredeseilanden in Oost-Congo moet dat van 2001 geleden zijn, toen attaché Herman Van Brandt van de ambassade in Butembo een projectvoorstel kwam evalueren en het dan ook goedkeurde.

Toen ons het bericht bereikte dat Eddy Nierynck van DGD (D3.3) en Kathelyne Craenen, attaché landbouw, gender en milieu van de ambassade, het Oosten van Congo kwamen bezoeken, vreesden we even dat ze zich, zoals zo vaak, zouden beperken tot de provinciehoofsteden Bukavu en Goma.

Maar al snel kwam de bevestiging dat ze ook Beni en Butembo wilden bezoeken. En dus ook ons programma.

Ons hele team reageerde blij verrast. Een unieke gelegenheid om eens anders dan via saaie rapporten te kunnen communiceren met de steunverlenende overheid. Relaties tussen instanties worden gedragen door mensen, en als die de kans krijgen elkaar te leren kennen in real life, zal die relatie ook meteen warmer worden, want persoonlijker. Ikzelf had al eerder de kans gehad de aangekondigde bezoekers te ontmoeten in Brussel en Kinshasa, maar niemand anders van ons team kende hen.

Prompt boden we ons aan om hun bezoek in le Grand Nord voor hen te coördineren. Ons plan was hen de realiteit van het diepe binnenland te leren kennen, dat ze de moeilijkheden zelf aan den lijve zouden ondervinden, maar ook voeling zouden krijgen met de schier onuitputtelijke mogelijkheden in de landbouwsector, mits er een minimum aan veiligheid en goed bestuur zijn in dat verre Oosten. Dus planden we een tweedaags veldbezoek in de as Butembo-Kirumba.

Plan B

Drie dagen voor hun aankomst in Beni belde Kathelyne me. Hun VN-vlucht Goma-Beni was afgelast, dus zouden ze een dag later komen. Maar hun terugvlucht kon niet worden gewijzigd. Dus hun bezoek zou niet langer 3,5 dagen maar nog slechts 2,5 dagen kunnen beslaan.

Prompt werkten we een plan B uit. De overnachting in Kirumba zat er niet meer in. Dan maar vanuit Butembo een dag op-en-neer naar Bukununu en voor een bezoek aan ons gemeenschappelijk project met WWF-B en Diobass ook even verder door rijden naar Alimbongo. Dat zou nog net te doen zijn op één dag.

De ochtend van hun aankomst in Beni zette ik me al om 6u30 in beweging. De weg Butembo-Beni is in bijzonder slechte staat, op dit hoogtepunt van het regenseizoen. Ik hoopte de 52 km in twee uur te kunnen afleggen. Maar dat viel tegen. Een eerste bottleneck waar vrachtwagens doorgaans geblokkeerd staan, kon ik vlot voorbijgeraken door langs een gekantelde vrachtwagen te glippen. Maar halverwege, in Kalinguta moest het ergste nog komen. Tientallen vrachtwagens stonden daar geblokkeerd en er was geen doorkomen aan. En ook geen omweg mogelijk.

Een geschenk van de regering

Ik trok mijn blauwe (en stoute) laarzen aan en ging het terrein verkennen. Honderden toeschouwers, samengestroomd voor het gratis schouwspel, porden elkaar in de ribben en de muzungu-kreten waren niet van de lucht.  Wat een lol dat ook de blanke door de modder moest ploegen. “C’est un cadeau de notre gouvernement”, zo drukte een Franssprekende reiziger zijn medeleven vol ironie uit.

Taxichauffeurs die gewone Toyota’s met automatische versnellingsbak, aangekocht in Dubai, besturen, stormden halsoverkop in elke opening die ze zagen tot ze zich volledig klem hadden gereden. Hun strategie is er één van elke vrijgekomen centimeter te bezetten. Dat kunnen ze hen dan alvast niet meer afpakken, denken ze dan, ook al kunnen ze dan niet meer voor- of achteruit. Om ter hardst roepen zal dan wel het pleit beslechten.

Van ver herkende ik al de stem van mijn vriend taximan Kattèm. Dat is hoe je de naam uitspreekt. Eigenlijk schrijf je hem KTM, dat is de naam van het bedrijf waar hij vroeger chauffeur voor was, en die zo zijn roepnaam is geworden. Maar ik denk niet dat veel mensen zich dat nog herinneren.

Midden in een armzwaaiend betoog zag hij me in zijn ooghoek staan. Meteen viel zijn stem terug op normaal volume. “Hé, sta jij hier ook stil? Geen nood we komen er door, zeker jij dan, met je 4 x 4. Ik zorg voor een opening”. En prompt zette hij zijn volumeknop weer open om zijn claim op doorgang verder kracht bij te zetten.

Intussen stapte ik het traject waar het ploeteren geblazen was over zowat 600 meter af, en verkende alle uitwijkmogelijkheden. Net als ik alle details in me had opgenomen, forceerden de taxi’s een doorbraak. Ik zwaaide naar Kattém en repte me naar mijn wagen.

Het werd een heus hindernissenparcours, een slalom tussen stilstaande vrachtwagens, de ene vastgereden in de modder, de andere preventief aan de kant gezet. Maar het lukte! Ik was maar anderhalf uur verloren en kwam dus net op tijd aan in de luchthaven van Beni om onze bezoekers te verwelkomen.

Clearance

Eén ding was echter voor mij zonneklaar geworden: onze gasten naar Butembo brengen op woensdag en dan op tijd terug zijn voor hun vlucht op vrijdagnamiddag, was echt té riskant. Daarvoor was de situatie heus te onbetrouwbaar en onvoorspelbaar.

Mijn verwelkoming was dan ook meteen een aankondiging dat ik niet de zekerheid kon bieden hen op tijd terug te brengen voor hun terugvlucht en ik bijgevolg het hele programma eenzijdig had geannuleerd. Ze keken wat beteuterd, maar legden zich bij mijn beslissing neer, vooral omdat ik hen beloofd had een plan C uit te werken, zodat ze toch wel zouden kunnen kennismaken met Vredeseilanden op het terrein. Ik vroeg alleen maar twee uur de tijd om een veldbezoek op de as Beni-Kasindi uit te stippelen.

Ze vroegen heel uitdrukkelijk de route die we zouden volgen mee te delen. Natuurlijk wist ik waarom: ze hadden clearance nodig van de ambassade, want voordien hadden ze al laten weten dat het noorden van Beni een absolute no-go zone voor hen was. Dat is de regio waar al meer dan 400 onschuldige burgers in het afgelopen jaar werden afgeslacht door vermoedelijke ADF-NALU rebellen, evenwel zonder dat ooit enig bewijs van de identiteit van de moordenaars werd geleverd. Als we op de plaats voorbijreden, tussen de luchthaven van Mavivi en Beni-centrum, waar op 2 januari 2014 kolonel Mamadou Ndala (postuum tot generaal bevorderd) werd vermoord, zweeg ik wijselijk. Monusco heeft er nu permanent een patrouillewagen gestationeerd als afschrikking.

In de namiddag, terwijl we vergaderden om ons programma alvast in detail te presenteren (en al meteen de aangename vaststelling konden doen dat onze verslagen wel degelijk aandachtig worden gelezen!), zag ik Kathelyne regelmatig haar GSM raadplegen. Tegen een uur of vier kwam het verlossende bericht uit Kinshasa: groen licht voor Kasindi.

Adembenemend

De dag erop gingen we de boer op. Eerst bezochten we twee door WWF herbeboste percelen aan de rand van het Virungapark. In Kasindi vervoegden Lydie van ons team en Vea van LOFEPACO, de boerinnenbond, ons, en bezochten we het depot voor landbouwproducten en de voorlopig enige rijstpelmachine in het hele Oosten van Congo die in staat is hele rijstkorrel te scheiden van gebroken korrel. Daarmee hopen we de concurrentie aan te gaan met de ingevoerde Aziatische rijst, waarvan de duurzaamheid van het aanbod in de toekomst zeer onzeker blijft. Beter daarop voorlopen dus, en nu al de Congolese rijst promoten, maar dan moet de kwaliteit wel vergelijkbaar zijn. De betere smaak van de jonge Congolese rijst zal dan wel moeder de vrouw in de keuken overtuigen. Daar twijfelt niemand aan.

Dan trokken we het voorgebergte van de Ruwenzori in. Langs adembenemend steile paadjes, machtige vergezichten en onder een indrukwekkende stilte in de wagen bereikten we het micro-wasstation voor koffie van Luseke. De boeren en boerinnen konden zelf aan de bezoekers tonen hoe ze hun koffiebessen behandelen om er gourmetkoffie van wereldkwaliteit van te maken. In Masambo konden we zelf vaststellen hoe onze boomkwekerij voor agroforestry in koffie in trek was bij de boeren: de eerste 10.000 boompjes hadden al een afnemer gevonden en de tweede cyclus is in voorbereiding. En als kers op de taart stak het Ruwenzorimassief zijn besneeuwde top door de wolken, een schouwspel dat je niet vaak te zien krijgt.

Nadien keerden we terug richting Beni om ook nog het uitpuilende warrantage-depot van LOFEPACO in Kyatsaba te gaan bekijken. De rijk gevulde dag werd afgerond in het enige Italiaanse restaurant van Beni. Maar de Italiaanse keuken zou teveel tijd vergen, dus werd het toch maar een steak-friet.

Onbetrouwbare VN

De dag erop was er nog ruimte voorzien voor een ontmoeting met CAUB, een partnerorganisatie van Universud, de NGO verbonden aan de Universiteit van Luik. Ik had aan de verantwoordelijke duidelijk gemaakt dat hij de bezoekers kon ontmoeten van 9 tot 11u omdat hun vlucht rond 14u in de namiddag stond geboekt. Toch zou hij pas de ochtend van hun vertrek afreizen vanuit Butembo.

Die vrijdagochtend dus belde Kathelyne me rond 9 uur: dat ze er toevallig waren achter gekomen, dankzij een andere Belg die ook in hun hotel logeerde, dat hun VN-vlucht 4 uur vroeger zou vertrekken omdat de USAID in de namiddag het vliegtuig had opgeëist. Dat bijgevolg het onderhoud met CAUB niet zou kunnen doorgaan. Plan D werd daarmee een feit. Ik feliciteerde mezelf inwendig dat ik zo kordaat het bezoek had omgezwaaid, want anders hadden ze gegarandeerd hun vlucht gemist omdat er nog een vergadering gepland stond in de voormiddag in Butembo en ze onmogelijk Beni tijdig hadden kunnen bereiken.

Ik belde de verantwoordelijke van CAUB op vanuit de luchthaven waar ik Eddy en Kathelyne was gaan uitzwaaien. Het was intussen halftien. Hij biechtte me aarzelend op dat hij zich op dat moment op de parking van de taxi’s in Butembo bevond, klaar om richting Beni te vetrekken. En dat voor een onderhoud dat om 9 uur had moeten beginnen?

“Spaar je de moeite”, meldde ik hem. “De bezoekers zitten al in het vliegtuig”. Hoe kwam hij er in godsnaam bij om zo laat de reis aan te vatten, terwijl iedereen toch goed genoeg weet hoe belabberd de weg er bij ligt? Maar het heeft hem wel een nutteloze heen-en-terug Butembo-Beni bespaard. Waarmee is aangetoond dat het Congolese tijdsbeheer ook zijn voordelen heeft.

Ook de wegen nu in Chinese handen

Bleef voor ons de laatste uitdaging. Ik had de voorbije drie dagen in dezelfde onfrisse modderbesmeurde kleren rondgelopen (sorry Kathelyne en Eddy, geval van overmacht), want ik was naar Beni vertrokken zonder reservekleren en toilettas, in de overtuiging dat we meteen naar Butembo zouden terugkeren. En dan geen tijd gehad om ter plaatse wat kleren te gaan kopen. Maar dat was het minste kwaad. Nu nog terug geraken in Butembo.

De dag ervoor hadden we al vastgesteld, op de weg Beni-Kasindi, dat de peage niet langer door FONER (Fonds voor Wegenonderhoud) werd geïnd maar door SOPECO, Société de Gestion de Péage au Congo. Zij deden ons zelfs twee keer betalen op één dag omdat we twee keer hun barrière langs kwamen die dag.

Blijkt dat SOPECO een Chinees bedrijf is dat voor de duur van 5 jaar alle rechten op de inning van peage heeft verworven in ruil voor het onderhoud van de wegen. Congo verliest nu dus ook de controle op haar eigen wegen aan de Chinezen. Hoe ver kan een land gaan in de uitverkoop van zijn autonomie? De enige troost is dat zij wél het wegenonderhoud zullen doen, in tegenstelling tot FONER, waar het geld alleen maar verdween. Vorige week nog zei de gouverneur van de nu opgesplitste Province orientale, Jean Bamanisa, dat de bevolking maar beter kan stoppen met de peage van FONER te betalen. De weg Bunia-Mahagi is immers in nóg slechtere staat. Civiele ongehoorzaamheid bij monde van een top-politicus. In Congo is alles mogelijk.

Bij het buitenrijden van Beni vroeg ik aan de SOPECO-man of hij me mijn peage zou terugbetalen indien we Butembo niet zouden bereiken en onverrichterzake naar Beni zouden moeten terugkeren.

“Geen sprake van”, zei hij verbolgen, met een air van “wie denk je wel dat je bent, stuk pretentie?”.

“Staat tegenover het betalen van peage dan geen resultaatsverbintenis voor de weggebruiker dat hij zijn bestemming zou bereiken?”, probeerde ik nog, maar het leek of ik tegen een zoutpilaar praatte en legde zuchtend de obligate 4 dollar neer.

It’s a long way to Butembo…

De terugweg was een hel. Een gemiddelde van minstens 10 nids de poule per vierkante meter. Een gekantelde vrachtwagen vol Simba-bier bij het verlaten van Beni, een wachtkolonne van anderhalve kilometer in Kalunguta, maar voor lichtere wagens was er intussen een zijweg gevormd, waar de perceeleigenaar in zeven haasten een bamboe-slagboom had geplaatst om van elke automobilist 1000 CF doorgangsrecht te eisen. “Misbruik maken van de miserie van anderen, ben je niet beschaamd?”, riep ik hem toe, maar mijn medereizigers doken maar al te graag in hun zakken om de geïmproviseerde onwettige belasting te betalen, blij dat ze door konden gaan.

Vijf kilometer voor het binnenrijden van Butembo botsten we op de grootste uitdaging. Opnieuw twee kilometer wachtende vrachtwagens in beide richtingen, terwijl een tientonner vastgezogen zat in de modder. Net op het moment dat het gevaarte er kon worden uitgetrokken door een veel sterkere twintigtonner, verscheen een pick-up van het FARDC op het toneel.

Voor hen moest alles wijken. Zo zijn die genadeloze uniformdragers. Maar wel handig om in hun kielzog te springen en zo mee te profiteren van hun brutaliteit. Dankzij hen konden we toch nog op 3,5 uur tijd Butembo bereiken. Een gemiddelde snelheid van 15 kilometer per uur. Nooit gedacht dat ik daarvoor ooit het Congolese leger dankbaar zou zijn.