Voorhoofd

Blog

Voorhoofd

Voorhoofd
Voorhoofd

Tijdens mijn verblijf in Addis krijg ik overdag onderdak in het University for Peace van de VN om aan mijn onderzoek te werken. De universiteit, die zich vooral bezighoudt met het trainen en faciliteren van onderzoekers en onderzoekscentra in de regio die werken rond conflict- en vredesstudies, wordt geleid door de Rwandees Jean Bosco Butera.

Zoals menig gesprek tussen Rwandezen wereldwijd, draait mijn eerste ontmoeting met de directeur uit op een ‘ons-kent-ons’ moment. Al gauw komen we er achter dat hij een jeugdvriend van mijn aangetrouwde oom is. Bovendien kreeg hij begin jaren ‘80 nummer van wijlen mijn moeder mee als contact ter plaatse toen hij een jaar in België aan het Tropisch Instituut in Antwerpen kwam studeren. Aangezien hij, toen hij het nummer draaide te horen kreeg dat de persoon net was overleden weet ik dat het inderdaad over mijn moeder ging.

Butera brengt me in contact met een onderzoeker in Somaliland die net een opleiding bij hen heeft gevolgd en geeft me cruciale contacten bij de Afrikaanse Unie – het is wederom een Rwandese vrouw die wordt ingeschakeld om mij daar van binnenuit op weg te helpen. Ik sta ervan versteld hoe de nationale contacten hier werken.

Het Upeace bevindt zich in de zijstraat van de ‘hippe’ Bole Road, het kloppend hart van yuppie Addis waar de beste restaurants en cafés te vinden zijn. Tijdens mijn lunchpauze beland ik in La Parisienne, een mini-keten waar de croissants en chocoladebroodjes effectief te eten zijn – en ik loop er Mr. Frigo tegen het lijf.

Hij spreekt me aan in het Engels omdat hij meent te kunnen aflezen van mijn voorhoofd dat ik Keniaanse moet zijn. Ik had hem eerder met een zwaar Italiaans accent luid met een klant horen telefoneren. Ik antwoord hem tot zijn verbazing in het Italiaans dat ik Rwandese ben en hij duidelijk een Italiaan. (Niet omwille van zijn uiterlijk, want hij ziet er eerder uit als een kalende blozende Duitser, als dat type al zou bestaan.) Meteen nodigt de zakenman me uit aan zijn tafel en ben ik een lunchpartner rijker.

Aangezien hij reeds in alle uithoeken van Afrika heeft gewoond heb ik enige moeite om hem ervan te overtuigen hij er naast zat met zijn fysionomische diagnose van mijn verschijning. Ik moet het enkele keren herhalen dat ik echt geen Keniaanse ben. We hebben niettemin een interessante conversatie. Zo legt hij mij volgende prangende vraag voor: ‘Waarom denk jij dat Afrika zo duidelijk achter loopt op het westen? Het is het verschil in klimaat, nietwaar?’ Voor zo’n antwoord is hij bij mij zeker aan het verkeerde adres, maar zijn kennis over de grote Afrikaanse beschavingen in het verleden maakt veel goed.

Hij is bovendien ook in Somaliland geweest. ‘Er is daar echt niets te rapen, je zal het zien’, is zijn oordeel over mijn volgende bestemming. ‘Er is echt niets, alleen maar NGO’s. De mensen zijn wel vriendelijk en nodigen u constant uit bij hen thuis’, stelt hij mij alsnog gerust. Hij schijnt er wel van overtuigd dat ik me gedurende twee weken in Somaliland stierlijk zal vervelen. Ik doe nog een poging om uit mijn magere boekenkennis over Somaliland te putten en te wijzen op de bloeiende private sector die er zou zijn. ‘Waar? Welke business? Ik heb er niets van gezien. Mijn producten wilden ze alleszins niet kopen.’
Later op de avond stuurt hij me nog een email dat ik op commissie kan rekenen als ik kopers zou vinden in Somaliland. Ik weet nog steeds niet precies wat hij verkoopt, iets met buizen of generators, maar ik ben zo mogelijks nog nieuwsgieriger naar Somaliland.