Om tot een gesprek te komen, is een minimum aan bereidheid en respect nodig

De bruggenbouwers zijn weg

© Brecht Goris

Bieke Purnelle

Terwijl ik afgelopen week onder een deken lag te herstellen van een vilein virus ontstond er bovengemiddeld veel commotie over een “lezing” van een controversiele en grofgebekte spreker die door studentenkring KVHV was uitgenodigd aan de Alma Mater van mijn stad.

De man had gezegd wat hij al jaren zegt en schrijft, dus wie goed had opgelet, schrok nergens van. Ik trok m’n deken wat strakker rond m’n wankele lijf, zuchtte zo diep ik kon en hoopte dat niemand mij om m’n mening zou vragen. Die mening had ik namelijk even niet paraat. Wat zegt een mens over zoveel idiotie? Moet daar überhaupt wat over gezegd? Moet je zo’n beroepsbelediger belonen met de aandacht die hij zoekt? Moet je daar klacht tegen indienen? Helpt dat ons vooruit? Ik raakte er niet uit.

Gedachten en meningen zijn even onvermijdelijk als verkoudheden, regenvlagen of internetreclame. Ze klappen open in je hoofd en vallen niet weg te klikken, zelfs niet wanneer dat hoofd wat koortsig aanvoelt.

Ik zag met lede ogen aan hoe het vertrouwde patroon zich ontrolde: iemand zegt iets dat een groep mensen schoffeert; verontwaardigde mensen uiten hun verontwaardiging in tweets, facebookposts en opiniestukken omdat niets doen geen optie is; ze dienen klacht in bij de bevoegde instantie; de schoffeerders krijgen een microfoon onder hun matig beteuterde neus geduwd en herhalen hun boutades; iemand schrijft een opiniestuk over het belang van de vrijheid van meningsuiting, hoe weerzinwekkend de mening terzake ook moge zijn; iemand schrijft een stuk over lichtgeraaktheid; een journalist zoekt een andere invalshoek in de zogenaamde nuance en roept op tot luisteren naar de bruller; EINDE

‘In een weerbare democratie is het goed dat ook slechte meningen geuit kunnen worden.’

Plots wordt de brulboei, de scheldknaap, de roeptoeter een bedreigde vrije mening die dringend beschermd moet worden.

Een zin uit een opinie die door mijn hoofd bleef spoken. Ik bezoek wel eens een voetbalkantine, een krantenforum, een stationsbuffet of een volks café, en hoor daar elke denkbare en ondenkbare mening. Ik hoor mensen met een politiek mandaat dingen zeggen en schrijven die een decennium geleden ondenkbaar waren. Ik lees reacties op krantenartikels die weinig aan de meest morbide verbeelding overlaten. Uitsluitende en dreigende meningen zijn overal en prominenter dan ooit. Oprispingen die vroeger veroordeeld waren tot de cafétoog of de avond onder vrienden worden gul en gretig gedeeld met al wie wifi of 4G heeft, en krijgen vervolgens een tweede leven in de media. De these dat meningen niet geuit kunnen worden, is aan factchecking en herziening toe.

De vraag is niet of meningen geuit mogen worden. De vraag is waar, wanneer, in welke context ze geuit worden en wat we er vervolgens mee doen.

Misschien ligt daar de keerzijde van onze begrijpelijke neiging tot juridiseren: dat het de vrije meningsuiting bovenaan de stapel te behandelen dossiers legt. Plots wordt de brulboei, de scheldknaap, de roeptoeter een bedreigde vrije mening die dringend beschermd moet worden. Over de inhoud van het gebral hoeft het vervolgens niet meer te gaan. Over de eventuele impact op individuen en op de samenleving evenmin. Die gedanken sind frei.

Natuurlijk zijn de gedachten vrij. Je kan niemand dwingen tot het denken van wat dan ook. Je kan hooguit proberen om mensen met gewelddadige of haatdragende gedachten op andere, veiliger gedachten te brengen. Alleen: dat is verdomd lastig. Want waar begin je; hoe doe je dat? Hoe zet je trauma’s, persoonlijke frustraties en angsten om in constructief denken en communiceren? We weten het niet. We doen maar wat. Ik zou daar graag een antwoord op bieden, in de vorm van een powerpoint-presentatie, een lijstje met bullet points of een erudiet essay. Maar ik heb geen antwoord, ik heb alleen maar hartzeer.

De stad licht op in duizenden flikkerende lampjes. Op de radio verneem ik dat dit de warmste week van het jaar wordt.

Ik heb het niet warm. Ik ril onder zorgvuldig gestapelde laagjes wol.

Ik denk aan de kennis van mijn sportschool die dit jaar geen kerst viert bij z’n familie, omdat de gesprekken al een paar jaar uit de hand lopen van zodra het over politiek en samenleving gaat. Voor z’n verjaardag kreeg hij een Hitler-meme van z’n broer. Ik denk aan de vrienden die hopen dat het allemaal snel voorbij is, omdat ze nu al weten dat er iemand, tussen de gevulde kalkoen en de dame blanche, luid en onbeschroomd zal opperen dat deze of gene heikele kwestie de schuld is van de migranten, en dat ze op hun tong zullen moeten bijten tot het bloedt.

Ik denk aan de vriendin die op reis gaat met kerst, om te vermijden dat ze de feestdis moet delen met mensen die grossieren in grove grappen en grollen over “wijven” en “janetten”. Ik staar naar een mail van een onbekende die de moeite neemt om mij te vertellen dat ik een debiel, frigide wijf ben en eens goed gepakt moet worden omdat ik iets schreef waar hij het niet mee eens blijkt te zijn, wat overigens perfect legitiem is. Een twitteraar die zich “Eigenvolker” noemt suggereert ‘kerven in vrouwen’ als oplossing voor hun penisnijd. Ik klik op “delete”.

Polarisering is van alle tijden. Altijd, in elke schijnbaar onoplosbare ideeënstrijd, stonden er bruggenbouwers op die de gemoederen wisten te bedaren. Geen kloof zo diep, of er was uiteindelijk iemand die eroverheen wist te springen om een zelfgeknoopte brug naar de andere kant te gooien.

In deze digitale en ontzuilde tijden lijken de beproefde recepten uitgeput. We raken niet meer aan de overkant en springen lijkt griezeliger dan ooit. De bruggenbouwers zijn weg, en de nieuwe architecten die we nodig hebben zijn onvindbaar.

Wie brult, tiert en voor controverse zorgt krijgt het licht van de schijnwerpers en een megafoon. De rest staat er verweesd bij en doet het altijd verkeerd. Niets doen is laf. Ageren is dom.

Je gaat niet in gesprek met iemand die een dubbelloops jachtgeweer tussen je ogen richt.

In debat gaan met virulente haat en agressie vraagt een soort moed en energie die ik steeds minder kan opbrengen. Iemand die ik niet ken schreef me dat je onttrekken aan het debat met brulboeien, schelders en haters een teken van zwakte is.

Zo komt de verantwoordelijkheid voor oplossingen te liggen bij wie het haten, schelden en brullen afwijst, of voor wie de agressie gewoon te veel wordt. Zo verliezen we altijd. Wie wordt aangevallen, moet verdedigen, maar niet te hard, altijd constructief, genuanceerd en in proportie. Wie dat even niet kan opbrengen, is zwak. Over de kwetsuren spreken, heet lichtgeraaktheid, zelfs wanneer het altijd dezelfden zijn die incasseren.

Zelf geloof ik dat er een minimum aan bereidheid en respect nodig zijn om tot een gesprek te komen. Je gaat niet in gesprek met iemand die een dubbelloops jachtgeweer tussen je ogen richt.

Ik weet niet hoe dit verhaal afloopt. Ik heb alleen een vraag die mij wakker houdt. Hoe houd je je staande temidden van zoveel verbaal geweld? Hoe blijf je hoopvol en ga je moedig voorwaarts terwijl steeds meer ruimte om je heen, steeds meer beslissingsrecht wordt ingenomen door brullers, schelders en narcisten die van haat en uitsluiting hun missie maken en hun agressie verspreiden als Spaanse griep?

 

Gisteravond bracht ik mijn jongste kind naar de voetbaltraining, waar een toegewijde vrijwilliger de winterstop negeerde, omdat zijn jongens hun hobby anders te lang moesten missen. Uit de kantine stegen heerlijke aroma’s op en op het grasveld naast het onze maakten ouders en kinderen zich op voor een match tegen elkaar. De Palestijnse en autoloze ouders van een van de nieuwe spelertjes wilden de andere ouders bedanken voor de talloze carpoolritjes naar wedstrijden te velde en stonden ijverig te koken in de keuken. Iedereen had de uitnodiging dankbaar aanvaard.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Terwijl ik in de kantine op het kind wachtte scrolde ik over op mijn facebookprofiel en zag ik dat in mijn geboortestad een burgerplatform was opgericht voor een warm onthaal van asielzoekers. De vrijwilligers deelden mee dat er opmerkelijk veel aanvragen binnenstroomden om de pas aangekomen mensen in het opvangcentrum uit te nodigen voor een maaltijd.

Toen we thuiskwamen had de oudste zoon voor iedereen frietjes gehaald en de tafel gedekt. Terwijl we de dampende frieten uit het vetpapier haalden, brulden we luid en vals mee met “Jolene” van Dolly Parton, een nummer dat volgens de oudste bijna, maar net niet even briljant was als “A little prayer” van Aretha Franklin.

Ineens wist ik het weer. Zo houd je je dus staande: door je niet te laten verblinden door de schijnwerpers, door ook te luisteren naar wie geen megafoon krijgt en door gretig en onbevangen graag te zien.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift