Dat mag je niet zeggen

Column

De toestand is nu eenmaal alarmerend

Dat mag je niet zeggen

collage met portret van MO*columnist Jan Mertens
collage met portret van MO*columnist Jan Mertens

Wetenschappers die zich bezighouden met de klimaatverandering krijgen vaak het verwijt alarmistisch te zijn. Maar wie hun rapporten leest, begrijpt dat de essentie zonneklaar is: de toestand is nu eenmaal alarmerend. Volgens MO*columnist Jan Mertens wil een leven in waarheid zeggen dat we minstens bereid moeten zijn om dat hardop tegen onszelf te zeggen, en er dan de consequenties van dragen.

Hoe doe je dat, leven in waarheid? Het is een vraag die me vaak bezighoudt. Soms ergens diep in de nacht. Soms wanneer ik in de trein zit en naar het landschap kijk. Soms wanneer ik denk aan de kinderen die ik niet heb. Het is alsof zij met me kunnen praten, vanuit een toekomst die ik nog niet ken maar die ik toch soms kan zien.

Alleen al die vraag stellen leidt tot enige schroom, tot een lichte aarzeling. Misschien zelfs tot enige preventieve zelfcensuur. Alsof je je al wapent tegen cynische reacties die zullen komen. (Hoe zal ik het zo formuleren dat mensen zich niet aangevallen voelen of blokkeren?) Om dan te eindigen bij misschien te veel voorzichtigheid.

Het idee van ‘leven in waarheid’ vond ik bij wat ik ooit las over Václav Havel, die nadacht over hoe je rechtop kunt blijven staan en je integriteit bewaren in een totalitaire staat. Niet spreken in de leugens die je worden opgelegd. Niet meegaan in het wegkijken dat van je wordt verwacht. Daar is moed voor nodig. Het is een vorm van verzet, als een existentiële conditie.

Het is oefenen, elke dag weer, en falen, en weer opnieuw beginnen. Het is heel bewust zoeken naar een diep ethische houding die niet cynisch is. Het is een poging om het goede te doen, in het besef dat de grootste vrijheid die je hebt is dat je kunt handelen als burger, zoals Hannah Arendt ons leerde.

Onze wereld lijkt wankel, in de war, in de greep van gevaarlijke zieke mannen. Een deel van wat zij doen, denk ik weleens, is door veel lawaai te maken tegelijk het grote wegkijken organiseren over die dingen die ze niet willen zien. Burgerschap betekent je verhouden tot de hele werkelijkheid zoals die is en dan handelen in het algemeen belang, niet proberen je eigen wil op te leggen aan die werkelijkheid. (‘Als ik zeg dat klimaatverandering niet bestaat, dan bestaat die niet.’)

Ethische spagaat

Hoe ga je om met de planetaire werkelijkheid van ernstig verstoorde en in elkaar stuikende ecosystemen, wat zich uit in toenemende ongelijkheid binnen en tussen landen en generaties? Hoe leef je in die waarheid? Hoe kun je je verhouden tot de vaststelling dat we ondertussen zeven van de negen planetaire grenzen hebben overschreden en dat gevaarlijke tipping points in het planetaire systeem worden bereikt? Het is een belangrijke ethische vraag.

Een deel van die vraag is een toenemend geworstel met wat je wel en niet zegt, op basis van allerlei verwachtingen, taboes, angsten, communicatieve voorschriften, politieke afwegingen, psychologische inzichten…

Wetenschappers die zich elke dag bezighouden met het bestuderen van de aan de gang zijnde klimaatontwrichting of de versnellende natuurvernietiging of de immense verspilling van grondstoffen krijgen waarschijnlijk regelmatig een hoop gedoe over zich heen omdat ze dingen zeggen die ‘men’ niet wil horen. Ze krijgen het verwijt van ‘alarmisme’.

Het valt me op hoe vaak ik dat – ook in erg goed menende progressieve omgevingen – krijg te horen: “Dat mag je niet zeggen!” Iets als: je mag niet zeggen hoe erg het is, want dan haken mensen af. Of: je moet mensen een positief perspectief geven, in positieve bewoordingen, anders zijn ze weg. Of: je mag niet iets zeggen dat mensen ervaren als ‘minder’, want dat is moralistisch.

En, eerlijk gezegd, ik begrijp al die afwegingen, ik heb ook al die psychologische en communicatieve analyses gelezen, maar ik ben het er niet mee eens. In de zin van: als we die op zich goede aanbevelingen op een verkeerde manier hanteren, organiseren we alleen maar het grote wegkijken, in een ethische spagaat die wat mij betreft niet past in een leven in waarheid.

Als ik de rapporten over de aan de gang zijnde klimaat- en biodiversiteitsontwrichting lees, dan is de essentie zonneklaar. De toestand is alarmerend. Vanuit een principiële keuze voor ecologische rechtvaardigheid kun je wat mij betreft niet anders dan stellen dat alle mensen nu en in de toekomst, hier en elders ter wereld evenveel recht hebben op een waardig leven.

De enige weg die volgens mij uitzicht geeft op de verwezenlijking van dat principe bestaat erin dat we ons welvaartsmodel snel weer binnen de planetaire grenzen brengen en echt rechtvaardig maken en dat we herstellen wat we beschadigd hebben. Is dat doenbaar? Ja, zonder twijfel. Is dat gemakkelijk? Nee, waarschijnlijk niet. Moet je vooraf helemaal weten hoe dat moet? Nee. Kun je dat realiseren zonder dat iemand iets zal verliezen? Nee.

De ecologische gulzigheid van het nagestreefde westerse consumptiemodel is niet vol te houden. Hoe langer we dat model als norm nastreven, hoe acuter het verdelingsvraagstuk zal worden, omdat we onze wereld als het ware steeds kleiner maken.

En ik kan geen enkel zinnig ethisch argument vinden voor waarom ik meer recht zou hebben op een waardig leven dan mijn nog niet geboren achterkleinkind of dan de jonge vrouw die aan de andere kant van de wereld in vreselijke omstandigheden moet werken om veel te goedkope wegwerpkledij te maken.

De aarde is groot en rijk genoeg om iedereen die nu leeft en nog zal leven op een rechtvaardige manier te onderhouden, maar alleen als dat gebeurt binnen de planetaire grenzen, en met oog voor de historische verantwoordelijkheid. Ik denk dat leven in waarheid wil zeggen dat we minstens bereid moeten zijn dat hardop tegen onszelf te zeggen en er dan de consequenties van dragen.

“Je mag dat niet zeggen!” In de feiten verdedig je met die kreet vaak vooral de materiële belangen van de (hogere) middenklasse en de rijkeren.

Neem een ‘gevoelig’ onderwerp als vliegen. Er zijn interessante technologische ontwikkelingen (die hopelijk nog versneld zullen worden door de illegale oorlog in Iran) waardoor vliegen sneller schoner kan worden. Maar de vaststelling blijft dat vliegen een erg klimaatbelastende vorm van reizen is.

Een mondiale minderheid van de mensen zal ooit in een vliegtuig gezeten hebben. Er bestaat niet iets als een recht om zo vaak, zo ver en zo goedkoop mogelijk te vliegen als je zelf maar wilt. In een begrensde wereld is er altijd iemand die de prijs betaalt voor het kunstmatig goedkoop gehouden model van vliegen. En elke op zich positieve efficiëntieverbetering wordt in de feiten ‘opgegeten’ door de nagestreefde forse groei van het luchtverkeer.

Er is dus wel degelijk een probleem met die vorm van economische groei. ‘Je mag dat niet zeggen!’ (Waarop dan een hele uitleg volgt over de redenen waarom we groei nodig hebben, met veel technologisch wensdenken, over ‘moraliseren’, over economische belangen, …)

Ik denk dat we minstens moeten proberen die werkelijkheid onder ogen te zien. Daarna kunnen we dan keuzes maken die in dit geval het vliegverkeer binnen grenzen laten bewegen en die de verantwoordelijkheid daarvoor eerlijk verdelen, waardoor we de klimaatdoelen van Parijs wél kunnen halen. Dat is met de nagestreefde groei immers gewoon niet mogelijk. Het alternatief daarvoor is aanhoudend cynisme dat enkel de ongelijkheid tussen rijk en arm groter zal maken.

Onhoudbare levensstijl

Hoe je het ook communicatief opleukt, hoe je het ook in psychologisch niet bedreigende termen uitdrukt, als we een welvaartsmodel willen dat beweegt binnen de planetaire grenzen en dat herstelt wat overbelast of uitgeput is, dan zullen we in een aantal opzichten iets ‘minder’ moeten doen. Dat niet willen zien, is een vorm van wegkijken die wat mij betreft ethisch niet houdbaar is.

Er wordt momenteel – misschien wel net omdat de versnelde ecologische ontwrichting zo onmiskenbaar duidelijk wordt – door rechts-conservatieve krachten een georganiseerde campagne gevoerd tegen alles wat met duurzaamheid te maken heeft. Er is wat mij betreft iets totalitairs aan die cynische bewuste cognitieve dissonantie. En zwijgen of structureel wegkijken of het monddood willen maken van wie opkomt voor een rechtvaardig klimaatbeleid, dat is ook niet ethisch neutraal, integendeel.

Oog hebben voor de planetaire werkelijkheid is geen doemdenken, integendeel. Het enige doemdenken dat ik zie komt van hen die zeggen dat “we nu eenmaal toch niets kunnen veranderen aan de mens” of dat er geen vragen mogen gesteld worden bij het nagestreefde welvaartsmodel dat duidelijk niet past binnen de grenzen en dat systemisch ongelijkheid creëert. Echt kijken naar het verlies dat we al hebben veroorzaakt, daar je verdriet bij toelaten en rouwen om wat er niet meer is, is tegelijk een weg terug naar zoveel dat we nog wel kunnen redden en herstellen.

Op een blinde wijze een verkrampt optimisme prediken geeft niet het perspectief dat mensen nodig hebben en komt soms dicht bij klimaatontkenning. Er zijn echter wel veel redenen tot hoop, in een andere grondhouding. Maar ik denk dat ‘je mag dat niet zeggen’ in de feiten wegen naar hoop afsluit die we erg nodig hebben.

Als we een zo goed mogelijk leven voor iedereen, nu en in de toekomst, willen garanderen, is het net een voorwaarde dat we eerlijk kijken naar de planetaire werkelijkheid en dat de oplossingen die we kiezen ons niet vastzetten in achterhaalde wegen die ons in deze planetaire crisis hebben gebracht.

Alleen dan kunnen we echt zien, denk ik, dat een welvaart van het genoeg die niet steunt op zoveel mogelijk verbruiken, verspillen en verbranden, net een enorm rijke en wervende gedachte kan zijn die een veel grotere vrijheid garandeert en waarin we vooral burger zijn, en onszelf niet herleiden tot enkel maar consument.

We zullen zo’n niet-cynische eerlijkheid trouwens ook nodig hebben om beter te zien op hoeveel plaatsen er kleine en grote ‘tipping points of hope’ zijn, die nu al de weg wijzen naar een andere levensstijl, binnen grenzen. En we zullen het streven naar een veel lagere voetafdruk – te beginnen bij wie ecologisch het meest gulzig is – niet zozeer zien als een bedreiging van onze vrijheid of een ‘verlies’, maar als een uitnodiging tot creativiteit, tot een verbonden leven van de overvloed van het genoeg.

Als we moeten zwijgen over de werkelijkheid, zien we misschien net te weinig de positieve ontwikkelingen die er wel zijn, door een krampachtig eenzijdig vooruitgangsdenken. Neem als  voorbeeld de recente berichten over een update van de klimaatmodellen door de wetenschappers van het IPCC.

De volbloed Trumps van deze wereld zullen zeggen dat het al de hele tijd een hoax was. De kleine Trumps zullen willen bewezen zien dat het nodig is het Europees klimaatbeleid af te remmen. Sommigen zullen uit de bijstelling van de scenario’s willen besluiten ‘dat het allemaal nog wel mee zal vallen, en dat we dus vooral niet onze levenswijze moeten aanpassen’, wat in de feiten een valse vorm van optimisme is.

De nieuwe scenario’s stellen dat het meest gunstige scenario al niet meer haalbaar is. De toekomst kan dus nog moeilijk, heel moeilijk, heel heel moeilijk, of heel heel heel moeilijk worden. (Het scenario heel heel heel heel moeilijk zit er voorlopig niet meer bij.) Het goede nieuws is niet dat het niet zo erg is, het goede nieuws is dat er door doorgedreven klimaatbeleid wel degelijk resultaat is geboekt. De toekomst is potentieel nog altijd open, binnen een aantal marges.

Als je niet mag zeggen dat je – nu het relatief gemakkelijke deel van de weg achter ons ligt – door volgehouden ambitieus klimaatbeleid (met ook moeilijke keuzes) een belangrijk verschil kunt maken in een alarmerende planetaire werkelijkheid, dan blokkeer je de nog resterende wegen van echte hoop.

Ik denk dat voor dit alles een vorm van verzet nodig is, die kan bestaan in kleine en grote dingen, met een blik van verwondering. Sommigen zullen iets moeten verliezen, opdat anderen een uitzicht kunnen krijgen op een waardig leven, dat is wat mij betreft onvermijdelijk. Leven in waarheid is waarschijnlijk vaak eenzaam en verwarrend. Het raakt aan je diepe angsten, maar ook aan alles wat ons mens maakt. Het is de moeite om het te blijven proberen.

Word proMO*

Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.

Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.

Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.

Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.

Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.

Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.

Per maand

€4,60

Betaal maandelijks via domiciliëring.

Meest gekozen

Per jaar

€60

Betaal jaarlijks via domiciliëring.

Voor één jaar

€65

Betaal voor één jaar.

Ben je al proMO*

Log dan hier in