Opleiding moerasbouw en veeteelt

Blog

Opleiding moerasbouw en veeteelt

CONADER, die de demobilisatie en re-integratie van ex-strijders moet coördineren, werkt voor het re-integratieluik samen met enkele partners. Deze partners werken op hun beurt weer met partners… Zo kom ik bij de kleine ngo CAIDECO terecht, een partner van FAO.

CAIDECO blijkt een gezondheidscentrum, opvangcentrum voor ondervoede kinderen, kleuterschool en landbouw- en veeteeltproject in één. De gedemobiliseerden, het zijn er tien, volgen een opleiding in moerasbouw en veeteelt in de vallei. Nadat we eindelijk hun veldjes gevonden hebben, ben ik al murw geslagen van de anderhalf uur durende wandeling in de brandende zon. Vervolgens word ik nog eens murw geslagen door de verhalen van de “papa’s” die voor me zitten.
Ze zijn met zijn zessen, zijn minimum vijftig jaar en hebben minimum acht kinderen. Allemaal hebben ze gekozen voor een opleiding als veeteler (kippen of varkens) omdat ze ervan overtuigd zijn dat dit voor hen de beste manier is om een inkomen te verzekeren. Hun opleiding is in september vorig jaar begonnen en vandaag, 5 maart, hebben ze ze afgerond. Bijna elke dag zijn ze vanuit alle hoeken van de stad naar deze vallei (aan de voet van de Unikin) afgezakt om alles te leren over het zaaien en oogsten van voedergewassen voor de dieren en de zorg voor hun vee.
Wanneer ze volgende week slagen voor het examen, zullen ze hun re-integratiekit krijgen, die bestaat uit varkens of kippen, afhankelijk van wat ze gekozen hebben. Hun probleem is echter dat ze geen perceel hebben om deze beesten op te houden en als ze dat al hebben geen geld om een fatsoenlijk hok te fabriceren. Velen van hen huren een huis en één iemands huisbaas heeft al gezegd dat hij geen beesten op zijn grond wil. Een andere man heeft een afspraak gemaakt met zijn buurman, die wel plaats heeft om vee te zetten.
Ze klagen dat CONADER niet voldoende voor hen doet en is dat de dank die ze krijgen voor zoveel jaren trouwe dienst voor het vaderland? Ze verlangen van CONADER dat ze er op zijn minst voor zorgen dat ze hun vee ergens kunnen zetten, al was het maar een omheining in bamboe, of een gemeenschappelijk hok dat ze allemaal samen kunnen gebruiken.
Ik heb de indruk dat veel gedemobiliseerden hier behoorlijk verontwaardigd zijn en boos. Deze papa’s zullen niet meteen de wapens terug opnemen, maar de grootste groep gedemobiliseerden bestaat uit jongeren. Wanneer zij zich gemarginaliseerd en bedot voelen, bestaat er wel een groot risico dat ze opnieuw naar de strategie van geweld grijpen.
Enkele dagen later blijkt hoezeer mijn bezoek aan de vallei al over de tongen is gegaan. Ik krijg een telefoontje – neen, ik krijg een rinkel, de gewoonte van de Congolezen, wat betekent dat je zelf moet terugbellen – van iemand die zich voorstelt als maman Judith. Ik kan me niet direct een maman Judith herinneren, maar even later blijkt dat ik haar inderdaad nog nooit heb ontmoet. Ze heeft mijn gsm-nummer van iemand bij CAIDECO gekregen en vraagt of ik haar alstublieft niet kan helpen want ik ben wees, mijn moeder is gestorven en ik heb het zo moeilijk.
Ik antwoord dat ze toch niet kan verwachten dat ik zomaar iedereen kan helpen die me telefoneert, dat ik haar niet ken en dat ik bovendien ook maar een student ben die het geld niet zomaar overal uit te delen heeft. Sorry, maar het gaat niet. Het is moeilijk om op die manier mensen af te schepen, maar tegelijk ben ik ook een beetje verontwaardigd dat ze zomaar mijn nummer zitten door te geven aan mensen die geld nodig hebben.
Nog even later word ik door een oudere man aangesproken net buiten de poorten van het klooster waar we logeren. “Jij bent toch diegene die vorige week naar de vallei is geweest en daar de gedemobiliseerden hebt bezocht? En je hebt hen 1500 Congolese frank (zo’n twee euro) gegeven?” Inderdaad, beaamde ik. Hij begon een verhaal af te steken dat hij ziek is en het moeilijk heeft en dat hij ook gedemobiliseerd is of niet, dat kon ik uit zijn litanie niet opmaken. Maar feit was wel dat als ik toen aan die gedemobiliseerden iets kon geven, ik dat nu aan hem toch ook wel kan.
We zijn immers buren en familie en hij is ziek enzo. Ik probeer uit te leggen dat ik onderzoek doe naar de situatie van de gedemobiliseerden, dat ik interviews met die mannen had gedaan en ik ze daarvoor toch een kleinigheid in de plaats wilde geven. Opnieuw zag ik me genoodzaakt vriendelijk maar beslist te antwoorden dat het gewoon niet mogelijk is om iedereen die me iets vraagt geld te geven.
Het is zo vermoeiend om elke dag weer te moeten opboksen tegen dergelijke vragen en de veronderstelling dat zo’n blanke zeker wel met zakken vol dollars zal rondlopen. Je weet dat je er begrip voor moet opbrengen en dat het normaal is dat mensen in hun situatie hulp vragen. Maar het gaat gewoon niet en soms betrap je jezelf erop dat je ergernissen over het beeld van de blanke als wandelende portemonnee ver de overhand nemen op je begrip voor de situatie.