De neergang van het socialisme

‘Je bent al een paar dagen aan het broeden over een Belangrijk Onderwerp voor je Onmisbare Bijdrage aan MO*’, schrijft Geert Van Istendael. ‘Eindelijk, in het holst van de nacht schiet je overeind op je peluwtje, want het Grote Onderwerp dat alle andere onderwerpjes in de schaduw stelt, is voor je geestesoog verschenen.’

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Je begint te schrijven. Het vordert moeizaam. Eigenlijk wil het helemaal niet lukken. Op zaterdagochtend blader je lusteloos in je lijfblad. Valt je blik daar toch niet op een foto van een meneer die je tot ongeveer een kwart eeuw geleden collega mocht noemen, een foto van gepensioneerd televisiejournalist Walter Zinzen? Niks aan de hand, hij wordt tachtig, gelukkige verjaardag, Walter, en ad multos annos. Maar naast de foto staat deze zin: ‘Ik vrees dat het afgelopen is met de sociaaldemocratie.’ (Lees een uitvoerig gesprek met hem in De Morgen, bijlage Zeno, p. 28-31, krant van 20 mei ll.).

Hij ook dus!

Is dat nu typisch een zorg voor oude mannen, dat wegrotten van de sociaaldemocratie c.q. het socialisme? Excuseer, Walter, ik ben nog maar zeventig, in jouw ogen dus een broekje, echter voor jeugdige lezertjes van zes tot zesenzestig jaar zijn wij beiden bejaard. In de metro van mijn stad staan schoolgaande medeburgers van Maghrebijnse herkomst hoffelijk hun zitplaats aan mij af. Nou, dan weet je het wel.

De reeks smadelijke nederlagen wordt bij iedere verkiezing langer: in Griekenland ligt de PASOK op apegapen, in Spanje heeft de PSOE drie keer op rij verloren en daarbij anderhalf miljoen stemmen zien verdwijnen, in Groot-Brittannië heeft Labour sinds 2001 bij alle verkiezingen moeten inleveren, in Frankrijk haalde de socialistische presidentskandidaat niet eens de tweede ronde, in Nederland werden de sociaaldemocraten verpulverd. De Waalse socialisten mogen van geluk spreken dat de verkiezingen nog een beetje uitblijven, zoniet zouden ook zij wegzinken in de marginaliteit.

Meer dan een halve eeuw geleden schreef Louis Paul Boon op een inleidende bladzijde tot De Kapellekensbaan, een van de allerbeste boeken van onze, de Nederlandse literatuur, dat enkele van zijn personages en ook hijzelf, boontje, op zoek waren naar de waarden die waarlijk tellen, op zoek naar iets dat de NEERGANG VAN HET SOCIALISME tegenhouden kan.

Boontje zag in 1953 al dat het niet goed zou aflopen met het socialisme, toen wij die heden grijsaards zijn nog snaken waren.

Wanneer precies? In 1953. Het lijkt of het vandaag geschreven is. Niet dus. Boontje zag in 1953 al dat het niet goed zou aflopen met het socialisme, toen wij die heden grijsaards zijn nog snaken waren. Het gaat veel verder en dieper dan wat mistroostig gemompel van oude brompotten.

Maar wacht even, in Duitsland, daar schrijdt toch Martin Schulz boordenvol zelfvertrouwen door de propere, schilderachtige straten van steden waarvan de naam eindigt op heim of stein. Sinds Schulz bij Straatsburg de Rijn overstak in oostelijke richting om zegevierend naar Berlijn te trekken, heeft zijn partij, de SPD, er duizenden leden bij gekregen, na jaren sluipende afkalving. In peilingen wipte Schulz galant over moede mama Merkel heen. Dit kon niet misgaan.

En toen kwamen de regionale verkiezingen. Saarland, Sleeswijk-Holstein, Noordrijn-Westfalen. Drie op een rij. Nederlagen bedoel ik.

En de laatste was de zwaarste.

Noordrijn-Westfalen heeft meer inwoners dan Nederland, achttien miljoen, en de oppervlakte overtreft die van België. Je vindt er plaatsjes als Düsseldorf en Essen en Dortmund, alle drie ongeveer zeshonderdduizend inwoners, en ook Keulen ligt in dat gebied. Keulen heeft ongeveer even veel inwoners als het Brusselse Gewest. Het Bruto Binnenlands Product van de deelstaat zowat de helft hoger dan het onze. Dat is dus niet niks. Wie met angst en beven de godendeemstering van de sociaaldemocratie gadeslaat, moet verder kijken dan Nederland of Frankrijk – of ons eigen land.

Tel de slagen en verwondingen.

De sociaaldemocraten verloren bijna 8 procent. In de andere deelstaten (Sleeswijk-Holstein en Saarland) verloren ze véél minder.

Martin Schulz, de nieuwe grote baas en wellicht nog grotere belofte van de SPD, moest toezien hoe zijn partij een pandoering kreeg, nog wel in zijn eigen deelstaat.

De christendemocraten wonnen iets minder dan 7 procent.

De CDU werd de grootste partij. In de andere twee deelstaten was ze dat al.

Martin Schulz, de nieuwe grote baas en wellicht nog grotere belofte van de SPD, moest toezien hoe zijn partij een pandoering kreeg, nog wel in zijn eigen deelstaat.

Wie had dat kunnen denken?

In de peilingen die gelden voor de verkiezingen in de hele Bondsrepubliek had dezelfde Schulz toch de wederopstanding ingeluid voor de al jaren aan zware depressies laborerende sociaaldemocraten? Hebben de opiniepeilers het zoveelste brevet van onbekwaamheid gehaald? Het is moeilijk daar nee op te antwoorden.

Tussen 21 januari en 9 mei zijn de resultaten van veertien peilingen bekend. Elf daarvan gaven de SPD voorsprong, klein of groot, drie gaven een gelijk resultaat aan voor SPD en CDU en nul een voorsprong voor de christendemocraten.

Op 11 mei werden drie peilingen gehouden. Twee ervan gaven een voorsprong voor de CDU, maar dan de kleinst mogelijke: 1%. De kiezer is genereuzer geweest voor de CDU. Eén peilingsinstituut gaf de SPD drie dagen voor de verkiezingen nog voorsprong.

Nu zou intussen algemeen bekend moeten zijn dat bij dergelijke peilingen geringe verschillen en verschuivingen geen enkele betekenis hebben omdat ze binnen de foutenmarge vallen. Dat klopt helemaal, maar sommige peilingen, in maart en zelfs eind april nog, gaven de SPD een voorsprong tussen 14 procent en 6 procent.

Is er iets dramatisch gebeurd tussen 25 april en 14 mei?

Ik in ieder geval heb er niets van gemerkt.

En hier komt Armin Laschet op het toneel. Wie!?!?

Armin Laschet. Een wat dikkige, verfomfaaide kerel, zesenvijftig jaar, een conservatieve katholiek, maar onverdraagzaam mag je hem nu ook weer niet noemen. Dat zou hij van zichzelf, hoe moet ik het zeggen, wel ja, niet goed verdragen. Hij was de Spitzenkandidat van de christendemocraten, vertaal dat als kopman of topman. Dat laatste woord zou Laschet, alweer, niet goed verdragen.

Armin Laschet heeft een probleem. Hij is niet genoeg, wat men in het Duits noemt “draufgängerisch”.

Hij is hoger opgeleid dan Schulz, want die heeft zijn middelbare school niet afgemaakt en Laschet heeft rechten gestudeerd. Hij werkte voor de Beierse radio en televisie en, dit tekent hem ten voeten uit, hij was hoofdredacteur van de Kirchenzeitung voor het bisdom Aken. Als je die met iets bij ons moet vergelijken, dan kom je uit bij het parochieblad.

Deze meneer Laschet heeft een probleem. Hij is niet genoeg, wat men in het Duits noemt draufgängerisch. Noem het vechtlustig, opdringerig, haantje-de-voorste. De adviseurs van zijn campagne fluisteren hem verhit in het oor: Aanvallen, Arnim, vooruit, erop los! Hij heeft in zijn partij veel tegenstanders en die vinden allemaal dat hij te lief is, te harmonisch, in elk geval bestempelen zij zijn kiescampagnes als erbarmelijk.

Dat is betwistbaar. Laschet zat al in het Europees parlement, het Bondsparlement en het landsparlement van Noordrijn-Westfalen. Zo zwak kunnen zijn campagnes dus niet geweest zijn. Mijn strategie is zoals ik ben, zegt hij. Hij wil bijvoorbeeld nooit tegenstanders vernederen of kwetsen. Hij vindt dat onchristelijk.

Hoe is hij aan de top van de CDU gekomen? Omdat hoger geplaatste partijgenoten een breed spoor van brokken achterlieten. Laschet heeft een groot talent om puin te ruimen. Laschet heeft ook een groot incasseringsvermogen. Laschet blijft koppig de luisterende, wat geremde man die hij altijd al was. Hij gaat bijvoorbeeld trouw de leden van de verenigingen voor volkstuintjes bezoeken. Het belang daarvan mag je in Duitsland niet onderschatten. Tijdens kiescampagnes vind je drommen politici van uiteenlopende kleur tussen de prei en de rode kolen. Maar Laschet is werkelijk graag bij die mensen. Denk maar niet dat ze zoiets niet merken.

Laschet houdt niet van polemiek. Tijdverlies, vindt hij. Laschet heeft een voorkeur voor de zaken zelf. Dat is iets heel anders dan de vlotte managersstijl, zo van kom, we lossen dat hier wel even op, waar iemand als bv. de Nederlandse uittredende minister-president Rutte mee behept is.

Is de sociaaldemocratie niet veel te willig opgestapt samen met de neoliberale horden, die vastberaden en op grond van morsige belangen dat monument hebben willen slopen?

Er zijn tussen Düsseldorf en Keulen meer dan genoeg zaken verkeerd gelopen. De kinderarmoede is tijdens het afgelopen rood-groene bewind gestegen en ligt ver boven het nationale gemiddelde, het percentage gezinnen dat moet leven van de abominabele Hartz IV werklozensteun is zelfs sterk gestegen, ellendige straten als de beruchte Dortmundse Mallinckrodtstraße zijn uit voorraad leverbaar. Kortom, er is véél werk aan de winkel. Ondankbaar, nederig, onspectaculair werk.

Maar was het niet Emile Vandervelde, aartsvader van de Belgische sociaaldemocratie, verdediger van de volksverheffing, die zei: Il ne faut pas sous-estimer la Kleinarbeit, je mag het kleine werk niet onderschatten?

Is het niet dat soort werk dat de sociaaldemocratie groot heeft gemaakt? Dat ons na jaren hardnekkige strijd de sociale zekerheid heeft gebracht, dat wonderbare, onvervangbare monument van beschaving? En is de sociaaldemocratie niet veel te willig opgestapt samen met de neoliberale horden, die vastberaden en op grond van morsige belangen dat monument hebben willen slopen?

Is het niet opnieuw tijd voor het kleine werk?

Zou het toeval zijn dat net Armin Laschet de sociaaldemocraat van de CDU wordt genoemd?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.